- Arrest van 7 oktober 2011

07/10/2011 - 2010/AB/650

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

1. Een klant die aan een werknemer een betaling voor de werkgever doet, geeft geen gelden aan de werknemer in bewaring. De werknemer-aangestelde wordt niet geacht bewaarder te zijn omdat hij de zaken niet voor zijn eigen rekening bekomt, maar voor rekening van de werkgever ontvangt. De regels i.v.m. de bewijslast voor de bewaargeving zijn niet van toepassing.

2. Bij een aansprakelijkheidsvordering op grond van art. 18 Arbeidsovereenkomstenwet moet de werkgever volgens de regels van het verbintenissenrecht de fout bewijzen, alsook de schade en het oorzakelijk verband; maar tevens moet hij aantonen dat er bedrog voorhanden is, zware schuld of gewoonlijk voorkomende lichte schuld.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 OKTOBER 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

D.L. ,

appellant,

verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. LAUWERS Dries, advocaat te 8800 ROESELARE, Bornstraat 42.

Tegen:

FONCIA REM CATEL NV, met maatschappelijke zetel te

1060 BRUSSEL, Charleroisesteenweg 138,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr . VANDENDRIESCHE Steven loco mr. STOOP Christian, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Entrepotkaai 9.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 15 juni 2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 10540/08).

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 8 juli 2010;

de conclusie en de syntheseconclusie voor de appellant neergelegd ter griffie, respectievelijk op 17 januari 2011 en 16 mei 2011,

de conclusie en de syntheseconclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 19 november 2010, 16 maart 2011 en 27 juni 2011;

de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 9 september 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. De heer D.L. kwam op 27 juli 2007 als bediende in dienst van de N.V. Foncia Rem Catel (hierna afgekort als Foncia) met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd en een proefperiode van 6 maanden. Hij had de functie van vastgoedconsultant.

Op vrijdag 7 september 2007 diende de heer D.L. een verkoop te finaliseren met ondertekening van een verkoopcompromis, waarbij de klant een voorschot van

euro 5.500 in contanten betaalde, niettegenstaande aan de klant gevraagd was deze betaling te doen via een bankcheque.

De heer D.L. heeft dit voorschot in het bureel gelaten en het opgeborgen onder zijn papieren schrijfonderlegger, naar zijn zeggen nadat hij dit in die zin telefonisch besproken had met de heer Louzé van Foncia; de werkgever werpt tegen dat de heer D.L. dit voorhoudt zonder dit te bewijzen en dat dit volkomen ten onrechte is.

Het was de bedoeling om deze gelden op de volgende werkdag te storten op de waarborgrekening.

De heer D.L. was echter vanaf 10 september 2007 afwezig wegens arbeidsongeschiktheid en zijn arbeidsovereenkomst werd op 21 september 2007 beëindigd bij toepassing van artikel 79 van de arbeidsovereenkomstenwet.

2. Bij aangetekende brief van de raadsman van Foncia van 25 september 2007 werd de heer D.L. in gebreke gesteld om de verkoopcompromis over te maken en het voorschot van euro 5.500 over te schrijven op de derderekening van de raadsman.

3. Op 29 februari 2008 dagvaardde Foncia de heer D.L. voor de arbeidsrechtbank te Brussel in betaling van de som van euro 5.500 meer de verwijlintresten, de gerechtelijke intresten en de kosten.

De heer D.L. liet verstek en hij werd veroordeeld overeenkomstig de dagvaarding bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 15 april 2008.

Dit verstekvonnis werd betekend op 6 juni 2008.

4. Bij dagvaarding van 3 juli 2008 heeft de heer D.L. verzet aangetekend tegen dit verstekvonnis om de oorspronkelijke vordering te horen afwijzen als onontvankelijk en ongegrond.

Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 15 juni 2010 werd het verzet ongegrond verklaard en werd het verstekvonnis bevestigd.

5. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 8 juli 2010, tekende de heer D.L. hoger beroep aan en vorderde dat de oorspronkelijke vordering zou worden afgewezen als zijnde ongegrond met veroordeling van Foncia tot de gerechtskosten.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hogere beroep van de heer D.L. tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk.

2. De heer D.L. houdt voor dat hem geen fout in de zin van artikel 18 van de arbeidsovereenkomstenwet kan ten laste gelegd worden.

De bewijslast voor een dergelijke fout rust op de werkgever.

Foncia benadrukt dat de heer Dekeyzer de gelden van de klant in bewaring heeft genomen en dat de teruggave van de gelden aan de werkgever een resultaats-verbintenis is, waarbij het bewijs van de teruggave op de heer D.L. rust; alleszins heeft de heer D.L. door het niet veilig opbergen van de gelden een fout gemaakt in de zin van artikel 18 van de arbeidsovereenkomstenwet.

Bewaargeving?

3. Op grond van artikel 1915 BW is bewaargeving een handeling waarbij men de zaak van een ander aanneemt onder verplichting om die te bewaren en in natura terug te geven.

In deze zaak heeft de werkgever geen gelden aan de heer D.L. in bewaring gegeven, waarbij betrokkenen de gelden aannam onder verplichting om die te bewaren en in natura terug te geven.

Het is de klant die in het kader van de koopovereenkomst een voorschot in contanten heeft betaald aan de werkgever, vertegenwoordigd door de heer D.L., die de gelden in de lokalen van de werkgever heeft achtergelaten en die geenszins deze gelden heeft aangenomen om ze persoonlijk te bewaren en om ze nadien in natura terug te geven.

