- Arrest van 28 oktober 2011

28/10/2011 - 2008/AB/51.556

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 3 van de Wet Colla en art. 16 van de Wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen doen geen afbreuk aan de beginselen van de arbeidsovereenkomstenwet, meer bepaald artikel 25, en aan artikel 1134 B.W.

Een wijziging is mogelijk wanneer in een pensioenreglement of - overeenkomst een wijzigingsclausule is opgenomen, die op een voorzichtige wijze en te goeder trouw moet worden toegepast.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 28 OKTOBER 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

Tegensprekelijk t.a.v. appellante en geïntimeerde; bij verstek t.a.v. de partij in tussenkomst en gemeenverklaring

aanstelling deskundige

In de zaak:

CVOA PARI MUTUEL UNIFIE BELGE SC AUXILIAIRE DES SOCIETES ORGANISATRICES DE COURSES DE CHEVAUX,

afgekort C.V. AUXILIAIRE PMU BELGE, met maatschappelijke zetel te

1020 BRUSSEL, Laneaustraat 119,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. VANDEN ABEELE A. loco mr. BEAUFILS Nadine, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg, 166.

Tegen:

V. B. L.,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. SIMEONS Veerle, advocaat te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29 bus 1.

En gedagvaarde partij in tussenkomst en gemeenverklaring:

FORTIS INSURANCE BELGIUM NV,

met zetel te 1000 BRUSSEL, Emile Jacqmainlaan, 53,

partij in tussenkomst en gemeenverklaring,

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het tussenarrest van het hof van 7 januari 2011;

- de conclusie na tussenarrest voor de appellante, neergelegd ter griffie op 15 maart 2011,

- de conclusie na tussenarrest voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 13 mei 2011;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 30 september 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

1. Het hof heeft in het tussenarrest van 7 januari 2011 een overzicht gegeven van de relevante feiten en van de rechtspleging, waarnaar kan worden verwezen.

In essentie ligt de vraag voor in hoeverre de werkgever eenzijdig een wijziging kon aanbrengen in de groepsverzekering. Appellante wijst daartoe op artikel 3 van de Wet van 6 april 1995 betreffende de aanvullende pensioenen (de zgn. Wet Colla) en artikel 15 van de groepsverzekeringsovereenkomst van 5 september 1977.

Het hof heeft daarbij tevens de aandacht gevestigd op de Ministeriële Omzendbrief van 2 augustus 1996 ter verduidelijking van sommige begrippen en bepalingen uit de wet van 6 april 1995 betreffende de aanvullende pensioenen (BS 7 augustus 1996), waarin wordt duidelijk gemaakt dat de wijziging, bedoeld in artikel 3 van de Wet Colla, geen afbreuk doet aan de bepalingen van de arbeidsovereenkomstenwet, waaronder artikel 25, noch aan artikel 1134 BW.

De debatten werden heropend om PMU de mogelijkheid te geven de goedkeuringsbeslissing van de Toezichtsoverheid der Levensverzekerings-ondernemingen voor te brengen, omdat deze goedkeuring in artikel 15 van het groepsverzekeringsreglement als voorwaarde gesteld wordt voor een eventuele wijziging.

Tevens was er onenigheid over de vraag of de groepsverzekering ook van toepassing was op de arbeiders in de onderneming, wat van belang is in het licht van artikel 3 van de Wet Colla, dat stelt dat ingeval van een persoonlijke bijdrage een wijziging slechts mogelijk is bij CAO of bij wijziging van het arbeidsreglement, indien de pensioentoezegging voor alle werknemers van de onderneming geldt.

Verder werd PMU uitgenodigd om alle documenten in verband met de contractuele afspraken in verband met een arbeidsovereenkomst van de heer Van Belle voor te brengen.

Tenslotte werden de partijen uitgenodigd om hun onderlinge cijfermatige discussies in de mate van het mogelijke uit te klaren.

