- Arrest van 1 april 2014

01/04/2014 - P.13.1957.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter in strafzaken oordeelt onaantastbaar in feite over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van een door een partij gedaan verzoek tot het laten voegen bij het dossier van een ander strafdossier, maar hij heeft geen rechtsmacht om het openbaar ministerie te bevelen een ander strafdossier bij de bij hem aanhangige strafzaak te voegen (1) ; de rechter vermag bij zijn oordeel de rechten van de beklaagde af te wegen tegen andere strijdige belangen; de enkele omstandigheid dat hij een dergelijk verzoek weigert omdat hij dit voor zijn oordeelsvorming niet noodzakelijk acht, levert geen miskenning van het recht van verdediging op (2). (1) Cass. 27 april 1999, AR P.97.0860.N, AC 1999, nr. 241; Cass. 15 feb. 2000, AR P.98.0471.N, AC 2000, nr. 121. (2) Cass. 31 jan. 2006, AR P.05.0651.N, AC 2006, nr. 61; Cass. 10 april 2007, AR P.07.0404.N, AC 2007, nr. 177.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1957.N

I

V O Y W,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Frank Van Vlaenderen, advocaat bij de balie te Gent.

II

M A M,

civielrechtelijk aansprakelijke partij,

eiseres,

beiden tegen

V D,

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep I is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent, jeugdkamer, van 15 mei 2013 en 30 oktober 2013.

Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, jeugdkamer, van 30 oktober 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

De eiseres voert geen middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. De beslissingen waarbij de eisers veroordeeld worden tot betaling aan de verweerster van een voorschot, de beslissing over de rechtsplegingsvergoeding wordt aangehouden, een onderzoeksmaatregel wordt bevolen en de zaak voor ver-dere afhandeling naar de eerste rechter wordt verwezen, zijn geen eindbeslissin-gen, noch vallen zij onder een van de gevallen bedoeld door artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre zijn de cassatieberoepen niet ontvankelijk.

Ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepaling:

- artikel 149 Grondwet.

2. Het arrest verklaart de eiser schuldig onder meer aan verkrachting "met de omstandigheid dat de schuldige, wie hij ook zij, door een of meer personen gehol-pen werd in de [uitvoering] van de misdaad of het wanbedrijf, dat de verkrachting is voorafgegaan of gepaard gegaan met de handelingen bedoeld in [artikel] 417ter eerste lid van het [Strafwetboek] of met opsluiting" (telastlegging A) en diefstal met geweld of bedreiging "met de omstandigheid dat het misdrijf gepleegd werd onder twee van de in artikel 471 (Strafwetboek) vermelde omstandigheden, namelijk het misdrijf gepleegd werd bij nacht en het misdrijf gepleegd werd door twee of meer personen (en) wapens of op wapens gelijkende voorwerpen werden gebruikt of getoond, of de schuldige deed geloven dat hij gewapend was" (telastlegging B).

Op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster bevestigt het arrest het be-roepen vonnis met dien verstande dat de aan de verweerster toegekende provisie, waartoe onder meer de eisers hoofdelijk werden veroordeeld, wordt gebracht op 10.000 euro, de beslissing omtrent de rechtsplegingsvergoeding wordt aangehou-den en de zaak terug verzonden wordt naar de eerste rechter voor verdere afhandeling van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster.

Het beroepen vonnis heeft, vooraleer uitspraak te doen over de burgerlijke rechts-vordering van de verweerster, een gerechtsdeskundige aangesteld teneinde onder meer:

- "de door het slachtoffer, ingevolge de feiten d.d. 15 december 2011, opgelopen letsels, de gevolgen ervan en de ondergane behandelingen en verzorgingen te beschrijven;

- advies te verstrekken nopens de vraag of het slachtoffer ten gevolge van deze letsels een tijdelijke en/of blijvende werkonbekwaamheid / invaliditeit onderging en in voorkomend geval de aard en de graad ervan aan te geven alsmede de consolidatiedatum te bepalen".

