- Arrest van 24 januari 2012

24/01/2012 - 2010/AA/356

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Aangezien de bodemrechters geen uitspraak hebben gedaan over de vordering ten aanzien van de mutualiteit en enkel ten aanzien van het RIZIV en dus geen veroordeling hebben uitgesproken lastens eerstgenoemde, kan het arrest dat wordt uitgesproken ingevolge het hoger beroep van het RIZIV ten uitvoer gelegd worden zonder de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis volstrekt te beletten zodat er geen onsplitsbaarheid kan weerhouden worden in de zin van artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek.


Arrest - Integrale tekst

Eindarrest op tegenspraak.

Vierde Kamer.

Ziekteverzekering.

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Antwerpen

ARREST A.R. 2010/AA/356

OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIERENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN TWAALF

In de zaak:

RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDI-TEITSVERZEKERING,

openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211,

appellant,

op de zitting vertegenwoordigd door mr. D. H., loco mr. L. V., advocaat te 2230 Herselt,

tegen:

Y. V.,

geïntimeerde,

op de zitting vertegenwoordigd door mr. E. H., loco mr. I. V., advocaat te 2000 Antwerpen.

Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het volgend arrest uit.

1. Procedure

Het arbeidshof heeft kennisgenomen van de volgende stukken van rechtspleging:

- het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 8 september 2010, 24 mei 2011, 8 november 2011, 22 november 2011 en 13 december 2011;

- het eensluidend verklaard afschrift van het tussenvonnis (aanstelling geneesheer-deskundige), gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 15 mei 2009 (A.R. nr. 08/1873/A);

- het definitief deskundig verslag van Dr. C. Vandervoort, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 10 december 2009;

- het eensluidend verklaard afschrift van het eindvonnis, gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 21 mei 2010 (A.R. nr. 08/1873/A);

- het verzoekschrift tot hoger beroep tegen het vonnis van 21 mei 2010, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 21 juni 2010;

- de ‘beroepsconclusie' voor geïntimeerde d.d. 13 december 2010, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 13 december 2010;

- de ‘beroepsconclusie' voor geïntimeerde d.d. 7 november 2011, per fax ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 8 november 2011 en neergelegd ter openbare terechtzitting van 8 november 2011;

- de 'beroepsconclusie' voor appellant d.d. 7 november 2011, per fax ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 8 november 2011 en neergelegd ter openbare terechtzitting van 8 november 2011;

- de ‘syntheseberoepsconclusie' voor appellant d.d. 10 november 2011, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 14 november 2011;

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 13 december 2011, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, §3, eerste lid Ger.W. aan partijen werd verzonden op dezelfde datum.

Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van:

- het administratief dossier van het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeitsverzekering (stuk 4 dossier arbeidsauditoraat Turnhout);

- het administratief dossier van De Voorzorg, Socialistische Mutualiteit van de provincie Antwerpen (stuk 3 dossier arbeidsauditoraat Turnhout).

Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord op de openbare terechtzittingen van 8 november 2011 en 22 november 2011. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 13 december 2011 en is de zaak, na het verstrijken van de repliektermijn, in beraad genomen.

2. Feiten en voorgaande rechtspleging

Mevrouw Y. V. werd arbeidsongeschikt erkend vanaf 25 april 2006 wegens rugproblemen.

Na een medisch onderzoek van 8 september 2008 oordeelde de gewestelijke commissie van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit van de provincie Antwerpen dat Y. V. vanaf 15 september 2008 niet meer arbeidsongeschikt was zoals bedoeld in artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.

In de administratieve beslissing van 8 september 2008 van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit wordt verduidelijkt dat de letsels of functionele stoornissen die betrokkene vertoont geen vermindering van 2/3 van haar verdienvermogen met zich meebrengen in de beroepencategorie waartoe zij behoort of in de verschillende referentieberoepen zoals gesteld in artikel 100, §1 van voormelde gecoördineerde wet; zij zou nog in aanmerking komen voor rugsparend werk.

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 25 september 2008, tekende Y. V. verhaal aan tegen voormelde administratieve beslissing.

Bij vonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 15 mei 2009 werd de vordering ontvankelijk verklaard, doch alvorens ten gronde te beslissen, dokter C. Vandervoort aangesteld als geneesheer-deskundige, met als opdracht Y. V. te onderzoeken en na te gaan of zij op 15 september 2008 nog een graad van arbeidsongeschiktheid bezat zoals bedoeld bij artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; de deskundige werd tevens gelast de duur van de eventueel vastgestelde arbeidsongeschiktheid te bepalen.

In haar deskundig verslag, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 10 december 2009, kwam Dr. C. Vandervoort tot het volgend besluit:

"dat mevrouw V. Y. op 15 september 2008 nog een graad van arbeidsongeschiktheid bezat zoals bedoeld bij artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;

dat deze graad van arbeidsongeschiktheid kan aanvaard worden tot en met 30 april 2009, dit is ruim een half jaar na de laatste operatieve ingreep."

