- Arrest van 12 mei 2014

12/05/2014 - S.13.0020.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De verjaring, die een verdediging is tegen een laattijdige vordering, vangt in de regel aan op het tijdstip dat de vordering ontstaat, namelijk wanneer de verplichting die zij bekrachtigt moet worden uitgevoerd (1). (1) Zie de deels gelijkluidende concl. OM in Pas. 2014, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.13.0020.F

R. F.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

FONDS VOOR BEROEPSZIEKTEN, openbare instelling,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Luik van 17 april 2012.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 10 april 2014 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 30, 30bis, 35, tweede lid, 48quater, eerste lid, 52 en 53, § 2, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970;

- de artikelen 2, 8bis, 9, 10 en 11, van het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot vaststelling van de wijze waarop de aanvragen om schadeloosstelling en om herziening van reeds toegekende vergoedingen bij het Fonds voor de beroepsziekten worden ingediend en onderzocht;

- de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist, met bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, dat, met toepassing van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek, de veroordeling van de verweerder tot betaling van de wettelijke vergoedingen tot schadeloosstelling van de blijvende ongeschiktheid wegens een beroepsziekte slechts mag worden uitgesproken vanaf 6 januari 2003, met alle redenen die worden verondersteld hier volledig te zijn weergegeven en inzonderheid, inzake de aanvangsdatum van de vergoedingen, op grond dat:

"Krachtens artikel 35, tweede lid, van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970, wordt bij een eerste aanvraag, wanneer de arbeidsongeschiktheid van in de beginne blijvend is, een jaarlijkse vergoeding toegekend van 100 pct. bepaald naar de graad van de blijvende ongeschiktheid, te rekenen vanaf het begin van de ongeschiktheid; de vergoeding zal evenwel niet vroeger kunnen ingaan dan 120 dagen vóór de datum van het indienen van de aanvraag; het Arbitragehof heeft in zijn arrest van 30 januari 2007, nr. 25/2007, geoordeeld dat de bepaling dat de vergoeding niet vroeger kan ingaan dan 120 dagen vóór de datum van het indienen van de aanvraag discriminerend was aangezien een dergelijke beperking in de tijd niet bestaat in de openbare sector in het licht van de wet van 3 juli 1967; bijgevolg mag dat artikel 35, tweede lid, niet worden toegepast in zoverre het bepaalt dat 'de vergoeding niet vroeger kan ingaan dat 120 dagen vóór de datum van het indienen van de aanvraag'.

De verweerder vroeg om de betaling van de achterstallige bedragen te beperken tot vijf jaar vanaf de gedinginleidende akte met toepassing van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek en de rechtbank heeft dat verzoek ingewilligd.

De eiser die steunt op een arrest van het Grondwettelijk Hof dat meent dat artikel 2277, Burgerlijk Wetboek te dezen kennelijk niet toepasbaar is, vraagt de betaling van de vergoedingen vanaf de aanvang van zijn ongeschiktheid, namelijk 9 augustus 2000.

Artikel 2277 Burgerlijk Wetboek stelt:

Termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten,

Die van uitkeringen tot levensonderhoud,

Huren van huizen en pachten van landeigendommen,

Interesten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen,

Verjaren door verloop van vijf jaren'.

Die verjaring van vijf jaar is in beginsel van toepassing in alle gevallen waarin de schuld prestaties of inkomsten betreft die per jaar of in kortere tijdspannes betaalbaar zijn. Er wordt niet betwist dat de vergoeding wegens blijvende arbeids-ongeschiktheid in principe jaarlijks betaalbaar is.

Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 73/2011 van 12 mei 2011 geoordeeld dat artikel 2277, Burgerlijk Wetboek geen betrekking had op artikel 35, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, dat bepaalt vanaf welke datum de aanvrager recht heeft op een jaarlijkse vergoeding voor zijn arbeidsongeschiktheid. Artikel 2277 Burgerlijk Wetboek bepaalt inderdaad geenszins de datum waarop men recht heeft op de jaarlijkse vergoeding wegens blijvende arbeidsongeschiktheid.

Artikel 2277 Burgerlijk Wetboek is een verjaringsregel die betrekking heeft op het verzoek tot schadeloosstelling of de vordering tot schadeloosstelling en die regel bepaalt geenszins de datum waarop de aanvang van de ongeschiktheid erkend wordt. De uitdovende verjaring treft niet het bestaan van de schuld maar enkel de opeisbaarheid ervan.

