- Arrest van 4 april 2014

04/04/2014 - C.11.0521.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een Staat die een internationaal verdrag ondertekent zoals het Akkoord van 10 september 1965 tussen de Democratische Republiek Congo en het Koninkrijk België betreffende het luchtverkeer, moet dat internationaal verdrag te goeder trouw uitvoeren (1). (1) Zie gedeelt. gelijkl. concl. OM. in Pas. 2014, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0521.F

F. H.-E., advocaat bij de balie te Brussel, in haar hoedanigheid van curator van het faillissement van Air Zaïre, vennootschap naar publiek recht,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Staatssecretaris voor Mo-biliteit,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. BELGOCONTROL,

3. THE BRUSSELS AIRPORT COMPANY.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 20 december 2010 van het hof van beroep te Bergen, dat uitspraak doet op verwijzing ten gevolge van het arrest van het Hof van 28 september 2007.

Op 17 maart 2014 heeft procureur-generaal Jean-François Leclercq een conclusie neergelegd ter griffie.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht en eerste advocaat-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert de volgende twee middelen aan.

(...)

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- algemeen rechtsbeginsel dat de bekendmaking van de verdragen, wetten en verordeningen oplegt, zoals dat rechtsbeginsel kan worden afgeleid uit de artikelen 167, § 2, en 190 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, uit de artikelen 68 en 129 van de Grondwet van 7 februari 1831, uit de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en in werking treden van wetten en verordeningen, uit de artikelen 22, 54 tot 56 en 84 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, uit de artikelen 46 tot 48 en 53 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap en uit de artikelen 8, 32 tot 33, 39, 45 tot 46, 52, 69, 70bis en 73 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse in-stellingen, en, voor zover nodig, schending van die bepalingen;

- de artikelen 68 (zoals het was gesteld vóór de herziening ervan op 5 mei 1993), 128 en 129 van de Grondwet van 7 februari 1831;

- de artikelen 149, 167, 190 en 191 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994;

- Akkoord van 10 september 1965 tussen de Democratische Republiek Congo en het Koninkrijk België betreffende het luchtverkeer, goedgekeurd bij de wet van 14 april 1965 betreffende de internationale akkoorden die voorzien in een vreedzame beslechting van internationale geschillen, inzonderheid de artikelen II, III, V en VI van dat akkoord en, voor zover nodig, de wet tot goedkeuring van dat akkoord;

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verklaart het incidenteel beroep van de eiseres ongegrond en beveelt, alvorens verder uitspraak te doen over het hoofdberoep van de verweerders en onverminderd de beslissende redenen van dat arrest, de heropening van het debat over de in de redenen van dat arrest vermelde vragen, die alle betrekking hebben op de omvang van de schade.

Het incidenteel beroep van de eiseres wordt inzonderheid verworpen om de volgende redenen:

"De aanvaarding, door de [verweerders], van de aanwijzing van Scibe Airlift door de Zaïrese Staat

[De eiseres] verwijt de [verweerders] dat zij een fout hebben begaan door de beslissing goed te keuren van de Zaïrese minister voor Transport, die op 5 juli 1995 tijdelijk de vennootschap Scibe Airlift heeft aangewezen als exploitatie-instrument van de verkeersrechten die voortvloeien uit het Belgisch-Zaïrees akkoord van 10 september 1965.

[De eiseres] voert aan dat, enerzijds, die beslissing onwettig zou zijn omdat ze niet voldoet aan de formele motiveringsplicht en omdat ze steunt op een niet-bekendgemaakt verdrag dat haar niet kan worden tegengeworpen en dat, anderzijds, de [verweerders] niet zouden hebben gehandeld zoals elke redelijkerwijs bedachtzame en omzichtige overheid.

De aanwijzing, door een van de Staten die partij zijn bij een luchtvaartakkoord dat is gesloten op grond van het Verdrag van Chicago van 7 december 1944 inzake de internationale burgerluchtvaart, is een bevoegdheid die de voormelde Staat uitoefent in het kader van haar openbare macht en die, onder bepaalde voorwaarden, door de andere Staat moet worden geëerbiedigd.