Bij eindvonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank Turnhout van 21 mei 2010 werd:

- de vordering van Y. V. gegrond verklaard;

- de beslissing van de geneeskundige raad voor invaliditeit van 8 september 2008 vernietigd;

- voor recht gezegd dat Y. V. op 15 september 2008 nog een graad van arbeidsongeschiktheid bezat zoals bedoeld bij artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;

- het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering veroordeeld tot de kosten van het geding die aan de zijde van Y. V. werden vereffend op 129,32 euro rechtsplegingsvergoeding; de expertisekosten van de deskundige werden vereffend op 452,09 euro.

Met verzoekschrift, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 21 juni 2010, tekende het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsver-zekering beperkt hoger beroep aan tegen voormeld vonnis.

3. Eisen in hoger beroep

Het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (appellant) vordert:

- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te vernietigen in de mate dat het de erkenning van de arbeidsongeschiktheid van mevrouw Y. V. niet beperkte in de tijd;

- voor recht te zeggen dat mevrouw Y. V. een graad van arbeidsongeschiktheid had in de zin van artikel 100 ZIV-wet vanaf 15 september 2008 tot en met 30 april 2009;

- over de kosten te oordelen als naar recht.

Y. V. (geïntimeerde) vordert:

- het hoger beroep niet toelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren;

- dienvolgens het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen [lees: Turnhout], tweede kamer, d.d. 21 mei 2010, gekend onder A.R. 08/1873/A, integraal te bevestigen;

- het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de wettelijke rechtsplegingsver-goeding.

4. In rechte

4.1. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Met een verzoekschrift, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 21 juni 2010, tekende Y. V. hoger beroep aan tegen een vonnis gewezen door de arbeidsrechtbank te Turnhout op 21 mei 2010.

Overeenkomstig artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 26 mei 2010.

Het hoger beroep werd tijdig ingesteld.

Overeenkomstig artikel 1053, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek moet bij een onsplitsbaar geschil het hoger beroep gericht worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep.

Artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek is van openbare orde (Cass., 16 januari 1976, A.C., 1975-76,577).

Ter zitting van 24 mei 2011 werden gedingpartijen door het arbeidshof verzocht standpunt in te nemen in verband met de rechtsvraag of huidig geschil onsplitsbaar is in de zin van artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek.

Y. V. concludeert tot de niet-toelaatbaarheid van het hoger beroep op grond van artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek terwijl het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering concludeert tot de toelaatbaarheid van het hoger beroep omdat er ten deze geen sprake is van een onsplitsbaar geschil.

Een geschil is krachtens artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek onsplitsbaar in de zin van artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft materieel onmogelijk zou zijn. Het criterium van de materiële onmogelijkheid van gezamenlijke tenuitvoerlegging van twee andersluidende beslissingen moet overigens strikt geïnterpreteerd worden (Broeckx, K., Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, 220, nr. 484).

Bij vonnis van 21 mei 2010 werd de vordering van Y. V. gegrond verklaard, de beslissing van de Geneeskundige raad voor invaliditeit van 8 september 2008 vernietigd en gezegd voor recht dat Y. V. op 15 september 2008 nog een graad van arbeidsongeschiktheid bezat zoals bedoeld bij artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994; het Riziv werd veroordeeld tot betaling van de gedingkosten.

Uit lezing van het beschikkend gedeelte blijkt dat de bodemrechters geen uitspraak hebben gedaan over de vordering die Y. V. had gesteld ten aanzien van het Nationaal Verbond der Socialistische Mutualiteiten, met name het verzoek haar ziekenfonds te veroordelen tot betaling van de wettelijke vergoedingen vanaf 15 september 2008 vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke interesten.

In het bestreden vonnis werd er dus geen veroordeling uitgesproken lastens het Nationaal Verbond der Socialistische Mutualiteiten.

Dienvolgens kan huidig arrest, zowel in de hypothese dat het beperkt hoger beroep van het Riziv gegrond wordt verklaard als in de hypothese dat het hoger beroep ongegrond wordt verklaard, ten uitvoer worden gelegd zonder de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank volstrekt te beletten zodat er geen onsplitsbaarheid kan weerhouden worden in de zin van artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

4.2. Ten gronde

Het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering heeft een beperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 21 mei 2010 teneinde de erkenning van de arbeidsongeschiktheid te beperken in de tijd.

In haar deskundig verslag, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 10 december 2009, kwam Dr. C. Vandervoort tot volgende bespreking en besluit:

"Mevrouw V. Y., momenteel 44 jaar, liep school tot de leeftijd van 16 jaar.

Daarna heeft ze gewerkt als arbeidster bij verschillende firma's en sedert 1999 als thuishulp bij de Voorzorg (18,5 uren per week).

Op medisch vlak weerhouden we bij betrokkene vanaf 15 september 2008:

Status na operatie lumbale wervelzuil (uitgevoerd in november 2006), echter met onvolledige botingroei (speudartrose) op het operatie-niveau L5-S1, bevestigd dmv een skeletscintigrafie.