Artikel 35, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, bepaalt de datum waarop de jaarlijkse vergoeding moet ingaan maar preciseert geenszins de verjaringstermijn die van toepassing is op de aanvraag tot vergoeding.

Het [arbeidshof ]oordeelt dat zo de schuld, namelijk te dezen de jaarlijkse vergoedingen die verschuldigd zijn wegens blijvende ongeschiktheid, bestaat vanaf het begin van de ongeschiktheid, de opeisbaarheid van die schuld onderworpen is aan de verjaring van artikel 2279 (lees: 2277) van het Burgerlijk Wetboek.

Aangezien het gedinginleidend verzoekschrift, een verjaringsstuitende handeling, ingediend werd op 7 januari 2008, zijn de vergoedingen verschuldigd vanaf 7 ja-nuari 2003".

Grieven

Eerste onderdeel

Er is sprake van een beroepsziekte in de zin van artikel 32 van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 wanneer de door deze ziekte getroffen persoon aan het beroepsrisico ervan blootgesteld geweest is met een zekere intensiteit en gedurende een zekere periode, waardoor het ogenblik waarop de aangifte moet worden gedaan moeilijk te bepalen is.

Luidens artikel 35, tweede lid, van de voornoemde gecoördineerde wetten, wordt, wanneer de arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door een beroepsziekte van in den beginne blijvend is, een jaarlijkse vergoeding toegekend van 100 pct. bepaald naar de graad van de blijvende ongeschiktheid, te rekenen vanaf het begin van de onge-schiktheid.

Om de betaling van de jaarlijkse vergoeding te verkrijgen moet de getroffene, krachtens artikel 52, eerste lid, van de gecoördineerde wetten, een aanvraag indienen. Die moet alle documenten bevatten vereist bij artikel 2 van het Koninklijk besluit van 26 september 1996 tot vaststelling van de wijze waarop de aanvragen om schadeloosstelling en om herziening van reeds toegekende vergoedingen bij het Fonds voor de beroepsziekten worden ingediend en onderzocht, om de verweerder de mogelijkheid te bieden de aanvraag op elk vlak te onderzoeken: administratief, medisch, blootstelling aan het beroepsrisico.

De toename van de oorzaken van beroepsziekten heeft de wetgever ertoe aangezet om, naast het systeem van de ziekten die voorkomen in de door de Koning opgemaakte lijst (artikel 30 van de gecoördineerde wetten), te voorzien in een zogeheten "open systeem" voor vergoeding van ziekten die niet voorkomen op de lijst maar die op een determinerende en rechtstreekse wijze het gevolg zijn van de beroepsuitoefening (artikel 30bis van de gecoördineerde wetten. Die voorwaarde moet eveneens door de [verweerder] worden onderzocht.

Luidens artikel 8bis van het koninklijk besluit van 26 september 1996, beperkt de verweerder het onderzoek van de aanvraag tot de aandoening waarvoor zij werd ingediend.

Zodra de volledige aanvraag is ingediend, kan de [verweerder], krachtens artikel 11 van het voornoemde koninklijk besluit, bij de getroffene en diens werkgevers alle bijkomende inlichtingen inwinnen. Het onderzoek van de aanvraag kan aan het licht brengen dat de getroffene blootgesteld is geweest aan het beroepsrisico van de ziekte waarvoor de schadeloosstelling wordt gevraagd tijdens zijn werk bij verschillende werkgevers die, voor de vergoeding van beroepsziekten, zowel behoren tot de overheidssector als tot de private sector, waardoor het noodzakelijk is de werkgever te bepalen bij wie de getroffene voor het laatst blootgesteld was aan het risico om te weten welke wetgeving van toepassing is (artikel 48quater, eerste lid, van de gecoördineerde wetten). Bovendien wordt een beroepsziekte, in het systeem buiten de lijst, enkel erkend na onderzoek van de aanvraag door de "Commissie open systeem", opgericht in de schoot van de [verweerder] (artikel 9 van het koninklijk besluit van 26 september 1996).

De [verweerder ]neemt dan een beslissing die ofwel het recht op de jaarlijkse vergoeding toekent en de datum vaststelt van de aanvang en de graad van de ongeschiktheid, of die het recht weigert.

Als de getroffene het daarmee niet eens is, kan hij krachtens 53, § 2, van de gecoördineerde wetten de betwiste administratieve rechtshandeling voorleggen aan de arbeidsrechtbank binnen het jaar van de kennisgeving ervan.