Aangenomen wordt dat het onaantastbare karakter van de aanwijzing van de luchtvaartmaatschappij door twee factoren kan worden beperkt:

- ten eerste kan de Staat in zijn wetgeving de voorwaarden voor de aanwijzing van de luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen hebben bepaald;

- ten tweede is het mogelijk dat de medeondertekenende Staat de aangewezen luchtvaartmaatschappij niet aanvaardt omdat zij niet beantwoordt aan bepaalde voorwaarden van, bijvoorbeeld, toezicht en beheer door onderdanen van het land die de luchtvaartmaatschappij aanwijst of omdat zij de regels van het akkoord of van internationale verdragen niet naleeft.

Onder dit voorbehoud is het onbetwist dat de aanwijzing van een of meerdere lucht-vaartmaatschappijen door een Staat, een soevereine beslissing is ten aanzien van de andere Staat.

Te dezen vielen zowel de beslissing waarbij destijds de vennootschap Air Zaïre werd aangewezen als exploitatie-instrument van de verkeersrechten die voortvloeiden uit het Belgisch-Zaïrees akkoord van 10 september 1965 als die waarbij vervolgens de vennootschap Scibe Airlift werd aangewezen, onder de soevereine bevoegdheid van de Republiek Zaïre.

Welnu, [de eiseres] betoogt noch bewijst dat de beslissing van die Staat om de vennootschap Air Zaïre te vervangen door de vennootschap Scibe Airlift als exploitatie-instrument van de verkeersrechten die voortvloeiden uit het akkoord van 1965 onwettig - waarbij een dergelijke onwettigheid moet worden beoordeeld in het licht van het op die beslissing toepasselijke recht, te dezen het Zaïrese recht - of onrechtmatig zou zijn. [De eiseres] heeft die Staat overigens nooit aansprakelijk gesteld voor het nemen van een dergelijke beslissing.

Die beslissing moest door de Belgische Staat worden geëerbiedigd, aangezien deze de aangewezen vennootschap de exploitatievergunning enkel had kunnen weigeren indien ze niet voldeed aan de voorwaarden van artikel III, 3 en 4, van het verdrag van 1965. De weigering van een dergelijke exploitatievergunning past binnen het kader van een gebonden, en niet van een discretionaire, bevoegdheid.

Evenwel wordt noch aangevoerd noch aangetoond dat de vennootschap Scibe Airlift die voorwaarden niet zou hebben vervuld.

[De eiseres] voert tevergeefs aan dat de Belgische Staat haar de rechten die zij meent te hebben verkregen, zou hebben ontnomen en dat hij dat niet kon doen op grond van een niet-bekendgemaakt verdrag, dat haar derhalve niet kan worden tegengeworpen.

Zoals hierboven is gezegd, is de Belgische Staat immers niet degene die haar de rechten heeft ontnomen en heeft hij, door die aanwijzing te aanvaarden, gewoon voldaan aan de verplichtingen die hij krachtens het verdrag van 1965 moet eerbiedigen en die hij niet naast zich kan neerleggen. Een Staat die een internationaal verdrag ondertekent, moet dat verdrag te goeder trouw uitvoeren en kan bijgevolg niet worden verweten dat hij een fout heeft begaan wanneer hij die verplichtingen nakomt.

[De eiseres] beweert tevergeefs dat de Belgische Staat zich tegen die aanwijzing had kunnen verzetten en betoogt dienaangaande dat de Belgische Staat geweigerd had de beslissing van de Zaïrese Staat om de litigieuze rechten in april 1996 opnieuw aan de "maatschappij Air Zaïre" toe te kennen, te erkennen.

Uit de brief van de Zaïrese minister van Transport en Communicatie van 9 april 1996, waarin hij de ontvangst van de brief van zijn Belgische ambtsgenoot bevestigt en die weigering vaststelt - het enige stuk dat in dat verband is voorgelegd - volgt immers dat die weigering is ingegeven door "het geschil tussen de maatschappij Air Zaïre en sommige leden van haar Brussels personeel".