2. PMU brengt onder haar nieuwe stukken 12 tot en met 15 de individuele rekeningen voor van 4 arbeiders, waaruit kan afgeleid worden dat er voor hen geen bijdragen voor de groepsverzekering werden afgehouden of vermeld, zodat aangetoond is dat er wel degelijk arbeiders in dienst waren voor wie geen aanvullend pensioen was voorzien.

Hieruit volgt dat artikel 3 §2 van de wet Colla niet van toepassing is.

De e-mail van de heer S. D. van Fortis Employee Benefits van 2 november 2004 bevestigt de wijziging van het ‘te bereiken doel' systeem naar een ‘vaste lasten' systeem per 1 januari 2001 en dit op vraag van PMU en schetst de nieuwe situatie tengevolge hiervan; deze e-mail verwijst ook naar artikel 3 §2 van de wet Colla (nieuw stuk 17 van PMU).

PMU brengt verder een verklaring van Fortis AG d.d. 29 maart 2002 voor, waarin bevestigd wordt dat de nieuwe bijdragen voldoen aan de fiscale 80% regel (nieuw stuk 16).

3. Er wordt door PMU echter geen goedkeuringsbeslissing van de Toezichtsoverheid der Levensverzekeringsondernemingen voorgebracht.

Nochtans wordt het wijzigingsrecht van de werkgever in artikel 15.1 van het groepsverzekeringsreglement van 5 september 1977 uitdrukkelijk afhankelijk gemaakt van deze goedkeuring.

PMU bewijst dan ook niet dat ze voldaan heeft aan deze voorwaarde van het reglement, zodat de heer V. B. terecht de eenzijdige wijziging betwist.

4. Dit is des te meer zo daar artikel 3 van de Wet Colla geen afbreuk doet aan de beginselen van de arbeidsovereenkomstenwet, meer bepaald artikel 25, en aan artikel 1134 B.W.

Zo wordt in de bovenvermelde ministeriële omzendbrief van 2 augustus 1996 gewezen op het feit dat de bestanddelen van het pensioenstelsel in de regel als loon kunnen worden gekwalificeerd, zodat ze beschouwd worden als een essentiële arbeidsvoorwaarde.

Dit heeft zijn belang in het licht van het (eenzijdig) wijzigingsrecht ingevolge artikel 25 van de arbeidsovereenkomstenwet, dat het beding nietig verklaart waarbij de werkgever zich het recht voorbehoudt om de voorwaarden van de overeenkomst eenzijdig te wijzigen. In die zin geeft de omzendbrief de aanbeveling om bij wijziging van het stelsel van een aanvullend pensioen het individueel akkoord van de betrokken werknemer te vragen.

Door PMU worden geen stukken voorgebracht waaruit zou kunnen blijken dat dit akkoord gevraagd en bekomen werd.

5. Ook bij de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen kwam de vraag aan de orde over de relatie tussen de wijzigingsbepaling enerzijds en artikel 1134 B.W. en artikel 25 van de arbeidsovereenkomstenwet anderzijds.

Tijdens de bespreking in de Kamercommissie verklaarde de minister dat deze laatste bepalingen onverkort van toepassing blijven en dat in beginsel de werkgever zijn toezegging niet kan wijzigen zonder het akkoord van de aangeslotenen.

Maar hij voegde eraan toe:

Evenwel wordt algemeen aanvaard dat zulks wel kan wanneer in een pensioenreglement of - overeenkomst een wijzigingsclausule is opgenomen.

Om geldig te zijn moet die clausule wel de voorwaarden of omstandigheden (bijvoorbeeld economische moeilijkheden) omschrijven waarin de werkgever de toezegging mag wijzigen. Indien echter die voorwaarden of omstandigheden zo vaag en ruim zijn geformuleerd dat die clausule de werkgever een recht verleent om de toezegging eenzijdig en willekeurig te wijzigen dan kan ze door een rechter als zuiver potestatief... worden gekwalificeerd.

