- Arrest van 13 mei 2014

13/05/2014 - P.12.2065.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 67ter Wegverkeerswet dat enkel voorziet in de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen, is impliciet gewijzigd door artikel 5 Strafwetboek zoals ingevoerd door artikel 2 van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersonen; die impliciete wijziging heeft niet tot gevolg dat een inbreuk op artikel 67ter Wegverkeerswet niet langer strafbaar is, maar wel dat zij de regels van toerekenbaarheid van die overtreding wijzigt (1). (1) Zie Cass. 11 juni 2013, AR P.12.1362.N, AC 2013, nr. 352; GWH, 26 januari 2005, nr. 24/2005, BS, 11 maart 2005.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.2065.N

HORECA TECHNOLOGIES SOLUTIONS bvba, met zetel te 2900 Schoten, Gazellendreef 22,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr. Jozef Robbroeckx, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 22 november 2012.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de memorie

1. De memorie werd neergelegd namens de eiseres, zowel in haar hoedanigheid van beklaagde als van burgerlijk aansprakelijke partij, en W V.

De eiseres heeft enkel cassatieberoep ingesteld in haar hoedanigheid van beklaag-de.

Het Hof slaat geen acht op de memorie in zoverre zij werd ingediend namens de medebeklaagde W V en Horeca Technologies Solutions bvba in haar hoedanigheid van burgerlijk aansprakelijke partij bij gebrek aan cassatieberoep namens hen.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van de artikelen 14 en 149 Grondwet, arti-kel 2 Strafwetboek en artikel 67ter Wegverkeerswet: het bestreden vonnis veroor-deelt de eiseres zonder enige motivering wegens een inbreuk op artikel 67ter Wegverkeerswet dat, minstens impliciet, werd opgeheven of alleszins gewijzigd door de invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtsper-soon zoals bepaald door artikel 5 Strafwetboek; de rechtspersoon kan immers ook veroordeeld worden voor een verkeersinbreuk zodat artikel 67ter Wegverkeerswet geen relevantie meer heeft en er geen wettelijke basis meer is om de eiseres te be-straffen wegens een inbreuk daarop.

3. Artikel 67ter Wegverkeerswet bepaalt: "Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een rechtspersoon, zijn de natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen ertoe gehouden de identiteit van de bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de personen die het voertuig onder zich heeft.

De mededeling moet gebeuren binnen een termijn van 15 dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen gevoegd bij het afschrift van het pro-ces-verbaal werd verstuurd.

Indien de persoon die het voertuig onder zich heeft niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten moet hij eveneens, op de wijze hierboven vermeld, de iden-titeit van de bestuurder meedelen.

De natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen als ti-tularis van de nummerplaat of als houder van het voertuig, zijn ertoe gehouden de nodige maatregelen te nemen om aan deze verplichting te voldoen."

4. Dit artikel dat enkel voorziet in de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen, is im-pliciet gewijzigd door artikel 5 Strafwetboek zoals ingevoerd door artikel 2 van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersonen. Die impliciete wijziging heeft niet tot gevolg dat een inbreuk op artikel 67ter Wegverkeerswet niet langer strafbaar is, maar wel dat zij de regels van toerekenbaarheid van die overtreding wijzigt.

Artikel 5 Strafwetboek heeft een eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor rechtspersonen ingevoerd, onderscheiden en autonoom ten opzichte van die van de natuurlijke personen die voor de rechtspersoon hebben gehandeld of dit hebben nagelaten. De rechtspersoon kan strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld voor alle misdrijven, vermits alle aan een rechtspersoon toegerekende misdrijven in concreto verwerkelijkt worden door natuurlijke personen.

De overtreding van artikel 67ter Wegverkeerswet, waarvan de bestanddelen niet zijn gewijzigd, kan aldus ten laste worden gelegd van de rechtspersoon voor reke-ning waarvan het misdrijf werd gepleegd, de natuurlijke persoon of beiden, over-eenkomstig artikel 5 Strafwetboek.

Sinds de inwerkingtreding van artikel 5 Strafwetboek weet elke natuurlijke of rechtspersoon dat hij kan vervolgd en veroordeeld worden indien zijn gedraging samenvalt met de constitutieve bestanddelen van het misdrijf, beschreven in arti-kel 67ter Wegverkeerswet, en welke de straffen zijn die hierop gesteld zijn. Arti-kel 14 Grondwet is derhalve niet geschonden.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat artikel 67ter Wegverkeerswet werd opge-heven en dat de rechtspersoon niet kan veroordeeld worden wegens een inbreuk daarop, faalt het naar recht.