Uit die brief blijkt ook dat de Zaïrese Staat weigerde de faillietverklaring, door een Belgische rechter, van de maatschappij Air Zaïre te erkennen, waarbij die Staat zich erover verwonderde dat "een nationale maatschappij vanaf een filiaal failliet kan worden verklaard".

Er dient opgemerkt dat het hof van beroep te Brussel, in het kader van de procedure van faillietverklaring, geoordeeld heeft dat het karakter van bijkantoor, zoals door de maatschappij Air Zaïre aangevoerd, fictief was, dat die maatschappij immers van haar pseudo-statuut van vennootschap naar openbaar Zaïrees recht gebruikmaakte om zich aan haar verplichtingen te onttrekken en de Belgische regels van het faillissement, die van openbare orde zijn, te trachten te omzeilen, waarbij de maatschappelijke zetel van die maatschappij, die zogezegd in Kinshasa was gevestigd, in werkelijkheid te Brussel gelegen was.

Bijgevolg was de maatschappij waaraan de Zaïrese Staat in april 1996 opnieuw de litigieuze rechten wou toekennen, voor België een failliete maatschappij die haar activiteiten had stopgezet en dus niet meer voldeed aan de in de in het verdrag van 1965 bepaalde voorwaarden tot toekenning van de exploitatievergunning, wat die weigering dan ook kon verantwoorden. De situaties zijn dus niet vergelijkbaar.

Gesteld, ten slotte, dat de door de Zaïrese Staat opgemaakte akte van aanvaarding van de aanwijzing moet voldoen aan de formele motiveringsplicht van de administratieve akten, moet vooralsnog worden aangenomen dat het vormgebrek, dat zou voortvloeien uit een eventueel gebrek aan motivering, geen gevolgen zou hebben, aangezien op grond van de voormelde gegevens kan worden aangetoond dat de beslissing, zonder dat vormgebrek, dezelfde was geweest en dat de schade die de curatele aanvoert, namelijk de ontzegging van het recht tot exploitatie van het Belgisch-Zaïrese luchtverkeer, niet voortvloeit uit dat vormgebrek maar uit de beslissing van de Zaïrese Staat om een andere vennootschap aan te wijzen voor de exploitatie van die rechten.

Uit het voorgaande volgt dat de [verweerders], bij het aanvaarden van de aanwijzing, door de Zaïrese Staat, geen enkele fout kan worden verweten die in een oorzakelijk verband zou staan met de door [de eiseres] aangevoerde schade.

De schade en het oorzakelijk verband

[De eiseres] kan derhalve alleen vergoeding vorderen voor de schade die zij werkelijk aantoont en die in een oorzakelijk verband zou staan met de fout die de [verweerders] zouden hebben begaan toen zij hun toestemming gaven voor de vlucht van 4 juli 1995.

Zoals hierboven reeds is gezegd, is de ontzegging van het recht tot exploitatie van het Belgisch-Zaïrese luchtverkeer slechts het gevolg van de beslissing van de Zaïrese Staat om een andere maatschappij aan te wijzen voor de exploitatie van die rechten.

Er bestaat dus geen enkel oorzakelijk verband tussen die schade en de fout.

Hetzelfde geldt voor de onmogelijkheid om de slots en de handelszaak over te dragen. Dat verlies is zelf ook het gevolg van de aanwijzing van een andere maatschappij voor de uitoefening van de rechten tot exploitatie van het Belgisch-Zaïrese luchtverkeer".

Grieven

(...)

Tweede onderdeel

1. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel dat de bekendmaking van de verdragen, wetten en verordeningen oplegt, moet elk internationaal verdrag worden bekendgemaakt. Dat algemeen rechtsbeginsel kan worden afgeleid uit de artikelen 167, § 2, en 190 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, uit de artikelen 68 en 129 van de Grondwet van 7 februari 1831, uit de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, uit de artikelen 22, 54 tot 56 en 84 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der in-stellingen, uit de artikelen 46 tot 48 en 53 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap en uit de artikelen 8, 32 tot 33, 39, 45 tot 46, 52, 69, 70bis en 73 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen.

