- Arrest van 15 april 2011

15/04/2011 - 2010/AB/00353

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De regels van uitlegging zijn bij een dading van toepassing, zodat de rechter de gemeenschappelijke bedoeling van partijen moet nagaan, waarbij hij oog moet hebben voor de wilsverklaring van de partijen, maar waarbij hij ook een beroep kan doen op externe of extrinsieke elementen, waaronder de uitvoering die de partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven.

Bij de vermelding in de dading van een medische onkostenverzekering hebben partijen ook de terugbetaling van ambulante zorgen bedoeld, gelet op de uitvoering in het verleden van de overeenkomst in die zin.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 15 APRIL 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

H.M. , wonende te [XXX],

appellant,

vertegenwoordigd door mr. DE VALCK David, advocaat te 1730 ASSE, Broekeweg 32-34.

Tegen:

BRUSSELS INT. TRADE MART LTD & CO B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 1020 LAKEN, Atomiumsquare 1/211,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. VAN CAENEGEM Emma loco mr. LUYTEN Nancy, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 149, 11e verdieping.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 12 maart 2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 5516/07).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 12 april 2010;

- de conclusie voor de appellant, neergelegd ter griffie op 14 januari 2011,

- de conclusie en syntheseconclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 15 september 2010 en 10 februari 2011;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 18 maart 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. De heer H.M. kwam op 12 september 1984 in dienst als directeur bij de bvba Brussels International Trade Mart LTD & Co (hierna afgekort als Trade Mart).

Op 22 mei 2001 werd hij ontslagen door middel van een opzegging van 20 maanden, ingaande op 1 juni 2001.

2. Op 31 mei 2001 ondertekenden de partijen een overeenkomst van dading, waarvan artikel 4 m.b.t. het pensioenplan en de medische onkostenverzekering bepaalt:

De werkgever verbindt zich ertoe om tot de leeftijd van 65 jaar de werkgevers-bijdragen in de groepsverzekering (polis nr. C 988) en de medische onkosten-verzekering bij Fortis Verzekeringen verder te storten. De werknemer gaat akkoord met de inhouding op zijn loon van de persoonlijke bijdragen, indien deze in de toekomst wettelijk zouden verplicht worden en zoals die zijn voorzien in het reglement van de Groepsverzekering. De werkgever wordt vrijgesteld van het betalen van voornoemde premies vanaf het tijdstip van overlijden van de werknemer als dit gebeurt tussen het einde van zijn opzeggingstermijn, zoals bepaald in artikel 1, en zijn wettelijke pensioengerechtigde leeftijd.

3. Op 21 december 2004 ontving de heer H.M. een e-mail, waarin hem werd uitgelegd dat de dekking voor hospitalisatie wordt uitgebreid, maar dat met ingang van 1 januari 2005 de dekking voor de ambulante zorgen wordt stopgezet; men gaat ervan uit dat het wegvallen van de ambulante zorgen gecompenseerd wordt door de verbeteringen in het luik hospitalisatie.

Op 25 januari 2005 ontving de heer H.M. een schrijven vanwege Trade Mart, waarin dit werd bevestigd.

Op 13 januari 2005 ontving de heer H.M. vanwege Fortis AG een toelichting over de nieuwe voordelen van de hospitalisatieverzekering.

Op 14 april 2005 wees de heer H.M. op de bepalingen van de dadingovereen-komst, waaruit hij afleidt dat Trade Mart zich verbonden had de ambulante zorgen te blijven verzekeren tot de leeftijd van 65 jaar.

Op 18 mei 2005 zond hij een herinneringsbrief.

Op 13 juni 2005 antwoordde Trade Mart dat de vroegere polis nog steeds in voege was, maar aangepast werd en geoptimaliseerd.

4. Op 11 april 2007 dagvaardde de heer H.M. Trade Mart in terugbetaling van de medische kosten voor de jaren 2005 en 2006 (na tussenkomst ziekenfonds) ter waarde van euro 1.627,63, meer de gerechtelijke intresten, alsook in betaling van alle toekomstige medische kosten tot de leeftijd van 65 jaar en in betaling van een schadevergoeding van euro 2.500 wegens het niet nakomen van de verbintenissen uit de dading.

Hij breidde zijn vordering uit in betaling van de kosten 2007 en 2008, zijnde respectievelijk euro 737,24 en euro 395,31.

Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 12 maart 2010 werd deze vordering afgewezen als zijnde ontvankelijk, doch ongegrond, omdat de dading enkel voorzag in de betaling van de werkgeversbijdragen en dit niet uitsloot dat de dekking van de polis gewijzigd werd.

5. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 12 april 2010, tekende de heer H.M. hoger beroep aan en hernam hij zijn aangepaste vordering.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, dient te worden aangenomen dat het hogere beroep van de heer H.M. tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk.

2. Een dading is een contract waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen of een toekomstig geschil voorkomen (artikel 2.044 BW). Een dading is dus een consensuele overeenkomst in de zin van artikel 1.101 en 1.102 BW, zodat de regels van uitlegging, bepaald in de artikelen 1.156 tot en met 1.164 BW van toepassing zijn.

Teneinde de betwistingen naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsover-eenkomst van de heer H.M. op te lossen, hebben de heer H.M. en Trade Mart op 31 mei 2001 een dading afgesloten waaruit onder meer volgt dat Trade Mart zich verbond om ten voordele van de heer H.M. tot de leeftijd van 65 jaar de werkgeversbijdragen in de groepsverzekering (polis nr. C988) en de medische onkostenverzekering bij Fortis Verzekeringen verder te storten.

