- Arrest van 20 december 2011

20/12/2011 - 2011AH298

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het zijn niet de vermeldingen in eerdere akten (o.a. dagvaarding) die decisief zijn voor de beoordeling van het voorwerp van de vordering maar wel hetgeen door een procespartij in haar laatste neergelegde besluiten wordt vermeld.

De rechter die een kantonnementsverbod oplegt dat in de inleidende dagvaarding was opgenomen doch dat niet hernomen werd in de syntheseconclusie schendt het beschikkingsbeginsel.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

A.R. 2011/AH/298

OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN ELF.

In de zaak:

NV D.,

met zetel te 3960 Bree, Opitterkiezel 18,

appellante,

verschijnend bij mr. RENETTE S., advocaat te Hasselt.

tegen

K. K.,

wonende te 3600 Genk, Armand Maclotlaan 33,

geïntimeerde,

verschijnend bij mr. LEMMENS L., advocaat te Beringen.

Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgende arrest uit.

Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen tijdens de openbare terechtzitting van 20 december 2011.

Gelet op het procesverbaal van de openbare terechtzitting van 20 december 2011.

I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN

Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder:

- het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren gewezen op tegenspraak tussen partijen op 26 september 2011 en waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 2 november 2011;

- de conclusies van appellante neergelegd ter griffie op 29 november 2011;

- de conclusies van geïntimeerde ontvangen ter griffie per fax op 5 december 2011 en neergelegd ter griffie op 5 december 2011.

II. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Met een verzoekschrift, op 2 november 2011 neergelegd ter griffie van dit hof, tekende appellante hoger beroep aan tegen het vonnis (A.R 10/2293/A) van 26 september 2011 van de arbeidsrechtbank te Tongeren.

Volgens de vermeldingen in de beroepsconclusies van partijen werd het vonnis betekend via deurwaarder op 10 november 2011.

Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

III. NOPENS DE VRAAG TOT OPHEFFING VAN HET VERBOD TOT KANTONNEMENT

1.

Ingevolge een door geïntimeerde K. K. opzichtens appellante NV D. (hierna verder vernoemd als de NV) bij de arbeidsrechtbank te Tongeren ingeleide procedure, sprak de arbeidsrechtbank op 26 september 2011 een eindvonnis uit waarbij de NV veroordeeld werd tot de betaling aan K. K. van een aanvullende opzeggingsvergoeding van 46.667,12 EUR bruto, te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten op het brutobedrag vanaf 10 april 2010 tot de dag der algehele betaling.

Dit vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, "niettegenstaande borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement".

De NV heeft bij dit arbeidshof hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis.

In haar verzoekschrift tot hoger beroep vroeg de NV onder meer om in toepassing van artikel 1066, 6? Ger.W. reeds op de inleidende zitting dan wel binnen ten hoogste 3 maanden hiernavolgend, de vordering strekkende tot vernietiging van het gedeelte van het bestreden vonnis waarbij de NV het recht op kantonnement ontzegd werd, ontvankelijk en gegrond te horen verklaren.

In haar daaropvolgende beroepsconclusie herhaalde de NV deze vordering.

De NV verzocht het hof om haar vordering, strekkende tot vernietiging van het gedeelte van het vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren van 26 september 2011 en waarbij de NV het recht op kantonnement ontzegd werd, ontvankelijk en gegrond te verklaren.

K. K. van zijn kant verzocht in daaropvolgende beroepsbesluiten om deze vordering in hoger beroep van de NV ongegrond te verklaren.

Het hof spreekt zich thans voorlopig enkel uit over deze in eerste instantie door de NV ingestelde eis tot opheffing van het door de eerste rechters uitgesproken kantonnementsverbod, zonder dat thans in dit stadium verder uitspraak wordt verleend over de overige vorderingen en grieven.

2.

Waar de rechters in hoger beroep enerzijds de door de eerste rechters bevolen tenuitvoerlegging van een bestreden vonnis in principe (op enkele uitzonderingen na; vgl. Cass. 1 juni 2006, RABG 2006, 1362, met noot) niet kunnen schorsen of verbieden, gelet op de bepalingen van artikel 1402 Ger.W., verhindert deze bepaling anderzijds niet dat zij eventueel een door de eerste rechters toegestaan kantonnementsverbod wel ongedaan kunnen maken (vgl. Arbh. Antwerpen 6 september 1999, A.R. nr. 990681, L. t/ H., onuitgegeven ; Arbh. Bergen 26 april 2004, Soc. Kron. 2008, 483 ; Arbh. Luik 28 februari 2006, J.T.T. 2006, 351 ; vgl. eveneens artikel 1066, lid 2, 6? Ger.W.).