Het akkoord van 10 september 1965 moest bijgevolg worden bekendgemaakt.

2. Subsidiair bepaalt artikel 190 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 dat geen wet, geen besluit of verordening verbindend is dan na te zijn bekendgemaakt in de vorm bij de wet bepaald.

Wanneer het voormelde artikel 190 wordt uitgelegd in het licht van artikel 167 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, legt het voortaan de bekendmaking van alle verdragen op.

Zonder specifieke overgangsbepaling is artikel 190 van de gecoördineerde Grondwet onmiddellijk van toepassing op de toekomstige gevolgen van toestanden die zijn ontstaan vóór de inwerkingtreding ervan op 27 februari 1994.

Artikel 190 van de gecoördineerde Grondwet legde bijgevolg de bekendmaking van het akkoord van 10 september 1965 op, aangezien het erom ging de gevolgen ervan met ingang van 27 februari 1994 te beoordelen.

3. Nog meer subsidiair bepaalde artikel 68, tweede lid, van de Grondwet van 7 februari 1831, vóór de wijziging ervan door de herziening van 5 mei 1993, dat de handelsverdragen en de verdragen die de Staat zouden kunnen bezwaren of Belgen persoonlijk zouden kunnen binden, eerst gevolg hebben nadat zij de instemming van de Kamers hebben verkregen.

Artikel 129 van de Grondwet van 7 februari 1831 bepaalde dat geen wet, geen besluit of verordening van algemeen, provinciaal of gemeentelijk bestuur verbindend is dan na te zijn bekendgemaakt in de vorm bij de wet bepaald.

Uit de samenhang tussen die bepalingen volgt dat elk verdrag dat door de kamers is goedgekeurd, moet worden bekendgemaakt. Aangezien het akkoord van 10 september 1965 reeds vooraf was goedgekeurd door de wet van 14 april 1965 betreffende de internationale akkoorden die voorzien in een vreedzame beslechting van internationale geschillen, moest het dus worden bekendgemaakt.

4. Nog meer subsidiair legde het voormelde artikel 129 de bekendmaking op van de verdragen die door het voormelde artikel 68, tweede lid, ter goedkeuring aan de kamers waren voorgelegd.

Onder een verdrag dat "Belgen persoonlijk zouden kunnen binden" in de zin van het voormelde artikel 68, tweede lid, moet elk verdrag worden verstaan dat aan de zijde van de Belgen rechten en verplichtingen doet ontstaan, dat wil zeggen elk verdrag dat ten aanzien van de Belgen rechtstreekse werking in de interne rechtsorde heeft. Wat dat betreft worden de vreemdelingen met de Belgen gelijkgesteld krachtens de artikelen 128 van de Grondwet van 7 februari 1831 en 191 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994.

Het akkoord van 10 september 1965 heeft wel degelijk rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, aangezien het in duidelijke en onvoorwaardelijke bewoordingen rechten toekent aan de betrokken luchtvaartmaatschappijen. Het kent hen met name de daarin opgesomde bevoegdheden en voorrechten toe (artikel II), het kent hen het recht toe de vereiste vergunning voor de exploitatie van de daarin vermelde luchtvaartdiensten te verkrijgen (artikel III), het stelt hen vrij van verschillende rechten en belastingen (artikel V) en het waarborgt hen een eerlijke en billijke behandeling (artikel VI).

Het akkoord van 10 september 1965 moest dus wel degelijk worden be-kendgemaakt.

5. Artikel 8 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, bepaalt dat, wanneer er aanleiding is tot bekendmaking van een verdrag waarbij België partij is, dat verdrag in een oorspronkelijke tekst in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt met de Nederlandse of de Franse ver-taling.