5. De appelrechters oordelen dat artikel 67ter Wegverkeerswet impliciet is op-geheven door artikel 5 Strafwetboek wat de exclusieve toerekening van het in ar-tikel 67ter vervatte misdrijf betreft aan de natuurlijke personen die de rechtsper-soon in rechte vertegenwoordigen en dat de rechtspersoon zelf kan gestraft wor-den voor een inbreuk op dat artikel.

Aldus omkleden zij hun beslissing met redenen.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet, artikel 5 Strafwetboek en artikel 67ter Wegverkeerswet: het bestreden vonnis dat oordeelt dat artikel 67ter Wegverkeerswet onverkort is blijven bestaan na de in-voering van artikel 5 Strafwetboek, miskent het gelijkheidsbeginsel.

De eiseres verzoekt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwette-lijk Hof:

"Schendt artikel 67ter Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie dat een aparte strafbaarstelling voor rechtspersonen blijft bestaan, terwijl artikel 5 [Strafwetboek] ingevoerd bij de Wet van 4 mei 1999 een eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor de rechtspersoon heeft ingevoerd?"

7. Het bestreden vonnis oordeelt niet dat artikel 67ter Wegverkeerswet onver-kort is blijven bestaan na de invoering van artikel 5 Strafwetboek. Het stelt "dat artikel 67ter van de Wegverkeerswet impliciet is opgeheven door artikel 5 van [het Strafwetboek] wat de exclusieve toerekening van het in artikel 67ter van de Wegverkeerswet vervatte misdrijf betreft aan de natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen."

In zoverre het middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, mist het feitelijke grondslag.

8. Artikel 26, § 2, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof bepaalt dat een rechtscollege dat verzocht wordt een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof, hiertoe niet gehouden is wanneer het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onder-werp.

9. In het arrest nr. 104/2003 (B.7) van 22 juli 2003 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat het niet objectief en redelijk verantwoord is dat, voor misdrij-ven gepleegd na 2 juli 1999, de natuurlijke personen, genoemd in artikel 67ter Wegverkeerswet, persoonlijk aansprakelijk blijven voor misdrijven toegerekend aan de rechtspersoon, terwijl artikel 5 Strafwetboek op algemene wijze in een ei-gen strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon voorziet, maar heeft het vastgesteld dat in de interpretatie volgens welke die bepaling impliciet is gewijzigd bij artikel 5 Strafwetboek, zij geen onverantwoord verschil in behande-ling in het leven riep.

Artikel 5 Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999, heeft een eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor rechtspersonen ingevoerd, onderschei-den en autonoom ten opzichte van die van de natuurlijke personen die voor de rechtspersoon hebben gehandeld of dit hebben nagelaten. De wijziging van artikel 67ter Wegverkeerswet die artikel 5 Strafwetboek impliceert, heeft, in de interpre-tatie die door het Grondwettelijk Hof in zijn voormeld arrest nr. 104/2003 be-staanbaar is geacht met de artikelen 10 en 11 Grondwet, betrekking op de regels van toerekenbaarheid van de in artikel 67ter bedoelde overtreding. De overtre-ding, waarvan de bestanddelen niet zijn gewijzigd, kan, in die interpretatie, ten laste worden gelegd van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon, overeenkom-stig artikel 5 Strafwetboek.

In het arrest nr. 24/2005 van 26 januari 2005 heeft het Grondwettelijk Hof ander-maal geoordeeld dat op basis van artikel 67ter Wegverkeerswet zowel de rechts-persoon als de natuurlijke persoon kunnen worden veroordeeld en voormeld wets-artikel aldus het gelijkheidsbeginsel niet miskent.

Aldus heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel 67ter Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet in de interpretatie dat een aparte strafbaarstelling voor rechtspersonen blijft bestaan terwijl artikel 5 Strafwetboek ingevoerd bij de Wet van 4 mei 1999 een eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor de rechtspersoon heeft ingevoerd, niet schendt.

Het Hof dient de voorgestelde vraag niet te stellen.

Derde middel

10. Het middel voert schending aan van de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet en artikel 67ter Wegverkeerswet: het bestreden vonnis dat de eiseres veroordeelt wegns een inbreuk op artikel 67ter Wegverkeerswet, schendt de artikelen 10 en 11 Grondwet; artikel 67ter Wegverkeerswet stelt, in tegenstelling tot artikel 67bis Wegverkeerswet, geen wettelijk vermoeden in, maar voorziet in een aparte straf-baarstelling waarbij het niet-mededelen van de identiteit van de bestuurder afzon-derlijk en zwaarder wordt bestraft.