Door deze pseudarthrose was een tweede operatieve ingreep noodzakelijk die werd uitgevoerd op 20/10/08.

Hierdoor was betrokkene vanaf 15 september 2008 nog steeds arbeidsongeschikt zoals bedoeld bij betreffend artikel 100.

Na de ingreep van 20 oktober 2008 was er een gunstige evolutie.

Eind januari 2009 mocht gestart worden met actieve oefeningen en fitness.

Daarna was er klinisch, radiografisch en scintigrafisch een gunstige evolutie.

Betrokkene heeft nog rugklachten, maar volgt geen enkele behandeling meer.

Bij klinisch onderzoek zijn er geen duidelijke functiebeperkingen.

Betrokkene heeft het werk nog niet hervat omdat ze eigenlijk op zoek was naar werk als poetsvrouw of in de thuishulp, een functie die ze met haar rugklachten meent niet te kunnen vervullen.

Inderdaad: door het geheel van haar klachten en afwijkingen is rugbelastend werk voor betrokkene tegenaangewezen.

Rekening houdend met de gegevens van dit dossier, meen ik echter dat niet-rugbelastend werk voor haar mogelijk moet zijn geweest vanaf mei 2009, dit is ruim een half jaar postoperatief.

Ik meen dan ook als besluit te mogen voorstellen:

dat mevrouw V. Y. op 15 september 2008 nog een graad van arbeidsongeschiktheid bezat zoals bedoeld bij artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;

dat deze graad van arbeidsongeschiktheid kan aanvaard worden tot en met 30/04/09, dit is ruim een half jaar na de laatste operatieve ingreep."

Uit voormeld besluit blijkt dat de gerechtsdeskundige de periode van arbeidsongeschiktheid in hoofde van mevrouw Y. V. beperkt in de tijd, met name van 15 september 2008 tot 30 april 2009; vanaf 1 mei 2009 is betrokkene niet langer arbeidsongeschikt in de zin van artikel 100, §1 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994.

Y. V. poneert ten onrechte dat de aangestelde deskundige zijn opdracht is te buiten gegaan door een ‘einddatum' van de arbeidsongeschiktheid voor te stellen; immers, uit de door de arbeidsrechtbank geformuleerde opdracht blijkt dat de gerechtsdeskundige eveneens de duur van de eventuele vastgestelde arbeidsongeschiktheid diende te bepalen (zie stuk 5 dossier rechtspleging arbeidsrechtbank: tussenvonnis van de arbeidsrechtbank Turnhout van 15 mei 2009, pagina 4).

In het bestreden vonnis van 21 mei 2010 overwoog de arbeidsrechtbank te Turnhout dat het verslag van de deskundige degelijk gemotiveerd is zodat het besluit ervan dient bijgetreden.

Echter, in het dictum van het bestreden vonnis wordt de erkenning van de arbeidsongeschiktheid niet beperkt in de tijd zoals vermeld in het deskundig verslag.

Gelet op de vastgestelde tegenstrijdigheid tussen enerzijds het overwegend gedeelte en anderzijds het beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis komt het beperkt hoger beroep gegrond voor; het vonnis van de arbeidsrechtbank dient derhalve hervormd te worden derwijze dat de erkenning van de arbeidsongeschiktheid in hoofde van mevrouw Y. V. beperkt blijft van 15 september 2008 tot en met 30 april 2009.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door P. Van Den Bon, advocaat-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 13 december 2011. Partijen repliceerden niet op het schriftelijk advies.

Na beraadslaging, doet uitspraak op tegenspraak.

Verklaart het beperkt hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Hervormt dienvolgens het bestreden vonnis uitgesproken door de voorzitter van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout in openbare terechtzitting van 21 mei 2010 waar voor recht wordt gezegd dat eisende partij (Y. V.) op 15 september 2008 nog een graad van arbeidsongeschiktheid bezat zoals bedoeld bij artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.

Opnieuw recht doende.

Zegt voor recht dat Y. V. vanaf 15 september 2008 tot en met 30 april 2009 arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.

Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige.

Verwijst, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering in de kosten van hoger beroep.

Vereffent deze kosten aan de zijde van Y. V. op 160,36 euro rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag - toepassing K.B. 26 oktober 2007 - B.S. 9 november 2007). Aan de zijde van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering worden de kosten niet vereffend daar er geen kostenopgave wordt ingediend.

Aldus gewezen door:

G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer,

J. DE GRAEF, raadsheer in sociale zaken als werkgever,

R. DE SCHUTTER, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider,

bijgestaan door J. VERELST, griffier,

en uitgesproken door voormelde voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van vierentwintig januari tweeduizend en twaalf.

Vrije woorden

  • Rechtswetenschap

  • recht

  • wetgeving

  • gerechtelijk recht

  • onsplitsbaar geschil

  • artikel 31 en 1053 van het Gerechtelijk wetboek