Die opdracht laat de mogelijkheid open dat de verkrachting onder meer "een blij-vende fysieke of psychische ongeschiktheid" in de zin van artikel 417ter, tweede lid, 2°, Strafwetboek heeft veroorzaakt (telastlegging A) of de diefstal met ge-weld of bedreiging onder meer "een blijvende fysische of psychische ongeschiktheid", zoals bepaald door artikel 473 Strafwetboek, ten gevolge heeft gehad (telastlegging B).

Aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.

Eerste middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, ar-tikel 191 Grondwet, de artikelen 47 en 48 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna Handvest Grondrechten) en de artikelen 37, d, en 40 Kin-derrechtenverdrag, alsmede miskenning van het recht van verdediging en het recht op wapengelijkheid: bij tussenarrest van 15 mei 2013 hebben de appelrechters na-gelaten eisers verzoek tot inzage en kopie van het dossier ten laste van A L die volgens het openbaar ministerie mede betrokken was bij de aan de eiser ten laste gelegde feiten maar waarvan het weigerde het dossier te voegen, te beantwoorden en het openbaar ministerie uit te nodigen dit dossier alsnog te laten voegen; in het eindarrest van 30 oktober 2013 oordelen de appelrechters dat het recht op tegen-spraak niet absoluut is en verwijzen zij naar de motieven van de brief van 5 sep-tember 2012 van het openbaar ministerie, waaronder de betrokkenheid van andere minderjarigen in dit strafonderzoek; deze bewering die door de appelrechters zon-der enig onderzoek wordt overgenomen, is niet bewezen en kan door de eiser niet worden gecontroleerd; het openbaar ministerie en de verweerster hadden wel in-zage van het dossier ten laste van A L; aldus behandelen de appelrechters niet alle partijen op dezelfde wijze, wordt de eiser in een procesrechtelijk minderwaardige positie geplaatst en creëren de appelrechters een schijn van gebrek aan objectivi-teit; de eiser is het slachtoffer van vooringenomenheid van de verbalisanten en de appelrechters omwille van zijn afkomst en uiterlijk.

4. De artikelen 47 en 48 Handvest Grondrechten hebben slechts rechtstreekse werking wanneer het geschil verband houdt met de uitvoering van het recht van de Europese Unie, wat hier niet het geval is.

In zoverre het middel schending van die bepalingen aanvoert, faalt het naar recht.

5. In zoverre het middel kritiek heeft op de houding van de verbalisanten, is het niet gericht tegen de bestreden beslissingen, mitsdien niet ontvankelijk.

6. De rechter in strafzaken oordeelt onaantastbaar in feite over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van een door een partij gedaan verzoek tot het laten voegen bij het dossier van een ander strafdossier, maar hij heeft geen rechtsmacht om het openbaar ministerie te bevelen een ander strafdossier bij de bij hem aan-hangige strafzaak te voegen. De rechter vermag bij zijn oordeel de rechten van de beklaagde af te wegen tegen andere strijdige belangen.

De enkele omstandigheid dat de rechter een dergelijk verzoek weigert omdat hij dit voor zijn oordeelsvorming niet noodzakelijk acht, levert geen miskenning van het recht van verdediging op.

De vraag of een partij toegang moet kunnen hebben tot stukken die een andere partij in zijn bezit heeft of eventueel zou kunnen krijgen, maar aan de rechter niet worden voorgelegd en in het proces niet worden gebruikt, is vreemd aan de pro-cessuele gelijkheid voor de rechter die uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvordering. Die gelijkheid tussen de partijen houdt enkel in dat elke partij in het proces voor de rechter die kennisneemt van de zaak, dezelfde processuele middelen kan aanwenden en op gelijke wijze kennis moet kunnen nemen van de stukken en gegevens die aan het oordeel van de rechter worden voorgelegd.

In zoverre faalt het middel naar recht.