Het recht op kantonnement kan op zich door de rechter ten gronde slechts worden uitgesloten voor het geheel of een gedeelte van de uitgesproken veroordelingen, indien de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt (artikel 1406 Ger.W.).

Het recht op kantonnement is dus de regel ; het verbod tot kantonnement is de uitzondering op deze regel.

Een kantonnementsverbod dient uiteraard uitdrukkelijk door de schuldeiser te worden gevraagd bij gemotiveerd verzoek gericht aan de rechter ten gronde, en deze dient, indien hij op deze eis ingaat, het kantonnementsverbod voldoende te motiveren.

3.

Het hof stelt vast dat de aanvoering van de NV dat K. K. het kantonnementsverbod niet heeft gevraagd en dat derhalve door de arbeidsrechtbank 'ultra petita' werd gestatueerd toen deze het kantonnementsverbod wel heeft uitgesproken, terecht is.

In de eersteaanlegprocedure bij de arbeidsrechtbank heeft K. K., zijnde de oorspronkelijk eisende partij die het geding heeft ingeleid, in zijn op 23 mei 2011 neergelegde synthesebesluiten, na de formulering van zijn eisen en na het verzoek tot afwijzing van de tegenvordering van de NV, in het 'dispositief' van deze besluiten namelijk het navolgende gevorderd (letterlijk citaat) :

"OM DEZE REDENEN / BEHAGE HET DE ARBEIDSRECHTBANK,

/

Gezien de precaire financiële situatie en getroffen crisismaatregelen van gedaagde, het vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad.

/"

De desbetreffende vordering behelsde dus "het vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad".

Niets meer.

Een verbod van borgstelling of van kantonnement werd alsdan door K. K. niet gevorderd.

In tegenstelling tot hetgeen K. K. schijnt aan te voeren, met name dat er rekening moet worden gehouden met hetgeen hij dienaangaande in de gedinginleidende dagvaarding had vermeld en waarbij hij wel de vraag inzake de oplegging van het kantonnementsverbod had geformuleerd, zijn het niet die vermeldingen in de dagvaarding die in aanmerking moeten worden genomen.

Het zijn namelijk niet de vermeldingen in eerdere akten (dagvaarding, verzoekschrift, eerdere conclusies) die decisief zijn voor de bepaling van het voorwerp van de vordering, maar wel hetgeen door een procespartij in haar laatst neergelegde besluiten wordt vermeld.

Deze toepassing volgt rechtstreeks uit de bepalingen van artikel 748bis Ger.W. (ingevoegd bij artikel 12 Wet 26 april 2007) volgens dewelke de laatste conclusies van een partij de vorm aannemen van syntheseconclusies.

Deze syntheseconclusies moeten het onderwerp van de vordering vermelden, evenals de middelen van partijen (cf. de verwijzing in artikel 748bis Ger.W. naar de bepalingen van artikel 780, lid 1, 3? Ger.W.), en ze vervangen alle vorige conclusies en desgevallend de gedinginleidende akte van de partij die de syntheseconclusies neerlegt.

De eerste rechters hebben een kantonnementsverbod opgelegd, daar waar dit volgens de in aanmerking te nemen syntheseconclusies niet gevorderd was.

Krachtens het beschikkingsbeginsel mag de rechter het voorwerp van de vordering niet wijzigen, hetzij door ze uit te breiden, hetzij door ze door een andere te vervangen (vgl. Cass. 20 februari 2002, Arr. Cass. 2002, 560).

De eerste rechters hebben hier ongevraagd het voorwerp van de vordering gewijzigd (uitgebreid) en hebben dus 'ultra petita' gestatueerd, hetgeen niet toegelaten is.

Deze vaststelling volstaat om het door de eerste rechters opgelegde niet gevorderde kantonnementsverbod als zijnde onregelmatig te bestempelen en om de door hen terzake verleende uitspraak  dus slaande op dit kantonnementsverbod  teniet te doen.

4.

De nietigverklaring van de uitspraak inzake het kantonnementsverbod, impliceert dat de 'normale toestand'  het recht van een procespartij om in geval van een voorlopige tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak tot kantonnement over te gaan  hersteld wordt.

