- Arrest van 22 april 2014

22/04/2014 - P.14.0410.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Geen enkele verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling verplichten België in alle gevallen de uitlevering te weigeren van een persoon die het land dat zijn uitlevering vraagt, is ontvlucht en die in een ander land een verzoek tot erkenning als vluchteling heeft ingediend.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0410.N

A E,

persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd,

eiser,

met als raadsman mr. Raf Jespers, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Broederminstraat 38, waar de eiser woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 februari 2014, op verwijzing ge-wezen ingevolge het arrest van het Hof van 31 december 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest weigert voor verschillende feiten de tenuitvoerlegging van het be-vel tot aanhouding bij verstek met het oog op eisers uitlevering.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de artikelen 10 en 12.2.c van het Europees Verdrag van 13 december 1957 betreffende uitlevering en arti-kel 7 Uitleveringswet 1874.

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat krachtens ar-tikel 102 van de Turkse strafwet nummer 765, de verjaringstermijn 20 jaar be-draagt, zodat de verjaring van de strafvordering niet is ingetreden naar Turks recht; die bepaling betreft echter de verjaring van de strafuitvoering en niet van de strafvervolging waar het hier over gaat.

4. Het arrest stelt niet vast dat de vermelde bepaling betrekking heeft op de ver-jaring van de strafuitvoering.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede en derde onderdeel

5. Het tweede onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de verjaringstermijn van 20 jaar, bepaald in artikel 102 van de Turkse strafwet nummer 765, en andere door de Turkse over-heid verstrekte inlichtingen waarbij gesteld werd dat de feiten naar Turks recht verjaren op 3 december 2027, hetzij na 30 jaar; het arrest bevat een tegenstrijdig-heid waar het voor dezelfde feiten verschillende verjaringstermijnen in aanmerking neemt en miskent zodoende de motiveringsplicht.

6. Het derde onderdeel voert aan dat het arrest eisers opmerkingen negeert, vol-gens welke in het dossier geen wetsartikel of bewijskrachtig stuk aanwezig is om het bestaan van de verjaringstermijn van 30 jaar te ondersteunen; het arrest onder-zoekt die verjaringstermijn niet.

7. Het arrest beveelt de tenuitvoerlegging van het bevel tot aanhouding bij ver-stek met het oog op eisers uitlevering voor feiten van mededaderschap aan moord tussen 31 december 1996 en 1 januari 1998. Rekening houdend met de voor de ei-ser meest gunstige verjaringstermijn van 20 jaar, treedt de verjaring van de straf-vordering naar Turks recht ten vroegste in op 1 januari 2017. Bijgevolg was die verjaring alleszins niet ingetreden op het ogenblik van het arrest.

De onderdelen die niet kunnen leiden tot cassatie, zijn niet ontvankelijk.

Tweede middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM, de artikelen 1.A.2, 31.1 en 33 van het Internationaal Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de Status van Vluchteling (hierna: Vluchtelingenverdrag), artikel 48 Vreemdelingenwet, ar-tikel 7, eerste lid, van de richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toeken-ning of intrekking van de vluchtelingenstatus en artikel 21.1 van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 van de Raad inzake minimumnormen voor de er-kenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als per-soon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de ver-leende bescherming.

Alle onderdelen samen

9. Het eerste onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de hoe-danigheid van politiek vluchteling pas verworven is vanaf de daadwerkelijke er-kenning en de betrokkene pas vanaf dan kan genieten van het principe van non-refoulement; een persoon kan zich op het vluchtelingenstatuut beroepen vanaf de datum van zijn aanvraag van dat statuut en niet vanaf de datum van de declaratie-ve erkenning als vluchteling; herhaalde en constante gezaghebbende interpretaties van het principe van non-refoulement bevestigen dat kandidaat-vluchtelingen ge-nieten van de bescherming van dat principe.

10. Het tweede onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat kandidaat-vluchtelingen zich enkel kunnen beroepen op de non-discriminatieclausule; op grond van die reden kan de toepassing van het principe van non-refoulement niet geweigerd worden aan een kandidaat-vluchteling.

11. Het derde onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat het bo-vendien tot de mogelijkheden van de regering behoort om met het oog op de uit-eindelijke beslissing inzake uitlevering, een definitieve beslissing omtrent de er-kenning van politiek vluchteling af te wachten.

12. Krachtens artikel 3 EVRM mag niemand worden onderworpen aan folterin-gen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

13. Artikel 1.A.1 Vluchtelingenverdrag bepaalt welke personen onder meer de hoedanigheid van vluchteling volgens dit verdrag hebben.

Krachtens artikel 31.1 Vluchtelingenverdrag mogen de verdragsluitende Staten geen strafsancties toepassen op de daar bedoelde vluchtelingen op grond van on-rechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf.

Artikel 33.1 van dat verdrag bepaalt dat geen van de verdragsluitende Staten, op welke wijze ook, een vluchteling zal uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.

14. Krachtens artikel 48 Vreemdelingenwet kan als vluchteling worden erkend, de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden die te dien einde gesteld worden door de internationale overeenkomsten die België binden.

