- Arrest van 8 april 2014

08/04/2014 - P.13.1610.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Er is sprake van vluchtmisdrijf indien de bestuurder zich niet als bestuurder van het voertuig dat oorzaak dan wel aanleiding was van een ongeval op een openbare plaats kenbaar maakt om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken ongeacht of hij ter plaatse blijft; het loutere feit dat de betrokkene zich als bestuurder van het voertuig kenbaar maakt, houdt geen zelfincriminatie in (1). (1) Zie Cass. 13 februari 2001, Verkeersrecht, 2001, 207

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1610.N

T R M V,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Freddy Mols, advocaat bij de balie te Turnhout.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Turnhout van 5 september 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14.3.g. IVBPR en artikel 33 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis acht het vluchtmisdrijf bewe-zen omdat de eiser doelbewust niet gezegd heeft dat hij en niet zijn vriendin reed, terwijl de eiser ter plaatse is gebleven, hij niet kan verplicht worden zichzelf te in-crimineren en hij gelet op het zwijgrecht geen spontane bekentenis moet afleggen.

2. Het middel verzoekt het Hof om aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:

"Schendt artikel 33 [Wegverkeerswet], in de interpretatie dat het ter plaatse blijven om dienstige vaststellingen toe te laten een persoon die ter plaatse blijft na bij een ongeval betrokken te zijn geweest de verplichting zou opleggen om tegen zichzelf te getuigen of om een bekentenis af te leggen, in de zin dat van hem of haar verwacht zou worden zich spontaan als bestuurder te melden, [de artikelen 10 en 11] Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 EVRM, aangezien voor andere misdrijven een dergelijke verplichting tot bekentenis niet bestaat?"

3. Krachtens artikel 33, § 1, 1°, Wegverkeerswet is strafbaar, elke bestuurder van een voertuig of van een dier die, wetend dat dit voertuig of dit dier oorzaak van, dan wel aanleiding tot een ongeval op een openbare plaats is geweest, de vlucht neemt om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken, zelfs wanneer het ongeval niet aan zijn schuld te wijten is.

4. Er is sprake van vluchtmisdrijf indien de bestuurder zich niet als bestuurder van het voertuig dat oorzaak dan wel aanleiding was van een ongeval op een openbare plaats kenbaar maakt om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrek-ken, ongeacht of hij ter plaatse blijft.

Het loutere feit dat de betrokkene zich als bestuurder van het voertuig kenbaar maakt, houdt geen zelfincriminatie in.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

De prejudiciële vraag die uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, wordt niet ge-steld.

Ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 2 Strafwetboek;

- artikel 1 van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten, als gewijzigd bij artikel 1, 2°, van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen (II).

5. De wetsbepaling waarbij de geldboeten met 50 deciemen worden verhoogd is in werking getreden op 1 januari 2012.

De bij wet bepaalde verhoging is niet toepasselijk op de geldboeten die zijn uitge-sproken wegens vóór de inwerkingtreding van die wet gepleegde misdrijven.

6. Het bestreden vonnis stelt vast dat het ten laste van de eiser bewezen ver-klaarde misdrijf is gepleegd op 24 september 2011 en verhoogt de geldboete met 50 deciemen.

Het bestreden vonnis schendt aldus de vermelde wetsbepalingen.

7. De onwettigheid van de toegepaste verhoging met 50 deciemen, tast de re-gelmatigheid van de schuldigverklaring en geldboete niet aan.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis, in zoverre het de ten laste van de eiser uitgespro-ken geldboete verhoogt met meer dan 45 deciemen.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser tot vier vijfden van de kosten.

Laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.

Bepaalt de kosten op 71,01 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelings¬voorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 8 april 2014 uitgesproken door afde-lingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

A. Lievens F. Van Volsem

K. Mestdagh L. Van hoogenbemt P. Maffei

De griffier stelt vast dat afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt in de onmoge-lijkheid verkeert in de zin van artikel 785 Ger. W. om dit arrest te ondertekenen.

Vrije woorden

  • Vluchtmisdrijf

  • Zwijgrecht

  • Recht om niet mee te werken aan de eigen beschuldiging