- Arrest van 7 mei 2014

07/05/2014 - P.14.0248.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 125 van de Grondwet en de artikelen 2 en 3 van de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een Gemeenschaps- of Gewestregering, maken een onderscheid tussen misdrijven die in dan wel buiten de uitoefening van hun ambt zijn gepleegd; de Grondwetgever en de wetgever hebben niet de persoon van de minister maar het ministerieel ambt willen beschermen en, meer nog dan het ambt, de gehele regering, als instelling; aangezien het in het gedrang brengen van de ministeriële verantwoordelijkheid is onderworpen aan voorwaarden die rechtstreeks met die doelstelling verband houden, zoals voor elke van het gemeen recht afwijkende regeling, dienen die voorwaarden beperkend te worden uitgelegd (1). (1) Eliane Liekendael, 'Contribution mineure à une réflexion sur un problème majeur : la responsabilité pénale des ministres fédéraux', rede uitgesproken door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie op de plechtige openingszitting van 1 september 1998, Brussel, Bruylant, 1998, p. 5, en R.D.P.C., 1998, p. 940-941.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0248.F

I. J.-Cl. V. C.,

Mrs Pierre en Antoine Chomé en Anthony Rizzo, advocaten bij de balie te Brussel,

II. F. L.,

III. SODEXHO BELGIE nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 december 2013.

De eerste eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van J.-Cl. V. C.

Middel

Ingevolge eisers aanhangigmaking van de zaak met toepassing van de artikelen 136, 235 en 235bis Wetboek van Strafvordering bij de kamer van inbeschuldi-gingstelling, verklaart het arrest dat de strafvordering regelmatig is ingesteld. Het beslist dat de feiten die de eiser ten laste zijn gelegd, gesteld dat ze bewezen zou-den zijn, niet in de uitoefening van zijn ambt van minister-president van het Waal-se Gewest werden gepleegd en dat de strafvordering tegen hem werd ingesteld nadat hij dat ambt uitoefende.

Het middel voert de schending aan van de artikelen 103 en 125 Grondwet en de artikelen 2 en 3 van de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de straf-rechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een Gemeenschaps- of Gewestre-gering.

In zoverre het middel een schending aanvoert van artikel 103 Grondwet, dat be-trekking heeft op de ministers van de Federale regering, faalt het naar recht.

Artikel 125 van de Grondwet en de artikelen 2 en 3 van de voormelde bijzondere wet regelen de berechting van de leden van een Gemeenschaps- of Gewestrege-ring. Daartoe maken ze een onderscheid tussen misdrijven die in dan wel buiten de uitoefening van hun ambt zijn gepleegd.

Het middel verwijt het arrest dat het het begrip uitoefening van het ambt van mi-nister te eng interpreteert. Het voert aan dat de activiteit van een minister verder reikt dan zijn louter regelgevende of wetgevende taak en met name een vertegen-woordigende opdracht en beheersopdracht en zelfs het nemen van zuiver politie-ke beslissingen omvat. Volgens de eiser moet de minister aldus van de specifieke regeling van strafrechtelijke verantwoordelijkheid genieten telkens hij tussenbeide komt in het beheer en het bestuur van de Staat.

De grondwetgever en de wetgever hebben niet de persoon van de minister maar het ministerieel ambt willen beschermen en, meer nog dan het ambt, de gehele re-gering als instelling. Het in het gedrang brengen van de ministeriële verantwoor-delijkheid is aan voorwaarden onderworpen die rechtstreeks met die doelstelling verband houden. Zoals voor elke van het gemeen recht afwijkende regeling dienen die voorwaarden strikt te worden uitgelegd.

De rechter beoordeelt in feite of de misdrijven al dan niet in de uitoefening van het ministerieel ambt zijn gepleegd. Het Hof is niet bevoegd om de door het mid-del aangevoerde feitelijke gegevens te onderzoeken. Het vermag alleen na te gaan of de conclusie die de rechter uit zijn vaststellingen trekt, het begrip uitoefening van het ministerieel ambt in de zin van de voormelde grondwettelijke bepaling en wetsbepaling niet miskent.

Met overneming van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie stelt het arrest met name vast dat bij de onderzoeksrechter feiten van valsheid en verduistering aanhangig waren gemaakt, gepleegd door mede in verdenking ge-stelde ambtenaren, en vervolgens feiten van corruptie van laatstgenoemden, bij de toekenning van een overheidsopdracht door de stad waarvan de eiser gemeente-raadslid was. Het arrest vermeldt ook dat het gerechtelijk onderzoek eveneens be-trekking heeft op onregelmatigheden bij de betaling van een van de aanbestedende overheid gevorderde vergoeding met betrekking tot de uitvoering van die opdracht. Met overneming van de redenen van die vordering heeft het hof van beroep voorts verwezen naar het optreden van de eiser die, ofschoon hij vaak als minister-president werd vermeld, met name zijn hoogste ambtstitel, destijds ook gemeenteraadslid en voorzitter van een politieke vereniging van de betreffende stad was. De appelrechters hebben ten slotte, in navolging van het openbaar ministerie, vastgesteld dat noch het Waalse Gewest noch de Waalse Regering in het litigieuze dossier zijn tussengekomen.

De kamer van inbeschuldigingstelling, die aldus heeft geoordeeld dat de ten laste gelegde feiten, gesteld dat ze bewezen zijn, voortvloeien uit het bijkomend door de eiser uitgeoefende gemeentelijk mandaat, verantwoordt haar beslissing naar recht dat laatstgenoemde te dezen nooit ervan werd verdacht enig strafbaar feit te hebben gepleegd in zijn hoedanigheid van minister en dat het hem betreffende ge-rechtelijk onderzoek bijgevolg regelmatig was.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. Cassatieberoepen van F. L. en van de naamloze vennootschap Sodexho België

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door eerste voorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raads-heren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare te-rechtzitting van 7 mei 2014 uitgesproken door eerste voorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Luc Van hoogen-bemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Leden van een Gemeenschaps- of Gewestregering

  • Strafrechtelijke verantwoordelijkheid