7. De appelrechters stellen aan de hand van de in het strafdossier aanwezige stukken vast en oordelen dat:

- een uit handen gegeven minderjarige, zoals de eiser, niet langer door de correc-tionele rechtbank wordt berecht, maar door de bijzondere kamer van de jeugd-rechtbank;

- deze regeling een gezamenlijke behandeling van de zaken lastens de eiser en de meerderjarige A L uitsluit;

- het aan het openbaar ministerie dat geacht wordt loyaal mee te werken aan de procesvoering, staat te beslissen of bepaalde stukken gevoegd worden aan het dossier van de rechtspleging;

- ook andere minderjarigen in het strafonderzoek betrokken zijn;

- het openbaar ministerie, teneinde de eiser ter wille te zijn, een kopie gevoegd heeft van de verhoren van A L van 14 december 2012 en 15 januari 2013, waarover de eiser aldus tegenspraak kon voeren, en bijkomend onderzoek deed in verband met het gsm-gebruik op de dag van de feiten, gegevens die zich zelfs reeds in het dossier bevonden;

- gelet op de andere, objectieve bewijselementen in het dossier de voeging van het dossier lastens A L niet dienstig is voor het achterhalen van de waarheid.

Aldus oordelen de appelrechters dat de door de eiser gevraagde voeging van het dossier ten laste van A L niet mogelijk is gelet op de noodzaak de strijdige belan-gen van anderen, te weten andere betrokken minderjarigen, te beschermen. Zij oordelen verder dat die voeging niet nuttig of nodig is aangezien het strafdossier waaraan de verhoren van A L werden gevoegd, voldoende gegevens bevat voor de waarheidsvinding. Door op die gronden niet in te gaan op eisers verzoek, mis-kennen de appelrechters eisers recht van verdediging niet en geven zij geen blijk van enige vooringenomenheid.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, de artikelen 47 en 48 Handvest Grondrechten en de artikelen 37, d, en 40 Kinder-rechtenverdrag: bij tussenarrest van 15 mei 2013 hebben de appelrechters gewei-gerd eisers verzoek tot het horen van zeven getuigen in te willigen en hebben zij de confrontatie bevolen tussen de eiser en A L, evenals de identificatie en het ver-hoor van S M; in tegenstelling tot de eiser weigerde A L dergelijke confrontatie; niettegenstaande die weigering laten de appelrechters na het verhoor als getuige van A L of een confrontatie ter rechtszitting te bevelen; de eiser werd ook het recht ontnomen een vraag te stellen aan de gerechtsdeskundige omtrent het DNA-onderzoek; aldus werd eisers recht op een eerlijk proces en zijn recht van verdedi-ging miskend; hij werd aanhoudend als schuldig beschouwd, in strijd met onder meer artikel 40.2.b).i Kinderrechtenverdrag.

9. De artikelen 47 en 48 Handvest Grondrechten hebben slechts rechtstreekse werking wanneer het geschil verband houdt met de uitvoering van het recht van de Europese Unie, wat hier niet het geval is.

In zoverre het middel schending van die bepalingen aanvoert, faalt het naar recht.

10. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser aanhoudend als schuldig werd beschouwd, in strijd met onder meer artikel 40.2.b).i Kinderrechtenverdrag, zon-der te preciseren waaruit zulks zou blijken, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

11. Artikel 6.3.d EVRM erkent in het bijzonder aan de beklaagde het recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging à décharge te doen geschieden in dezelfde voorwaarden als het ge-val is met de getuigen à charge.

De rechter beoordeelt evenwel onaantastbaar de noodzakelijkheid, de raadzaam-heid en de gepastheid van een bijkomende onderzoeksmaatregel.

Zo de beklaagde geen onbeperkt recht heeft getuigen voor het gerecht op te roe-pen, moet de rechter antwoorden op zijn verzoek een getuige te horen en nagaan of dit verhoor noodzakelijk is voor het achterhalen van de waarheid.

12. De eiser heeft in beroepsconclusies de appelrechters onder meer verzocht S S, O A, de gerechtsdeskundige D D, en de verbalisanten G P, L V C en A E als getuige te horen.

Met de redenen die het tussenarrest van 15 mei 2013 (negende tot elfde blad) be-vat, oordelen de appelrechters dat "deze (her)verhoren in generlei wijze kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding".