6. Uit het geheel van de voormelde bepalingen volgt dat de sanctie voor de niet-bekendmaking van een verdrag in het Belgisch Staatsblad hierin bestaat dat het verdrag niet aan de burgers kan worden tegengeworpen, dat wil zeggen aan de personen die geen deel van de openbare macht uitoefenen. De burgers kunnen zich echter beroepen op een niet-bekendgemaakt verdrag om er rechten aan te ontlenen.

Wanneer, bijgevolg, een verdrag door de kamers regelmatig is goedgekeurd en derhalve bindende kracht heeft in de interne rechtsorde, kan de administratie het voordeel ervan rechtsgeldig aan particulieren toekennen. Indien de administratie dat aldus heeft toegepast, kan ze de belanghebbenden echter niet meer de rechten ontzeggen die ze hen heeft toegekend.

7. Het bestreden arrest stelt vast dat de vennootschap Air Zaïre, die in de huidige procedure wordt vertegenwoordigd door de eiseres, door de Republiek Zaïre is aangewezen overeenkomstig artikel III van het Akkoord van 10 september 1965. De eiseres en de maatschappij die door de Belgische Staat was aangewezen op grond van dezelfde bepaling, genoten dus samen het exclusieve recht de vliegroute Brussel-Kinshasa te exploiteren.

Het bestreden arrest stelt ook vast dat de Zaïrese minister voor Transport dat exclusieve recht op 5 juli 1995 aan de eiseres heeft ontnomen, aangezien hij de vennootschap Scibe Airlift in de plaats van de eiseres heeft aangewezen en dat de Belgische Staat die beslissing op 11 juli 1995 heeft goedgekeurd.

Het bestreden arrest beslist echter dat die beslissing van de Belgische Staat niet als onrechtmatig kan worden beschouwd, omdat laatstgenoemde enkel voldeed aan de hem door het akkoord van 1965 opgelegde verplichting. Het beslist immers dat "de Belgische Staat niet degene is die haar de rechten heeft ontnomen en, door die aanwijzing te aanvaarden, gewoon heeft voldaan aan de verplichtingen die hij krachtens het verdrag van 1965 moet eerbiedigen en die hij niet naast zich kan neerleggen. Een Staat die een internationaal verdrag ondertekent, moet dat verdrag te goeder trouw uitvoeren en kan bijgevolg niet worden verweten dat hij een fout heeft begaan wanneer hij die verplichtingen nakomt".

Het bestreden arrest werpt tegen de eiseres zodoende een niet-bekendgemaakt verdrag op dat bekendgemaakt had moeten worden (schending van alle, in de punten 1 tot 6 bedoelde bepalingen).

8. Het bestreden arrest beslist daarenboven dat, gesteld dat de beslissing van de Belgische Staat om de aanwijzing van Scibe Airlift in de plaats van de eiseres te aanvaarden regelmatig gemotiveerd zou zijn naar de vorm, die beslissing wat de grond betreft niettemin dezelfde zou zijn geweest, aangezien "de schade die de curatele aanvoert, namelijk de ontzegging van het recht tot exploitatie van het Belgisch-Zaïrese luchtverkeer, niet voortvloeit uit dat vormgebrek maar uit de beslissing van de Zaïrese Staat om een andere vennootschap aan te wijzen voor de exploitatie van die rechten" en "hetzelfde geldt voor de onmogelijkheid om de slots en de handelszaak over te dragen; dat verlies is zelf ook het gevolg van de aanwijzing van een andere maatschappij voor de uitoefening van de rechten tot exploitatie van het Belgisch-Zaïrese luchtverkeer".

Bij de beoordeling van de toestand die zonder de fout zou zijn ontstaan en, derhalve, van het bestaan van een oorzakelijk verband tussen die fout en de aangevoerde schade, overweegt het bestreden arrest dat de Belgische Staat de aanwijzing van Scibe Airlift noodzakelijkerwijs zou hebben moeten goedkeuren overeenkomstig de haar bij het akkoord van 10 september 1965 opgelegde verplichtingen.

Het bestreden arrest werpt de eiseres zodoende alweer onwettig een niet-bekendgemaakt verdrag tegen dat bekendgemaakt had moeten worden (schending van alle, in de punten 1 tot 6 bedoelde bepalingen).