15. Artikel 7.1 van de richtlijn 2005/85/EG bepaalt: "Asielzoekers mogen in de lidstaat blijven, louter ten behoeve van de procedure, totdat de beslissingsautoriteit overeenkomstig de in hoofdstuk III uiteengezette procedures in eerste aanleg een beslissing heeft genomen. Dit recht om te blijven houdt niet in dat de betrokkene recht heeft op een verblijfsvergunning."

16. Krachtens artikel 21.1 van de richtlijn 2004/83/EG moeten de lidstaten het beginsel van non-refoulement eerbiedigen met inachtneming van hun internationale verplichtingen. Artikel 21.1 van de richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011, waarvan artikel 40 de richtlijn 2004/83/EG intrekt vanaf 21 december 2013, bevat eenzelfde bepaling.

17. Die bepalingen noch enige andere verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling verplichten België in alle gevallen de uitlevering te weigeren van een persoon die het land dat zijn uitlevering vraagt, is ontvlucht en die in een ander land een ver-zoek tot erkenning als vluchteling heeft ingediend.

De onderdelen die uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen naar recht.

Derde middel

18. Het middel voert schending aan van de artikelen 3, 5 en 6 EVRM en artikel 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874.

Eerste onderdeel

19. Het onderdeel voert aan dat het arrest artikel 2bis, tweede lid, Uitleve-ringswet 1874 niet vermeldt in het beschikkend gedeelte van het arrest, zodat niet blijkt dat op rechtsgeldige wijze met dat artikel rekening is gehouden.

20. Geen enkele wettelijke bepaling vereist dat het arrest dat de tenuitvoerlegging beveelt van een bevel tot aanhouding met het oog op uitlevering, de artikelen vermeldt waarmee het rekening houdt om over die tenuitvoerlegging te oordelen.

Het onderdeel dat uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

21. Het onderdeel voert aan dat het arrest, dat enkel het risico op flagrante rechtsweigering onderzoekt, op geen enkele wijze de door de eiser aangevoerde ernstige risico's op foltering of onmenselijke of onterende behandeling, zoals be-doeld in artikel 3 EVRM, beoordeelt en geen enkele reden bevat voor de af-wijzing van die risico's.

22. Krachtens artikel 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 15 mei 2007, kan geen uitlevering worden toegestaan wanneer ernstige risico's bestaan dat de persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat wordt onderworpen aan een flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling.

23. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 15 mei 2007 blijkt dat het bestaan van ernstige risico's op flagrante rechtsweigering inhoudt dat de uitgeleverde per-soon in de verzoekende Staat met enige graad van waarschijnlijkheid het voor-werp zal uitmaken van de meest ernstige schendingen van de artikelen 5 en 6 EVRM, dit rekening houdend met de evoluerende rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Uit die wetsgeschiedenis blijkt tevens dat fla-grante rechtsweigering als weigeringsgrond voor de uitlevering werd ingevoerd omdat een enkel op artikel 3 EVRM gesteunde weigeringsgrond te beperkt werd bevonden.

24. Het bestaan van ernstige risico's op foltering of onmenselijke of onterende behandeling heeft in de regel het bestaan van ernstige risico's op flagrante rechts-weigering tot gevolg. Het bestaan van ernstige risico's op flagrante rechtsweige-ring kan een invloed hebben op de beoordeling van het bestaan van ernstige risi-co's op onmenselijke of onterende behandeling. Wegens de onderlinge verbon-denheid die aldus tussen de beide weigeringsgronden bestaat, vermag de rechter bij zijn onderzoek naar het ene risico ook een beoordeling van het andere risico te betrekken.

25. Na omstandig de ernstige risico's op flagrante rechtsweigering in Turkije te hebben onderzocht, oordeelt het arrest (ro 3.15) dat de door de eiser aangevoerde gegevens niet in alle ernst doen vrezen dat hij het risico loopt om bij uitlevering aan een flagrante rechtsweigering of foltering of onmenselijke of onterende be-handeling onderworpen te worden. Met het geheel van de redenen die het aldus bevat, beoordeelt het arrest ook het bestaan van ernstig risico's op onmenselijke of onterende behandeling en verantwoordt het de beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

26. Het onderdeel voert aan dat het arrest een verkeerde uitlegging geeft van het begrip flagrante rechtsweigering door te oordelen dat dit begrip gelimiteerd dient toegepast te worden en dat het enkel de meest ernstige miskenningen van het recht op een eerlijk proces behelst; uit het parlementair debat blijkt dat dit begrip moet gehanteerd worden zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dit in de rechtspraak ontwikkelt; niet het begrip flagrante rechtsweigering is beperkt, maar wel de fundamentele rechten die een hindernis kunnen zijn voor de uitlevering.

27. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 15 mei 2007 blijkt dat het bestaan van ernstige risico's op flagrante rechtsweigering inhoudt dat de uitgeleverde per-soon in de verzoekende Staat met enige graad van waarschijnlijkheid het voor-werp zal uitmaken van de meest ernstige schendingen van de artikelen 5 en 6 EVRM, dit rekening houdend met de evoluerende rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Uit die wetsgeschiedenis blijkt tevens dat in de ontwikkeling van het begrip flagrante rechtsweigering door dat Hof, de nadruk wordt gelegd op de noodzaak een drempel van ernst te overschrijden opdat de uit-levering kan worden geweigerd op grond van het risico op miskenning van de hier bedoelde fundamentele rechten.

Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het begrip flagrante rechtsweigering enkel een beperking inhoudt van het aantal fundamentele rechten dat kan miskend worden, maar niet beperkt is tot de meest ernstige schendingen van de artikelen 5 en 6 EVRM, faalt naar recht.

Vierde onderdeel

28. Het onderdeel voert aan dat het arrest uit de algemene en theoretische re-denen die het bevat, niet kan afleiden dat er in Turkije geen ernstige risico's op flagrante rechtsweigering voor de persoon van de eiser bestaan en dat het die risico's niet concreet onderzoekt; het arrest weerlegt niet de door de eiser aangevoerde precieze gegevens waaruit die risico's voor zijn persoon blijken en be-trekt die gegevens niet in zijn beoordeling; ook de redenen die het arrest wel op-geeft om te oordelen dat Turkije voldoet aan de artikelen 5 en 6 EVRM, zijn als dusdanig niet afdoende; het arrest negeert de door de eiser neergelegde mensenrechtenrapporten en houdt op geen enkele wijze rekening met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; bijgevolg is het onderzoek dat het arrest doet niet in overeenstemming met artikel 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874.

29. Het staat aan het onderzoeksgerecht de door artikel 2bis, tweede lid, Uitleve-ringswet 1874 opgelegde algemene weigeringsvoorwaarde van het bestaan van ernstige risico's op flagrante rechtsweigering te onderzoeken en te dien einde, op grond van een onaantastbare beoordeling in feite, na te gaan of er geen ernstige en duidelijke reden is waaruit blijkt dat het onmogelijk is aan die voorwaarde te vol-doen. Het Hof gaat enkel na of dat gerecht uit de feiten die het vaststelt geen ge-volgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.

30. Met de redenen die het bevat, onderzoekt het arrest aan de hand van concrete en relevante omstandigheden of er ernstige en duidelijke redenen zijn waaruit moet worden afgeleid dat Turkije de eiser zal onderwerpen aan flagrante rechts-weigering en oordeelt het dat dit niet het geval is.

Vervolgens beslist het arrest dat de door de eiser aangevoerde gegevens niet in al-le ernst doen vrezen dat hij het risico loopt om bij uitlevering aan een flagrante rechtsweigering of foltering of onmenselijke of onterende behandeling onderwor-pen te worden. Zodoende betrekt het arrest de persoon van de eiser en de door hem aangevoerde gegevens bij het bedoelde onderzoek.

Het arrest dat aldus oordeelt, schendt niet artikel 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874, maar weerlegt eisers verweer en is regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord, zonder dat het nader dient in te gaan op de argumenten die de eiser heeft aangewend ter ondersteuning van zijn verweer, maar die geen zelfstan-dig verweer uitmaken.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

31. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Vierde middel

32. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM, artikel 23 van de richt-lijn 2004/83/EG en de artikelen 10 en 12bis Vreemdelingenwet: met de redenen die het bevat, doet het arrest geen afweging van de proportionaliteit tussen de be-langen van de eiser en zijn gezin, waarvan de leden de vluchtelingenstatus hebben, tegen deze van de Turkse Staat.

33. De artikelen 10 en 12bis Vreemdelingenwet, die betrekking hebben op het verblijf in België van een vreemdeling en zijn eventuele gezinsleden, zijn vreemd aan de beoordeling van een verzoek tot uitlevering van die vreemdeling.

34. Artikel 40 van de richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 trekt de richt-lijn 2004/83/EG in vanaf 21 december 2013. Artikel 23 van de eerst vermelde richtlijn bevat gelijkaardige bepalingen als die van artikel 23 van de richtlijn 2004/83/EU. De bedoelde bepalingen hebben betrekking op gezinsleden van een persoon met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus. Die be-palingen beletten niet de uitlevering van een persoon die een dergelijke status niet heeft omdat zijn in België verblijvende gezinsleden die status wel hebben.

35. In zoverre het middel schending van de vermelde bepalingen aanvoert, faalt het naar recht.

36. De rechter oordeelt onaantastbaar of de uitlevering van een persoon die in België met zijn gezin verblijft, proportioneel is met het belang van de Staat die om zijn uitlevering verzoekt.

37. Met de redenen die het bevat, beoordeelt het arrest (ro 3.16) de bedoelde pro-portionaliteit en verantwoordt het de beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

38. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 143,61 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de open-bare rechtszitting van 22 april 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem B. Dejemeppe P. Maffei

Vrije woorden

  • Uitlevering gevraagd aan België

  • Persoon die het land dat zijn uitlevering vraagt is ontvlucht

  • Verzoek in een ander land tot erkenning als vluchteling

  • Weigeringsgrond