De klant deed een betaling en gaf geen gelden in bewaring.

De aangestelde-werknemer wordt niet geacht bewaarder te zijn omdat hij de zaken van zijn werkgever niet voor zijn eigen rekening gebruikt maar voor rekening van de werkgever ontvangt, die de bevoegdheid bezit om er toezicht, leiding en controle op uit te oefenen (D. Cuypers, De aansprakelijkheid van de werknemer, Or. 1992, 265-266 en de rechtsleer en rechtspraak daar aangehaald in voetnoot 191).

De regels van de bewaargeving zijn dan ook niet van toepassing.

Uitvoering van de arbeidsovereenkomst

4. De heer D.L. vervulde op 7 september 2007 zijn functie als vastgoed-consultant in dienst bij Foncia, zodat zijn aansprakelijkheid ten aanzien van de werkgever moet worden beoordeeld vanuit artikel 18 van de arbeidsovereenkomsten-wet.

5. Hij is aldus enkel aansprakelijk voor schade berokkend aan zijn werkgever bij bedrog, zware schuld, of herhaaldelijk voorkomende lichte schuld.

Deze bepaling is van dwingend recht. (D. Cuypers, De aansprakelijkheid van de werknemer, Or. 1992, 256) De werkgever moet volgens de regels van het verbintenissenrecht de fout bewijzen, alsook de schade en het oorzakelijk verband; maar tevens moet hij aantonen dat er bedrog voorhanden is, zware schuld of gewoonlijk voorkomende lichte schuld (J. Steyaert, C. De Ganck en L. De Schrijver, Arbeidsovereenkomst in APR, 1990, 155, nr. 209. 3).

Bij beheersfouten, kastekorten en verdwijningen van materiaal houdt de werkgever de werknemer dikwijls aansprakelijk, maar de rechtspraak heeft in vele gevallen wegens een gebrek aan voldoende bewijs deze aansprakelijkheid afgewezen (F. Lagasse en M. Milde, La responsabilité du travailleur, Ors. 1993, 65 en de diverse uitspraken die door deze auteurs worden geanalyseerd).

6. Foncia tracht via de beginselen rond de bewaargeving aan te tonen dat de heer D.L. de bewijslast heeft - zij ontkent alles wat de heer D.L. voorhoudt en roept in dat hij dit niet bewijst -, maar zij brengt zelf bijzonder weinig gegevens aan in verband met mogelijk bedrog of zware fout. Herhaaldelijk voorkomende lichte fout is hier niet van toepassing, daar de heer D.L. pas was aangeworven en het om een eenmalige gebeurtenis gaat.

Wel erkent Foncia dat zij de heer D.L. niet van diefstal beschuldigt (zie syntheseberoepsbesluiten, p. 7, nr. 2), zodat aan betrokkene geen bedrieglijk wegnemen wordt verweten.

Foncia verwijt aan de heer D.L. dat hij de gelden op het bureau achtergelaten heeft onder de schrijfonderlegger en dat er betere alternatieven waren in functie van de veiligheid.

Over die alternatieven beperken partijen zich opnieuw tot het doorschuiven van de bewijslast naar de andere.

Foncia erkent in haar syntheseberoepsbesluiten (p.2, I.1) dat het ontvangen van gelden in de dagdagelijkse afhandeling van de taak van de heer D.L. en van zijn collega's meer voorkwam, maar ze blijft volledig in gebreke om de interne regels en handelwijzen hierover te preciseren; ook ter zitting kan het hof hierover geen informatie bekomen.

Zodoende bewijst de werkgever geen zware fout.

Niettemin houdt de heer D.L. voor dat hij als beginneling aldus gehandeld heeft nadat hij dit telefonisch besproken had met de heer Thomas Louzé.

Ongeacht de betwisting hierover, mocht de heer D.L., die in zijn proefperiode was, verwachten dat hem duidelijke richtlijnen werden kenbaar gemaakt; hij verwachtte dat de klant met een bankcheque zou betalen en dit zou ook aan de klant gevraagd zijn.

Foncia blijft dan ook volledig in gebreke om aan te tonen dat de heer D.L. zich zou schuldig gemaakt hebben aan bedrog of zware schuld.

Er lijkt geen betwisting te bestaan over het feit dat de heer D.L. zich zelf de gelden niet heeft toegeëigend, zodat kan aangenomen worden dat de gelden bij de werkgever gebleven zijn. Wat er na de dagtaak en tijdens de ziekte van de heer D.L. verder met de gelden is gebeurd en wat de concrete omstandigheden waren om een zware fout in te roepen, blijft volledig in het duister.

De werkgever bewijst dan ook niet een gekwalificeerde fout in de zin van artikel 18 van de arbeidsovereenkomstenwet.

Hierdoor is de vordering van Foncia ongegrond; het hoger beroep is gegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, en gegrond,

Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende;

Verklaart het verzet ontvankelijk en gegrond;

verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Legt de gerechtskosten ten laste van de N.V. Foncia Rem Catel,

deze aan de zijde van beide partijen begroot op

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 900, doch door het hof wegens indexatie vereffend op euro 990

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 900, doch door het hof wegens indexatie vereffend op euro 990

totaal euro 1.980.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Lucrèce REYBROECK, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Daniël HEYVAERT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Lucrèce REYBROECK, Daniël HEYVAERT.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 7 oktober 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Geldsom in betaling afgegeven aan de werknemer voor rekening van de werkgever

  • Geen bewaargeving

  • Aansprakelijkheid van de werknemer

  • Bewijslast.