Aldus verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht zonder misken-ning van eisers recht op een eerlijk proces of zijn recht van verdediging.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

13. De appelrechters stellen in het eindarrest van 30 oktober 2013 onaantastbaar vast dat:

- uit het proces-verbaal van verhoor van A L van 15 januari 2013 dat door het openbaar ministerie aan het dossier werd toegevoegd, blijkt dat hij zijn be-trokkenheid aan de feiten, ten laste gelegd aan de eiser, toegeeft;

- A L die de eiser niet expliciet bij naam vermeldt, bevestigend knikt wanneer hem een foto wordt voorgelegd van de eiser en hemzelf, genomen door de bewakingscamera's in het station te Wetteren;

- uit de door het openbaar ministerie gevoegde stukken blijkt dat de geplande confrontaties tussen de eiser en A L telkens niet konden doorgaan ingevolge de weigering van deze laatste.

De appelrechters oordelen vervolgens dat de confrontatie waarop de eiser aan-dringt, onmogelijk kan doorgaan door de onwil van A L. Aldus verantwoorden zij hun beslissing naar recht zonder eisers recht op een eerlijk proces of zijn recht van verdediging te miskennen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

14. Het middel voert schending aan van artikel 14 EVRM en artikel 191 Grondwet: de eiser heeft bij de behandeling van de zaak niet de door artikel 191 Grondwet gewaarborgde bescherming genoten, verleend aan personen en goe-deren; hij is het slachtoffer van vooringenomenheid van de verbalisanten en de appelrechters omwille van zijn afkomst en uiterlijk.

15. Het middel preciseert niet waaruit de vooringenomenheid vanwege de ver-balisanten en de appelrechters omwille van eisers afkomst en uiterlijk of een ge-brek aan bescherming als vreemdeling in de zin van artikel 191 Grondwet bij de behandeling van de zaak zou blijken.

Het middel is bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

Omvang van de cassatie

16. De appelrechters spreken één enkele straf uit voor alle tegen de eiser bewe-zen verklaarde feiten. De vernietiging van de schuldigverklaring van de eiser aan de telastleggingen A en B heeft aldus de vernietiging tot gevolg van de straf voor het geheel van de telastleggingen.

17. De hierna uit te spreken vernietiging van de beslissing op de strafvordering voor de telastleggingen A en B tegen de eiser brengt tevens de vernietiging mee van de beslissing op de tegen de eisers ingestelde burgerlijke rechtsvordering die erop gegrond is, ook al is het cassatieberoep tegen de niet-definitieve beslissing over de omvang van de schade thans niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

18. De vermelde tegenstrijdigheid van de motivering heeft geen betrekking op de schuldigverklaring van de eiser aan het feit van de telastlegging C

19. Wat de schuldigverklaring aan de telastlegging C betreft, zijn de substanti-ele of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het:

- de eiser schuldig verklaart aan de telastleggingen A en B en hem tot straf, een bijdrage aan het Slachtofferfonds en de kosten veroordeelt wegens alle ver-mengde telastleggingen;

- de eiseres hoofdelijk met de eiser veroordeelt tot "de kosten en schadevergoe-ding en als onderhoudsplichtige, overeenkomstig de artikelen 1 tot en met 5 van het Besluit van de Vlaamse Executieve d.d. 22 mei 1991 houdende vaststelling van de regels betreffende de bijdrage in de onderhouds-, opvoedings- en behandelingskosten van de jongeren en de bestemming van het loon toegekend aan de minderjarigen";

- uitspraak doet over de burgerrechterlijke rechtsvordering van de verweerster tegen de eisers.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de eisers tot de helft van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, jeugdka-mer.

Bepaalt de kosten in het geheel op 314,11 euro waarvan de eiser I 178,50 euro verschuldigd is en de eiseres II 135,61 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 1 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzit-ter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Voeging van een ander strafdossier

  • Beoordeling door de rechter

  • Wijze

  • Rechtsmacht