Uit het geheel van die bepalingen kan worden afgeleid dat de specifieke wetgeving op de beroepsziekten de toepassing uitsluit van een verjaringsstelsel van gemeen recht, meer in het bijzonder van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, dat een vijfjarige verjaringstermijn instelt die ingaat op het ogenblik dat het recht ontstaat.

Door artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek toe te passen op de vordering van de eiser tot betaling van de vergoeding wegens blijvende ongeschiktheid veroorzaakt door een beroepsziekte, schendt het arrest zowel de in het middel aangegeven bepalingen van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 en het koninklijk besluit van 26 september 1996, bepalingen die samen een globaal stelsel invoeren van schadeloosstelling wegens blijvende ongeschiktheid veroorzaakt door een beroepsziekte dat de toepassing van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek uitsluit, als de laatstgenoemde bepaling.

Tweede onderdeel

De regel van de gelijkheid en non-discriminatie, bepaald bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, verbiedt een verschillende behandeling van personen die zich in een zelfde of vergelijkbare situatie bevinden, behalve als het onderscheid objectief en redelijk verantwoord is.

In artikel 20 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, heeft de wetgever voor de overheidssector een bijzondere verjaringstermijn ingesteld voor de vordering tot betaling, te weten van drie jaar, waarvan de aanvang is vastgesteld op de datum van ontvangst van de beslissing van de bevoegde overheid, om te vermijden dat de verjaringstermijn zou kunnen ingaan vóór de kennisgeving van de beslissing van de overheid. Dat bijzonder verjaringsstelsel sluit de toepassing uit van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek. Geen enkele andere bepaling beperkt de rechten van de getroffene op betaling van de uitkeringen tot schadeloosstelling van de door een beroepsziekte veroorzaakte blijvende ongeschiktheid waarvan het recht ontstaat, zoals in de private sector, vanaf de aanvang van de blijvende ongeschiktheid.

In de uitlegging volgens dewelke, in de private sector van de beroepsziekten, artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek - dat een verjaring door verloop van vijf jaren instelt die ingaat op het ogenblik dat het recht ontstaat - van toepassing is op de vordering van de getroffene tot betaling van de vergoedingen wegens blijvende ongeschiktheid, waarbij het recht ontstaat vanaf de aanvang van de ongeschiktheid, wordt een verschillende behandeling ingesteld tussen vergelijkbare categorieën, namelijk tussen de werknemers die het slachtoffer zijn van een beroepsziekte die een blijvende ongeschiktheid tot gevolg heeft in de private sector en de werknemers die het slachtoffer zijn van een beroepsziekte die een blijvende ongeschiktheid tot gevolg heeft in de overheidssector, aangezien de vordering van de eerstgenoemden onderworpen is aan een verjaringstermijn door verloop van vijf jaren die ingaat vanaf de aanvang van de blijvende ongeschiktheid en ongeacht de termijn die de [verweerder ]besteed heeft aan het onderzoeken van de aanvraag, terwijl de vordering van de laatstgenoemden onderworpen is aan een verjaringstermijn door verloop van drie jaren die ingaat op de datum van ontvangst van de door de bevoegde overheid genomen beslissing nadat de aanvraag werd onderzocht en ongeacht het tijdstip waarop de blijvende ongeschiktheid een aanvang nam. Die verschillende behandeling is geenszins objectief en redelijk verantwoord.

De getroffenen van een beroepsziekte die van bij de aanvang een blijvende ongeschiktheid heeft teweeggebracht bevinden zich immers in de private sector en in de overheidssector in een vergelijkbare situatie, te weten (i) dat zij het slachtoffer zijn van een beroepsziekte met het kenmerk dat die niet het gevolg is van een plotselinge gebeurtenis maar van een blootstelling aan een beroepsrisico met een zekere intensiteit en gedurende een zekere tijd, van een ziekte die zich in de tijd ontwikkelt , waarvan de symptomen slechts heel langzaam aan het licht komen en niet steeds onmiddellijk kunnen worden gewijd aan een beroepsziekte, zodat het precieze ogenblik waarop de aanvraag kan worden ingediend moeilijk te bepalen is; bovendien is diegene die de schade moet vergoeden niet steeds makkelijk te bepalen aangezien de mogelijke blootstelling aan het risico zowel bij een werkgever van de private sector als bij een werkgever van de overheidssector kan zijn gebeurd; (ii) dat zij verplicht zijn administratieve voorwaarden te vervullen, te we-ten het indienen bij de [verweerder] of bij de werkgever van een aanvraag volgens bij wet bepaalde vormvereisten, en (iii) dat zij verplicht zijn aan de [verweerder] of aan de door de werkgever in de overheidssector aangewezen dienst de nodige tijd te gunnen om de aanvraag te onderzoeken en mee te werken aan dat onderzoek door het verstrekken van de nodige documenten.