Indien een geldig wijzigingsbeding is voorzien dan mag de werkgever die clausule maar toepassen wanneer de erin omschreven omstandigheden zich werkelijk voordoen. Bovendien dient dat beding op een voorzichtige wijze en ter goeder trouw te worden toegepast. De wijziging geldt ten slotte enkel voor de toekomst; er mag immers niet geraakt worden aan de verworven rechten voor het verleden (Parl. St. Kamer, 2000-01, 1340/5, 52; zie hierover meer in V. Pertry en F. Delogne, Nieuwe wet aanvullende pensioenen ( N.W.A.P.) - Sociaalrechtelijke aspecten, JTT 2004, 278, nr. 28-29).

Hieruit kan alleszins afgeleid worden dat de voorwaarden van het pensioenreglement in verband met de wijziging correct moeten worden nageleefd.

6. Hieruit vloeit voort dat door het ontbreken van enig bewijs i.v.m. de goedkeuring van de Toezichtsoverheid der Levensverzekeringsondernemingen, zoals voorzien in artikel 15 van het pensioenreglement, de wijziging niet kan worden aanvaard.

Terecht maakt de heer V. B. dan ook aanspraak op een schadevergoeding voor de schade die hij geleden heeft door de niet correcte doorstorting van de persoonlijke en werkgeversbijdragen in de groepsverzekering voor de periode van januari 2000 tot 31 december 2004, daar de wijziging reeds vanaf die datum - en dus voor een deel retroactief - blijkt te zijn toegepast.

Het hof heeft in het tussenarrest van 7 januari 2011 de partijen uitdrukkelijk uitgenodigd om tot een onderlinge afrekening te komen, maar hieraan werd geen gevolg gegeven.

Er dient dan ook een deskundige te worden aangesteld voor een correcte begroting van de voorgehouden schade.

7. Zoals reeds aangegeven in het tussenarrest van 7 januari 2011 (I.1 en 2) is PMU het aanvankelijke bedrag van de persoonlijke bijdragen ( euro 116,26) blijven inhouden, terwijl nochtans slechts het verminderde gewijzigde bedrag aan de groeps-verzekeringsmaatschappij werd doorgestort en dit voor de periode van januari 2000 tot april 2003 ( euro 32,50 voor 2000, euro 34,28 voor 2001 en 2002 en 34,98 voor 2003) dit kan afgeleid worden uit een vergelijking van de loonfiches (stukken 9 van de heer V. B.) met de jaarlijkse overzichten van de groepsverzekering (stukken 10).

Dit wordt door PMU niet betwist, want zij stortte op 11 januari 2005 een bedrag van

euro 1.680,36 terug.

De heer V. B. toont echter met de bovenvermelde documenten aan dat er in werkelijkheid een bedrag van euro 2.935,50 ten onrechte werd ingehouden, zodat samen met de eerste rechter zijn afrekening kan worden bijgetreden. Hij heeft nog recht op een saldo van euro 1.255,14 en op intresten ten bedrage van euro 155,20.

Hij heeft tevens recht op afgifte van de aangepaste sociale en fiscale bescheiden.

Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.

8. Tevens toont de heer V. B. met zijn stuk 13 aan dat hij onkosten maakte en dat op basis van dit document maandelijks deze onkosten aan hem werden terugbetaald.

Dit gebeurde niet voor de periode van mei tot november 2004, zodat hij terecht aanspraak maakt op een achterstallig bedrag van euro 155,20.

Ook op dit punt is het hoger beroep ongegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Het tussenarrest van 7 januari 2011 verder uitwerkend,

Verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het vonnis van de eerste rechter wat betreft de betaling van het saldo ten onrechte ingehouden loon ( euro 1.255,14), de intresten op het teruggestort bedrag ( euro 423,23) en de terugbetaling van kosten ( euro 155,20), meer de intresten en wat betreft de afgifte van de aangepaste loonfiche en fiscale fiche;

Verklaart het hoger beroep eveneens ongegrond en bevestigt het vonnis van de eerste rechter in de mate dat hierin gezegd wordt voor recht dat de heer Van Belle in beginsel gerechtigd is op een schadevergoeding met betrekking tot zijn extra legaal pensioen;

Gelet op de devolutieve kracht van het hoger beroep, trekt de zaak verder aan zich en alvorens verder recht te doen,

Duidt als deskundige aan: actuaris Veerle Nicolai Duboisstraat 43 2060 Antwerpen.

