- Arrest van 25 maart 2014

25/03/2014 - P.14.0437.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De omstandigheden als bedoeld in artikel 28, §1, 2°, Voorlopige Hechteniswet, dat bepaalt dat de onderzoeksrechter tegen de in vrijheid gelaten of in vrijheid gestelde verdachte een bevel tot aanhouding kan uitvaardigen indien nieuwe en ernstige omstandigheden die maatregel noodzakelijk maken, kunnen erin bestaan dat tegen de verdachte sinds zijn invrijheidsstelling of vrijlating nieuwe aanwijzingen van schuld aan het licht zijn gekomen; het feit dat de onderzoeksrechter vóór die invrijheidsstelling of vrijlating reeds dergelijke aanwijzingen heeft vastgesteld maar om andere redenen de verdachte al dan niet onder voorwaarden in vrijheid heeft gelaten, doet hieraan geen afbreuk.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0437.N

S N,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 maart 2014.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16 en 28 Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat het bevel tot aanhouding van 12 februari 2014 regelmatig is; de onderzoeksrechter heeft dat aanhoudingsbevel tegen de eiser uitgevaardigd wegens het bestaan van nieuwe en ernstige omstandigheden zoals bedoeld in artikel 28, § 1, 2°, Voorlopige Hechteniswet, nadat zij de eiser voor het betrokken feit bij beschikking van 24 december 2013 in vrijheid onder voorwaarden had gesteld; de bedoelde nieuwe en ernstige omstandigheden kunnen enkel aanleiding geven tot een nieuw aanhoudingsbevel wanneer zij betrekking hebben op de redenen van de invrijheidsstelling; het bevel tot aanhouding van 12 februari 2014 is echter alleen gesteund op het bestaan van nieuwe schuldaanwijzingen, terwijl eisers invrijheidsstelling niet gegrond was op de afwezigheid van dergelijke aanwijzingen, maar wel op de mogelijkheid om het risico op recidive en collusie te beperken door het opleggen van detentievervangende maatregelen; de enkele omstandigheid dat de nieuwe ernstige schuldaanwijzingen een weerslag kunnen hebben op de redenen van de hechtenis, volstaat niet.

2. Krachtens artikel 28, § 1, 2°, Voorlopige Hechteniswet kan de onderzoeks-rechter tegen de in vrijheid gelaten of in vrijheid gestelde verdachte een bevel tot aanhouding uitvaardigen indien nieuwe en ernstige omstandigheden die maatregel noodzakelijk maken.

3. De bedoelde omstandigheden kunnen erin bestaan dat tegen de verdachte sinds zijn invrijheidsstelling of vrijlating nieuwe aanwijzingen van schuld aan het licht zijn gekomen. Het feit dat de onderzoeksrechter vóór die invrijheidsstelling of vrijlating reeds dergelijke aanwijzingen heeft vastgesteld maar om andere rede-nen de verdachte al dan niet onder voorwaarden in vrijheid heeft gelaten, doet hieraan geen afbreuk.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16 en 28 Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de nieuwe schuldaanwijzingen wijzen op een dermate gevaarlijke ingesteldheid van de eiser dat het gevaar voor de openbare veiligheid niet kan worden ondervangen door detentievervangende maatregelen; aldus beschouwt het arrest de in het bevel tot aanhouding aangehaal-de nieuwe schuldaanwijzingen als omstandigheden die betrekking hebben op de redenen van de hechtenis en gaat het verder dan het corrigeren, vervangen of aan-vullen van de motivering van dat bevel.

5. Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoer-de onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 57,81 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszit-ting van 25 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • In vrijheid gelaten of in vrijheid gestelde verdachte

  • Nieuw bevel tot aanhouding

  • Nieuwe en ernstige omstandigheden die maatregel noodzakelijk maken

  • Begrip

  • Toepassing