Het arrest beoordeelt daarenboven het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de aan de verweerders verweten fout en de door de eiseres aangevoerde schade door de concrete toestand die bij hem aanhangig is gemaakt, te vergelijken met een andere, onwettige toestand, te weten het geval waarin een niet-gepubliceerd verdrag, dat gepubliceerd had moeten worden, aan de eiseres wordt tegengeworpen, en miskent zodoende het wettelijk begrip oorzakelijk verband. Hoewel de rechter, bij de beoordeling van het oorzakelijk verband, geen rekening hoeft te houden met de fout zelf, moet die alternatieve toestand immers geoorloofd zijn (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede middel

(...)

Tweede onderdeel

Uit het bestreden arrest blijkt dat "l'entreprise publique à caractère commercial Air Zaïre", krachtens artikel III van het Akkoord van 10 september 1965 tussen de Democratische Republiek Congo en het Koninkrijk België betreffende het luchtverkeer, door de Republiek Zaïre is aangewezen als exploitatie-instrument van de verkeersrechten die uit dat akkoord voortvloeien; dat de Zaïrese minister voor Transport, ten gevolge van de faillietverklaring van dat overheidsbedrijf, op 5 juli 1995 tijdelijk de vennootschap Scibe Airlift heeft aangewezen met het oog op de exploitatie van die verkeersrechten; dat die aanwijzing is goedgekeurd door de Belgische minister voor Transport en dat de eiseres de verweerder verwijt dat hij een fout heeft begaan door die aanwijzing goed te keuren "en aldus de bepalingen van het Belgisch-Congolees akkoord van 10 september 1965 heeft geschonden".

Het bestreden arrest beslist dat de beslissing van de Zaïrese Staat om Air Zaïre te vervangen door de vennootschap Scibe Airlift "door de Belgische Staat moest worden geëerbiedigd, aangezien hij de aangewezen vennootschap de exploitatie-vergunning enkel had kunnen weigeren indien ze niet voldeed aan de voorwaarden van artikel III, 3 en 4, van het [akkoord] van 1965", terwijl "noch aangevoerd noch aangetoond wordt dat de vennootschap Scibe Airlift die voorwaarden niet zou hebben vervuld".

Het bestreden arrest, dat oordeelt dat "de Belgische Staat niet degene is die haar de rechten heeft ontnomen en, door [de] aanwijzing [van Scibe Airlift] te aan-vaarden, gewoon heeft voldaan aan de verplichtingen die hij krachtens het [ak-koord] van 1965 moet eerbiedigen en die hij niet naast zich kan neerleggen; dat een Staat die een internationaal verdrag ondertekent, dat verdrag te goeder trouw moet uitvoeren en bijgevolg niet kan worden verweten dat hij een fout heeft begaan wanneer hij die verplichtingen nakomt", en daaruit afleidt dat de eiseres "tevergeefs aanvoert dat de Belgische Staat haar de rechten die zij meent te hebben verkregen, zou hebben ontnomen en dat hij dat niet kon doen op grond van een niet-bekendgemaakt verdrag, dat haar derhalve niet kan worden tegengeworpen", werpt tegen de vordering die bij het hof van beroep aanhangig was gemaakt, enkel de grenzen op die artikel III van het akkoord van 10 september 1965 stelt aan het recht dat de eiseres, tot staving van die vordering, aan die bepaling zelf meende te kunnen ontlenen.

Het schendt bijgevolg geen van de in dat onderdeel bedoelde wettelijke bepa-lingen.

Aangezien het bestreden arrest naar recht uitsluit dat de verweerder een fout heeft begaan door de beslissing van de Zaïrese Staat goed te keuren, zijn de overwegin-gen van het arrest betreffende het mogelijke oorzakelijk verband tussen die fout en de aangevoerde schade overtollig.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout en Sabine Geubel, en in openbare terecht-zitting van 4 april 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwe-zigheid van eerste advocaat-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verdragen

  • Uitwerking

  • Luchtvaart

  • Luchtvervoer