A. De opdracht van de deskundige:

De deskundige heeft als opdracht:

- kennis te nemen van het dossier en de stukken haar door de partijen te bezorgen of elk ander stuk dat zij zelf nuttig zal acht om er voor een goede vervulling van haar opdracht ambtshalve kennis van te nemen,

- te trachten door verzoening partijen tot een minnelijke oplossing over de bepaling van de terug te betalen bedragen te bewegen;

- een ontwerp van volledige afrekening op te maken en hierover aan het hof advies te geven, wat betreft de schade die de heer V. B. heeft geleden door de niet correcte doorstorting van de persoonlijke en de werkgeversbijdragen in de groepsverzekering voor de periode van januari 2000 tot 31 december 2004

- te antwoorden op alle nuttige en ter zake dienende vragen die haar door de betrokken partijen worden gesteld;

De deskundige wordt gemachtigd de aanvullende onderzoeken die zij noodzakelijk acht te laten uitvoeren door een specialist van haar keuze, mits zij alle partijen, vóór de aanvang van deze tussenkomst, hiervan op de hoogte brengt.

B. De eventuele weigering van de opdracht en de inwerkingstelling van het deskundig onderzoek.

Te rekenen vanaf de kennisgeving van het arrest door de griffie beschikt de deskundige over een termijn van acht dagen om:

- op gemotiveerde wijze de haar toevertrouwde opdracht te weigeren, wanneer zij zulks wenst;

- de plaats, de dag en het uur van de aanvang van de werkzaamheden mede te delen.

De deskundige zal de partijen verwittigen per aangetekende brief, en de rechter en de raadslieden bij gewone brief.

C. Het verdere verloop van het deskundig onderzoek.

Bij de aanvang van het onderzoek zullen de partijen aan de deskundige hun volledig en geïnventariseerd dossier meedelen. Zij zullen aan de deskundige eveneens de namen van de juridische en technische raadslieden, die hen bijstaan, bekend maken.

Tenzij zij daarvan uitdrukkelijk wordt vrijgesteld, zal de deskundige, met het oog op de verdere werkzaamheden van het deskundig onderzoek, de partijen oproepen bij aangetekend schrijven, en de raadslieden en de rechter bij gewone brief.

Op het einde van haar werkzaamheden zal de deskundige aan de rechter, de partijen en hun raadslieden haar vaststellingen toezenden, waarbij zij een voorlopig verslag voegt.

De partijen beschikken over een termijn van één maand na de mededeling van dit verslag om hun opmerkingen op dit verslag mede te delen. Wanneer zij dit wenselijk acht kan de deskundige echter een andere redelijke termijn vaststellen, waarbinnen de partijen hun opmerkingen dienen mede te delen.

De deskundige zal geen rekening houden met de opmerkingen die zij ontvangt buiten de termijn, die aan de partijen gegeven werd om hun opmerkingen te formuleren.

Het eindverslag zal gedateerd zijn en melding maken van de aanwezigheid van de partijen bij de werkzaamheden en van hun mondelinge verklaringen en verzoeken.

Het eindverslag zal verder een overzicht bevatten van de nota's en documenten die door de partijen overhandigd zijn.

Het eindverslag dient door de deskundige op straffe van nietigheid ondertekend te zijn.

De handtekening van de deskundige zal, op straffe van nietigheid, voorafgegaan moeten worden door de volgende eed:

"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb".