Daaruit volgt dat het arrest dat beslist dat met toepassing van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, de vergoedingen van de eiser wegens blijvende ongeschiktheid die het gevolg is van een beroepsziekte slechts vanaf 7 januari 2003 verschuldigd zijn aangezien de dagvaarding op 7 januari 2008 werd ingeleid, bijgevolg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Luidens artikel 2277 Burgerlijk Wetboek verjaren termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten; die van uitkeringen tot levensonderhoud; huren van hui-zen en pachten van landeigendommen; interesten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen, door verloop van vijf jaren.

Die verjaring is van toepassing op de vorderingen tot betaling van alle op die wijze betaalbare prestaties die niet onderworpen zijn aan bijzondere verjaringen.

De verjaring die een verweermiddel is tegen een laattijdige vordering, vangt in de regel aan op het tijdstip dat de vordering ontstaat, namelijk wanneer de verplich-ting die zij bekrachtigt, moet worden uitgevoerd.

Krachtens artikel 35, eerste en tweede lid, Beroepsziektenwet, is een jaarlijkse vergoeding verschuldigd wanneer de ziekte een blijvende arbeidsongeschiktheid meebrengt, te rekenen van de dag waarop de ongeschiktheid van bestendige aard is.

Krachtens artikel 1, § 2 en § 3, van het koninklijk besluit van 10 december 1987 tot vaststelling van de wijze van betaling van de vergoedingen die verschuldigd zijn krachtens de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schade-loosstelling voor beroepsziekten, in uitvoering van artikel 47 van de voornoemde wetten, zijn de jaarlijkse vergoedingen die krachtens de voornoemde wetten ver-schuldigd zijn, maandelijks na vervallen termijn of driemaandelijks betaalbaar.

Artikel 52, eerste lid, Beroepsziektenwet bepaalt dat de verweerder uitspraak doet omtrent iedere aanvraag om schadeloosstelling van de sociaal verzekerde.

Bij geheel van een specifieke wettelijke of reglementaire bepaling die in een kor-tere termijn voorziet voor de schadeloosstelling van de beroepsziekten, is de ver-weerder overeenkomstig artikel 10, eerste lid, Wet Handvest Sociaal Verzekerde gehouden te beslissen ten laatste binnen vier maanden van de aanvraag.

Noch die bepalingen, noch enige andere in het middel bedoelde bepaling, afzon-derlijk of in hun geheel beschouwd, sluiten de toepassing uit van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek op de vordering tot betaling van de uitkeringen voor blijvende ongeschiktheid.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

De in dit onderdeel aangevoerde discriminatie vindt haar oorsprong niet in artikel 2277 Burgerlijk Wetboek maar in het verzuim van de wetgever om in de Beroeps-ziektenwet een vergelijkbare bepaling in te voeren als de in artikel 20, eerste lid, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel uitgevaardigde bepaling, volgens de-welke vorderingen tot betaling van renten in geval van blijvende arbeidsonge-schiktheid verschuldigd krachtens artikel 3, eerste lid, 1°, b) van die wet verjaren na het verstrijken van een termijn van drie jaar te rekenen van de dag waarop de betwiste administratieve rechtshandeling ter kennis werd gebracht.

Wanneer een prejudiciële vraag betrekking heeft op een wetgevende leemte, moet het Hof die slechts aan het Grondwettelijk Hof voorleggen als het vaststelt dat het desgevallend in staat is aan die leemte te verhelpen zonder tussenkomst van de wetgever.

De aangevoerde leemte zou, in de veronderstelling dat ze de Grondwet schendt, de tussenkomst van de wetgever vergen om de modaliteiten van het nieuwe, in te voeren verjaringsstelsel te bepalen.

De door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag hoeft bijgevolg niet te worden gesteld.

Aangezien er een dergelijke leemte voorhanden is, beslist het arrest naar recht om artikel 2277 Burgerlijk Wetboek toe te passen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep;

Gelet op artikel 53, tweede lid, Beroepsziektenwet, veroordeelt de verweerder tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raads heren Koen Mestdagh, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare te-rechtzitting van 12 mei 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Vanessa Van de Sijpe.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Begrip

  • Aanvang