In die zin kan derhalve thans, benevens de nietigverklaring van het desbetreffende gedeelte van het vonnis, tevens (en zoals door de NV werd gevorderd) door dit hof voor recht worden gezegd dat de NV gerechtigd is om de bedragen waartoe zij werd veroordeeld door de arbeidsrechtbank te Tongeren te kantonneren.

5.

De overige argumentatie van K. K., erop gericht om de vraag van de NV inzake de opheffing van het kantonnementsverbod te zien afwijzen, wordt door dit hof niet gevolgd.

Gans deze argumentatie van K. K. steunt op de veronderstelde toepasselijkheid van de bepalingen van artikel 1402 Ger.W. en de daarbij horende systematiek, maar dergelijke argumentatie is hier niet relevant of dienend.

Artikel 1402 Ger.W. heeft namelijk betrekking op de voorlopige tenuitvoerlegging van vonnissen (die, éénmaal ze door de eerste rechters werd opgelegd, in principe door de rechters in hoger beroep niet kan worden verboden of geschorst  zie hoger, sub III.2.).

Dergelijke toepassing of beoordeling is hier echter niet aan de orde.

De NV vraagt niet om de door de eerste rechters opgelegde voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis a quo teniet te doen, maar enkel om het door de eerste rechters opgelegde kantonnementsverbod ongedaan te maken.

De regeling inzake kantonnement wordt specifiek beheerst door de bepalingen van artikelen 1403 t/m 1407bis Ger.W., doch niet door artikel 1402 Ger.W. waaraan K. K. hier refereert, zodat zijn desbetreffende verwijzing naar deze wetsbepaling en de daarbij ontwikkelde argumentatie niet dienend is.

En het hof dient zich hier voorts niet uit te spreken over de inhoudelijke rechtmatigheid van een eventueel kantonnementsverbod, nu dit als zodanig in eerste aanleg niet het voorwerp uitmaakte van de in aanmerking te nemen vordering van K. K. (zie hiervoren, sub III.3.), en nu K. K. thans in graad van onderhavige beroepsprocedure bij dit hof geen specifieke (nieuwe) vordering inzake de oplegging van een kantonnementsverbod (apart van de vordering die hij dienaangaande tijdens de procedure bij de arbeidsrechtbank in zijn laatste besluiten niet heeft gesteld) heeft geformuleerd.

oOo

In zoverre ze in de hogervermelde overwegingen niet reeds beantwoord werden, zijn de eventueel resterende andersluidende argumenten van partijen niet van aard om afbreuk te doen aan de door het hof toegepaste beoordeling; het hof laat ze voorts als niet dienend buiten beschouwing.

oOo

O P D I E G R O N D E N,

Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, tweede kamer.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken waarvan de voorschriften werden nageleefd.

Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk.

Thans uitspraak doende over de vordering van NV D. tot opheffing van het verbod tot kantonnement zoals opgelegd door de arbeidsrechtbank te Tongeren in haar vonnis van 26 september 2011.

Verklaart deze vordering gegrond.

Doet dienvolgens het aangevochten vonnis teniet in zoverre het voor NV D. de mogelijkheid tot kantonnement voor alle bij het vonnis toegekende bedragen, waarvoor de voorlopige tenuitvoerlegging werd bevolen, uitsluit.

Hieromtrent opnieuw recht doende,

Zegt voor recht dat NV D. toegelaten wordt om de bedragen, waartoe zij bij vonnis van 26 september 2011 werd veroordeeld door de arbeidsrechtbank te Tongeren, te kantonneren, in afwachting van de verdere afhandeling van het hoger beroep ten gronde.

Verwijst de zaak voor het overige naar de bijzondere rol.

Houdt de uitspraak over de kosten aan.

Aldus gewezen door

de heer P. CEUPPENS, raadsheer, voorzitter van de kamer,

de heer, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

de heer , raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door mevrouw S. WEEKERS, griffier-hoofd van dienst,

S. WEEKERS P. CEUPPENS

en uitgesproken door voormelde voorzitter van de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend en elf.

Vrije woorden

  • Rechtswetenschap

  • recht

  • wetgeving

  • gerechtelijk recht

  • gerechtelijk privaatrecht

  • voorwerp van de vordering

  • vermelding in dagvaarding (neen)

  • vermeldingen in laatste conclusies

  • I A