De minuut van het eindverslag, de stukken en de nota's van de partijen en de gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon van de deskundige worden ter griffie van het arbeidshof neergelegd.

Op de dag van de neerlegging van het verslag zendt de deskundige een afschrift van het verslag en van de gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon, aan de partijen per aangetekend schrijven, en aan hun raadslieden bij gewone brief.

D. De termijn voor neerlegging van het verslag en de eventuele verlenging.

Het eindverslag moet neergelegd worden binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van het arrest.

Enkel de rechter kan de termijn voor het neerleggen van het verslag verlengen.

Indien de deskundige haar verslag niet kan neerleggen binnen de vastgestelde termijn, dan zal zij bij gemotiveerd schrijven aan het hof om een verlenging van de termijn dienen te verzoeken.

Indien de neerlegging van het verslag niet binnen de vastgestelde termijn kan gebeuren, dan zal de deskundige, om de zes maanden, een tussentijds verslag over de vooruitgang van haar werkzaamheden meedelen aan de rechter, de partijen en hun raadslieden.

E. De kosten en het ereloon van de deskundige.

Bij toepassing van artikel 987 Ger. Wetboek wordt appellante aangeduid als de partij die een voorschot dient te consigneren voor de kosten van de expertise. Dit voorschot wordt bij aanvang bepaald op euro 1.500 en zal worden geconsigneerd op het rekeningnummer 679-2009068-04 tegen uiterlijk 1 december 2011.

Samen met het eindverslag zal de deskundige haar staat van kosten en ereloon neerleggen.

De gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon van de specialisten, die door de deskundige geraadpleegd werden, zal toegevoegd worden aan het eindverslag en de deskundige zal het bedrag ervan opnemen in haar globale staat.

Indien de partijen binnen de 15 dagen na de neerlegging van de gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon hun akkoord bevestigen met het bedrag van de staat, dan zullen de kosten en het ereloon door de rechter begroot worden op de minuut van de staat. Een uitvoerbare titel, overeenkomstig het tussengekomen akkoord, zal daarvan afgeleverd worden.

Indien de partijen niet binnen de gestelde termijn hun akkoord bevestigd hebben met de staat van de kosten en het ereloon, kunnen de deskundige of de partijen aan de rechter vragen dat hij tot de begroting van de staat overgaat.

De kosten zullen begroot worden in het eindarrest als gerechtskosten.

F. Diverse.

Alle betwistingen, die zich in het de loop van het deskundig onderzoek voordoen, worden beslecht door de rechter. De deskundige en de partijen richten zich tot het hof in een gemotiveerd schrijven.

Voor de toepassing van artikel 973 van het Gerechtelijk Wetboek en van al de andere artikelen van dit Wetboek met betrekking tot het deskundig onderzoek waarin de tussenkomst van de rechter voorzien wordt, dient beschouwd te worden als "de rechter die het deskundig onderzoek bevolen heeft", of "de met dit doel aangestelde rechter" of nog " de rechter":

- de raadsheren, die de 3e kamer van het hof samenstelden op de zitting waarop het arrest werd uitgesproken;

- ingeval van afwezigheid van een sociaal raadsheer: de beroepsmagistraat die alleen zetelt;

- de beroepsmagistraat die de kamer voorzit op het ogenblik dat de betwisting met betrekking tot het deskundig onderzoek ontstaat;

- de beroepsmagistraat, aangeduid in het interne reglement van het arbeidshof voor het gerechtelijk jaar.

De zaak zal na afloop van het deskundig onderzoek terug op de zittingsrol moeten gebracht worden door de meest gerede partij.

Verklaart het arrest gemeen aan de NV Fortis Insurance Belgium.

De kosten worden aangehouden.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Lucrèce REYBROECK, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Andre LEURS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Lucrèce REYBROECK, Andre LEURS.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 28 oktober 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Vrije woorden

  • arbeidsovereenkomsten

  • Aanvullende pensioenen

  • WAP 28 april 2003

  • Wijziging