- Arrest van 6 mei 2014

06/05/2014 - P.14.0054.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 37, §2, tweede lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel vereist niet dat in geval de procureur des Konings of de onderzoeksrechter, de overgeleverde persoon naar gelang van het geval wenst te vervolgen of van zijn vrijheid wenst te benemen wegens een bijkomend, vóór de overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft, de met het bijkomende feit gelaste onderzoeksrechter steeds een Europees aanhoudingsbevel zou uitvaardigen tegen de reeds overgeleverde verdachte; evenmin brengt enige wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling mee dat alleen de met dat feit gelaste onderzoeksrechter het vermelde verzoek tot toestemming aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit zou kunnen richten.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0054.N

A M,

beklaagde, aangehouden,

eiser,

met als raadslieden mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie te Kortrijk, en mr. Thomas Gillis, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Vlaanderenstraat 78, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. C W,

burgerlijke partij,

2. M D V,

burgerlijke partij,

3. N W,

burgerlijke partij,

4. COMPUTERSYSTEMEN WILLAERT bvba, met zetel te 8800 Roesela-re, Brugsesteenweg 349,

burgerlijke partij,

5. KBC VERZEKERINGEN nv, met zetel te 3000 Leuven, Prof. Roger Van Overstraetenplein 2,

burgerlijke partij,

6. G V,

burgerlijke partij,

7. T T,

burgerlijke partij,

8. RIPAL bvba, met zetel te 9830 Menen (Lauwe), Beukenlaan 22,

burgerlijke partij,

9. ALLIANZ BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Lakensestraat 35,

burgerlijke partij,

10. A V,

burgerlijke partij,

11. E D,

burgerlijke partij,

12. A & E CARGO, met zetel te 9870 Zulte, Lijsterlaan 27 A,

burgerlijke partij,

13. J A, in eigen naam en als wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige dochters L A en E A,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 20 december 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest spreekt de eiser vrij voor de telastlegging N en spreekt hem ge-deeltelijk vrij voor de telastlegging O. Het verklaart ook de burgerlijke rechtsvor-dering van de verweerster 12 niet ontvankelijk en stelt vast dat de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster 8 zonder voorwerp is geworden.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan be-lang niet ontvankelijk.

2. Het arrest is ten aanzien van de verweerder 13 bij verstek gewezen.

Het tegen die beslissing gerichte cassatieberoep, dat is ingesteld tijdens de gewone termijn van verzet, is niet ontvankelijk.

Eerste middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 37, § 2, Wet Europees Aanhou-dingsbevel: het arrest oordeelt ten onrechte dat de strafvordering betreffende de feiten van de telastleggingen N en O ontvankelijk is op grond van de buitenlandse rechterlijke beslissing die toestemming geeft om de eiser voor die feiten in België te vervolgen en die werd gewezen op verzoek van de federale magistraat; in een reeds geopend gerechtelijk onderzoek staat het aan de onderzoeksrechter om een Europees aanhoudingsbevel of het bedoelde verzoek tot toestemming uit te vaar-digen, maar niet aan de vervolgende partij.

4. In zoverre het middel betrekking heeft op feiten waarvoor het arrest de eiser vrijspreekt, is het gericht tegen een beslissing waarvoor het cassatieberoep niet ontvankelijk is en behoeft het bijgevolg geen antwoord.

5. Artikel 37, § 2, tweede lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt met betrekking tot een inverdenkinggestelde die geniet van het specialiteitsbeginsel:

"Ingeval (...) de onderzoeksrechter, de procureur des Konings of het gerecht de overgeleverde persoon naar gelang van het geval wenst te vervolgen, te veroorde-len of van zijn vrijheid wenst te benemen wegens een ander, voor de overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft, moet aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit een verzoek tot toestemming worden gericht, zulks samen met de gegevens vermeld in artikel 2, § 4 (...)."

6. Die bepaling vereist niet dat voor een bijkomende overlevering zoals be-doeld, de met het bijkomende feit gelaste onderzoeksrechter steeds een Europees aanhoudingsbevel zou uitvaardigen tegen de reeds overgeleverde verdachte.

Evenmin brengt enige wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling mee dat alleen de met dat feit gelaste onderzoeksrechter het vermelde verzoek tot toestemming aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit zou kunnen richten.

7. Wanneer het verzoek tot toestemming ertoe strekt een reeds overgeleverde verdachte te kunnen vervolgen voor een bijkomend feit, dan kan het openbaar mi-nisterie, in het kader van zijn opdracht tot uitoefening van de strafvordering, dat verzoek richten aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit, ook al is het gerechtelijk onderzoek betreffende dat feit nog niet afgesloten.

8. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

9. Het arrest oordeelt dat het van de federale magistraat uitgaande verzoek tot toestemming rechtsgeldig is, onder meer omdat:

- in dit verzoek de intentie werd uitgedrukt om in België de eiser ook te kunnen vervolgen voor de feiten van de telastleggingen N en O;

- het verzoek niet strekte noch geleid heeft tot de vrijheidsbeneming van de ei-ser, die in België was aangehouden voor andere feiten waarvoor hij reeds was overgeleverd;

- het feit dat de onderzoeksrechter voor die telastleggingen al was gevat en de eiser daarvoor al in verdenking was gesteld, niet met zich meebrachten dat het verzoek tot toestemming van de onderzoeksrechter diende uit te gaan.

Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 90undecies, § 4, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het recht op een eer-lijk proces, in het bijzonder het recht op wapengelijkheid, het recht op een eerlijke bewijsvoering, het recht op tegenspraak en de verplichting te antwoorden op de conclusie van de beklaagde: het arrest oordeelt ten onrechte dat eisers voormelde rechten niet zijn miskend doordat hij niet in de mogelijkheid is geweest een te-genonderzoek te doen uitvoeren op het Franse DNA-staal 157986 opgenomen op een klauwhamer; het arrest steunt hiervoor op het oordeel dat het onwaarschijnlijk is dat er nog een voldoende toereikende hoeveelheid menselijk celmateriaal op het uitstrijkje aanwezig bleef om een tegenonderzoek mogelijk te maken en dat de ei-ser in de mogelijkheid was een tegenonderzoek te doen uitvoeren aan de hand van het door de eerste deskundige opgestelde DNA-profiel van het aangetroffen spoor; de federale magistraat heeft geweigerd het door de eiser gevraagde tegenonderzoek uit te voeren op het gedeelte van het spoor van het celmateriaal dat bij het aanvankelijke onderzoek niet werd gebruikt; een tegenonderzoek aan de hand van het door de eerste deskundige opgestelde DNA-profiel van het aangetroffen spoor volstaat slechts indien uit het verslag van het aanvankelijk onderzoek blijkt dat de hoeveelheid aangetroffen menselijk celmateriaal ontoereikend is om een nieuw DNA-profiel op te stellen; het arrest stelt echter niet vast dat die omstandigheid blijkt uit het verslag van het aanvankelijk onderzoek, maar steunt daarvoor op een eigen vermoeden van waarschijnlijkheid; bovendien was het oorspronkelijke staal niet overgebracht en neergelegd, zodat de eiser op dit staal geen tegenonderzoek kon laten uitvoeren; minstens miskent het arrest de bewijskracht van het verslag van het oorspronkelijk onderzoek, nu uit dit verslag niet blijkt dat de hoeveelheid celmateriaal onvoldoende is voor het opstellen van een nieuw DNA-profiel.

11. In zoverre het middel opkomt tegen het optreden van de federale magistraat en niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.

12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het oor-spronkelijke DNA-staal niet werd overgebracht en ter griffie neergelegd.

In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het evenmin ontvankelijk.

13. Het arrest geeft geen uitlegging van het verslag van het oorspronkelijk on-derzoek en kan bijgevolg de bewijskracht ervan niet miskennen.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

14. Artikel 90undecies, § 4, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zoals hier van toepassing, bepaalt dat, indien uit het verslag van het aanvankelijk onderzoek blijkt dat de hoeveelheid aangetroffen menselijk celmateriaal ontoereikend is om een nieuw DNA-profiel op te stellen, het tegenonderzoek verricht wordt aan de hand van nieuw celmateriaal afgenomen van de betrokkene en aan de hand van het door de eerste deskundige opgestelde DNA-profiel van het aangetroffen spoor.

15. De reden waarom uit het bedoelde verslag moet blijken dat de hoeveelheid celmateriaal ontoereikend is voor het opstellen van een nieuw DNA-profiel, be-staat erin de partijen in te lichten over de wijze waarop het tegenonderzoek kan verricht worden. Dat verslag bindt de rechter evenwel niet. Deze kan het gebrek aan voldoende celmateriaal afleiden uit alle hem regelmatig overlegde en aan te-genspraak onderworpen gegevens en hij oordeelt daarover onaantastbaar.

16. Artikel 90undecies, § 4, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt zelf de methode van tegenonderzoek in geval het celmateriaal ontoereikend is voor het opstellen van een nieuw DNA-profiel. De omstandigheid dat een be-klaagde het tegenonderzoek kan doen verrichten met toepassing van die methode, heeft niet de schending van die bepaling of de miskenning van de in het middel vermelde rechten tot gevolg.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

17. Het arrest oordeelt dat:

- het onwaarschijnlijk is dat er nog een voldoende toereikende hoeveelheid men-selijk celmateriaal op het uitstrijkje aanwezig bleef om een tegenexpertise mo-gelijk te maken;

- de eiser de mogelijkheid had een tegenonderzoek te doen uitvoeren aan de hand van het door de eerste deskundige opgestelde DNA-profiel van het aangetroffen spoor en hij heeft nagelaten dit te doen.

Op grond van die redenen oordeelt het arrest dat de onmogelijkheid voor de eiser om een tegenonderzoek te doen uitvoeren op grond van een nieuw DNA-profiel niet meebrengt dat zijn recht op een eerlijk proces en zijn recht van verdediging zijn miskend. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer en is de beslissing re-gelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 150,21 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Erwin Francis, en op de openbare rechtszit-ting van 6 mei 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwe-zigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische gerechtelijke autoriteit

  • Overlevering

  • Geen afstand van het specialiteitsbeginsel

  • Vervolging of vrijheidsbeneming voor een bijkomend vóór de overlevering gepleegd feit

  • Verzoek tot toestemming aan de uitvoerende gerechtelijke autoriteit

  • Vorm

  • Bevoegde autoriteit