De eiseres verzoekt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwette-lijk Hof:

"Is het verschil in behandeling tussen de natuurlijke en de rechtspersoon in de ar-tikelen 67bis en 67ter van de Wegverkeerswet in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre dit tot gevolg heeft dat de natuurlijke personen van artikel 67bis Wegverkeerswet steeds vervolgd kunnen worden voor de verkeersinbreuk zelf, terwijl de rechtspersoon in datzelfde geval vervolgd zal worden op grond van artikel 67ter Wegverkeerswet waarbij in hogere geldboeten wordt voorzien?"

11. Artikel 67bis Wegverkeerswet stelt geen feit strafbaar maar houdt slechts een weerlegbaar vermoeden van schuld in.

Artikel 5 Strafwetboek heeft een eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor rechtspersonen ingevoerd, onderscheiden en autonoom ten opzichte van die van de natuurlijke personen die voor de rechtspersoon hebben gehandeld of dit hebben nagelaten. De rechtspersoon kan strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld voor alle misdrijven, vermits alle aan een rechtspersoon toegerekende misdrijven in concreto verwerkelijkt worden door natuurlijke personen.

Het middel dat ervan uitgaat dat een rechtspersoon niet kan worden vervolgd we-gens een verkeersinbreuk, faalt naar recht.

12. De voorgestelde vraag die uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting, dient niet te worden gesteld.

Vierde middel

13. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 5 Straf-wetboek en artikel 67ter Wegverkeerswet: het bestreden vonnis veroordeelt de ei-seres wegens een inbreuk op artikel 67ter Wegverkeerswet op grond van de on-juiste motivering dat de verkeersinbreuk zelf niet aan de rechtspersoon ten laste kan worden gelegd; voormeld artikel 67ter werd opgeheven door de invoering van artikel 5 Strafwetboek vermits de rechtspersoon vanaf dat ogenblik kon vervolgd worden voor de verkeersinbreuk zelf.

14. In zoverre het middel uitgaat van de in het eerste middel als onjuist verwor-pen rechtsopvatting dat artikel 67ter Wegverkeerswet opgeheven werd door de invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon krachtens artikel 5 Strafwetboek en dat de rechtspersoon niet kan veroordeeld worden wegens een inbreuk erop, kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk.

15. In zoverre het middel aanvoert dat het bestreden vonnis de eiseres veroor-deelt wegens een inbreuk op artikel 67ter Wegverkeerswet op grond van de on-juiste motivering dat de verkeersinbreuk zelf niet aan de rechtspersoon ten laste kan worden gelegd, berust het op een onjuiste lezing van de bestreden beslissing.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Vijfde middel

16. Het middel voert schending aan van de artikelen 142 en 149 Grondwet: het bestreden vonnis dat weigert de in het derde middel geformuleerde prejudiciële vraag te stellen, eigent zich een bevoegdheid toe die exclusief aan het Grondwet-telijk Hof toekomt.

17. Artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof bepaalt:

"Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dan moet dit college het Grondwettelijk Hof verzoeken op deze vraag uitspraak te doen.

Het rechtscollege is daartoe echter niet gehouden:

1° wanneer de zaak niet door het betrokken rechtscollege kan worden behandeld om redenen van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, tenzij wanneer die rede-nen ontleend zijn aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag;

2° wanneer het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp.

Het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor, al naar het geval, hoger beroep, verzet, voorziening in Cassatie of beroep tot vernietiging bij de Raad van State, is daartoe evenmin gehouden wanneer de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in § 1 klaarblijkelijk niet schendt of wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen."

18. Het bestreden vonnis wijst het verzoek tot het stellen van de in het middel vermelde prejudiciële vraag af "omdat enkel een ongelijke behandeling van gelijke gevallen of een gelijke behandeling van ongelijke gevallen kan worden aangevoerd en in casu artikel 67bis en 67ter van de Wegverkeerswet ongelijke gevallen voorzien die derhalve niet gelijk dienen te worden behandeld."

De appelrechters oordelen aldus wettig dat de voorgestelde prejudiciële vraag be-trekking heeft op categorieën van personen die zich niet in dezelfde juridische toestand bevinden en die precies daarom anders behandeld worden. Zonder zich een bevoegdheid toe te eigenen die hen niet toekomt, geven de appelrechters aldus te kennen dat, anders dan waarvan de vraag uitgaat, volgens hen het verschil in behandeling klaarblijkelijk de Grondwet niet schendt.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 71,01 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Bart Wylleman, en op de openbare rechtszitting van 13 mei 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

B. Wylleman P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem L. Van hoogenbemt

Vrije woorden