Niet betwist wordt dat deze medische onkostenverzekering o.m. betrekking had op terugbetaling van ambulante zorgen, wat voor de heer H.M. van belang was gelet op zijn gezondheidstoestand.

Volgens Trade Mart was deze polis al sinds 1988 in voege. Deze polis was zo gekend door partijen (zie stuk 16 van de heer H.M. - Memorandum van 5 februari 1988 i.v.m. verzekeringen personeel).

Tot en met 2004 werden overigens de kosten van de heer H.M. in verband met ambulante zorgen als gevolg van deze polis en als gevolg van de dading terugbetaald.

3. Op grond van artikel 1.156 BW moet men in de overeenkomsten nagaan welke de gemeenschappelijke bedoeling van de contracterende partijen is geweest, veeleer dan zich aan de letterlijke zin van de woorden te houden.

Dit houdt in dat de werkelijke bedoeling primeert en dat de rechter deze moet nagaan, waarbij hij oog moet hebben voor de wilsverklaring van de partijen, (Cass. 24 maart 1988, Arr. Cass. 1987-88, 972; Cass. 10 januari 1994, Arr. Cass. 1994, 16) maar dat hij ook een beroep kan doen op externe of extrinsieke elementen, waaronder de uitvoering die de partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven (W. De Bondt, Uitlegging van overeenkomsten naar de geest: mogelijkheden, grenzen en alternatieven, RW 1996-97, 1002; Cass. 3 december 1953, Pas 1954, I, 271).

Aangezien vaststaat dat de in de dading bedoelde medische onkostenverzekering een dekking voor ambulante zorgen inhield, en er overigens in de dading niet gesproken wordt over een hospitalisatieverzekering, was het de bedoeling van de partijen dat Trade Mart werkgeversbijdragen betaalde voor een dergelijke verzekering, waardoor de heer H.M. terugbetaling van zijn ambulante zorgen kon bekomen.

Dit wordt bevestigd door het memorandum van 5 februari 1988 en de uitvoering van deze overeenkomst tot en met 2004.

De uitvoering te goeder trouw van de dadingovereenkomst hield in dat de heer H.M. het voordeel van een dergelijke waarborg behield.

Uit de e-mail van 21 december 2004 volgt dat het laten wegvallen van de dekking ambulante zorgen ten voordele van een uitbreiding van de hospitalisatieverzekering het gevolg is van een analyse door Trade Mart van hun diverse verzekerings-polissen, zodat het om een eigen beslissing gaat, terwijl uit dezelfde e-mail geen onmogelijkheid blijkt om een dergelijke dekking op de markt te vinden, zij het dat de e-mail wel suggereert dat dit moeilijker is geworden.

Evenmin brengt Trade Mart een opzegging door Fortis van de oorspronkelijke medische onkostenverzekering voor.

Er is dan ook geen enkel bewijs van een mogelijke vreemde oorzaak, overmacht of toeval in de zin van de art. 1.147 en/of 1.148 BW.

4. Aldus vordert de heer H.M. terecht vergoeding van de schade, die hij lijdt door het niet betalen van de werkgeversbijdragen voor de medische onkostenverzekering.

Deze schade wordt door de heer H.M. becijferd op euro 2.760,18 en hij verantwoordt deze door zijn stukken 12 tot en met 15.

Overigens wordt de begroting van de schade door Trade Mart als dusdanig niet betwist.

Bijkomend vraagt de heer H.M. een schadevergoeding van euro 2.500 wegens het niet nakomen van de verbintenissen voorkomend uit de dadingovereenkomst. Deze bijkomende schade is niet bewezen. De reële schade beperkt zich immers tot de kosten van ambulante verzorging, die niet terugbetaald werden door de mutualiteit tussen 1 januari 2005 en 31 augustus 2008.

Het hoger beroep is dan ook gedeeltelijk gegrond.

5. Gelet op het feit dat beide partijen gedeeltelijk in het gelijk en in het ongelijk zijn gesteld, dienen de gerechtskosten te worden gecompenseerd.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond,

Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende,

verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Veroordeelt de bvba Brussels International Trade Mart LTD & Co tot betaling aan de heer H.M. van een bedrag van 2.760,18 euro, vermeerderd met de vergoedende en gerechtelijke intresten

• Op euro 855,07 vanaf 1 januari 2006

• Op euro 772,56 vanaf 1 januari 2007

• Op euro 737,24 vanaf 1 januari 2008

• Op euro 395,31 vanaf 31 augustus 2008.

Wijst het meergevorderde af.

Compenseert de gerechtskosten van beide aanleggen en veroordeelt de bvba Brussels International Trade Mart LTD & Co tot betaling van de dagvaardingskosten of euro 105,63 aan de heer H.M. en zegt dat elke partij haar eigen rechtsplegings-vergoedingen zal dragen.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Georges JACOBS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hugo ENGELEN, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Georges JACOBS, Hugo ENGELEN.

De heer Engelen, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen.

Overeenkomstig artikel 785 Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest ondertekend door L. Lenaerts, kamervoorzitter en G. Jacobs, raadsheer in sociale zaken, als werkgever.

Kelly Cuvelier, griffier.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 15 april 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Vrije woorden

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • BURGERLIJK RECHT

  • Gemeenschappelijke wil partijen.