- Arrest van 23 maart 2012

23/03/2012 - 2010/AA/304

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De artikelen 3, 5° en 5°bis van het KB van 28 november 1969 schenden het legaliteitsbeginsel of het beginsel van de scheiding der machten niet.

De omstandigheid dat verschillende vervoerders deelgenoten zijn van een stille handelsvennootschap belet de toepassing van de uitbreidingsbepalingen van het KB van 28 november 1969 niet.

Hun hoedanigheid van deelgenoot van de stille handelsvennootschap heeft niet tot gevolg dat zij eigenaar zijn van de voertuigen waarmee zij reden.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

A.R. nr. 2010/AA/304

OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIEENTWINTIG MAART EN TWAALF

In de zaak:

1) x,

met zetel gevestigd te x, x,

2) x,

wonende te x, x

3) x,

wonende te x, x,

4) x,

wonende te x, x,

5) x,

wonende te x, x,

6) x,

wonende te x, x

7) x,

wonende te x, x,

8) x,

wonende te x, x,

9) x,

wonende te x, x,

10) x,

wonende te x, x,

11) x,

wonende te x, x,

eisers in hoger beroep,

voor wie verschijnt: mr.xloco mr. x, advocaat te x,

tegen :

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID (RSZ),

met zetel gevestigd te x, x,

verweerder in hoger beroep,

voor wie verschijnt: mrx loco mr. x, advocaat te x.

Na beraadslaging, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest.

Gelet op de zittingsbladen van 24 februari 2012 en van 23 maart 2012.

Het hof keek de volgende stukken van de rechtspleging na:

* het tussenarrest van 9 september 2011, waarbij de heropening van de debatten werd bevolen;

* de conclusies voor verweerder in hoger beroep, op de griffie van het hof ontvangen op 17 november 2011;

* de conclusies voor eisers in hoger beroep, op de griffie van het per fax ontvangen op 13 december 2011 en neergelegd op 14 december 2011.

Gelet op de stukken van het administratief dossier.

Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van eiser.

Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 24 februari 2012.

Gehoord het mondelinge advies van het openbaar ministerie op de openbare terechtzitting van 24 februari 2012.

Wat voorafgaat

Bij tussenarrest van 9 september 2011 werd beslist:

Bij conclusies van 14 mei 2011, per fax ter griffie ontvangen op 15 juni 2011 (stuk 19 van het dossier van de rechtspleging), repliceren de x en de deelgenoten op het advies, uitgebracht door het openbaar ministerie.

Op 16 juni 2011 maakt de raadsman van de RSZ over deze conclusies de volgende opmerkingen:

"Vooreerst stel ik vast dat de conclusie nieuwe elementen bevat (zo onder meer met betrekking tot de simulatieleer van vennootschappen, p. 9-11 en de discussie betreffende de juridische/economische eigenaar van de voertuigen p.19-17), waardoor een nieuw debat wordt tot stand gebracht. Een repliek op het advies van het Openbaar Ministerie mag evenwel geen nieuw debat op gang brengen. (zie Gent, 10 januari 2008, www.jura.be)

Samen met de conclusie worden door appellanten 3 nieuwe stukken toegevoegd (stukken 2 t.e.m. 4). Ook het neerleggen van nieuwe stavingsstukken is niet toegelaten naar aanleiding van een repliek op het advies van het Openbaar Ministerie (zie Gent, 10 januari 2008, www.jura.be)."

Hij verzoekt de conclusies van repliek uit de debatten te weren, minstens de gewraakte passages eruit.

Op zijn beurt antwoordt de raadsman van de x en de deelgenoten dat de simulatieleer werd opgeworpen door het openbaar ministerie zodat hij wel degelijk gerechtigd was zich op punt in zijn verdediging te voorzien.

Dezelfde argumentatie geldt inzake het eigendomsrecht van de voertuigen.

Aangezien bovendien het leerstuk over de simulatie nieuw was in het debat diende hij nieuwe stukken aan te voeren en neer te leggen.

Hij verzoekt om de debatten te heropenen.

Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie inderdaad nieuwe juridische elementen in het debat heeft ingebracht.

De x en de deelgenoten, hiermee geconfronteerd, waren inderdaad gerechtigd in hun conclusies van repliek op deze nieuwe argumentatie in te gaan en ter ondersteuning van hun verdediging terzake nieuwe stukken bij te brengen.

Door deze nieuwe argumentatie zijn echter de krijtlijnen van het oorspronkelijk debat overschreden.

Uit respect voor de rechten van verdediging, heropent het hof de debatten, teneinde de partijen toe te laten, het advies van het openbaar ministerie nauwkeurig te ontleden en de argumentatie ervan te beantwoorden in al zijn aspecten alsmede elkaars argumentatie te beantwoorden. Laat hen toe nieuwe stukken aan te wenden.

Recht doende op tegenspraak.

Verklaart het hoger beroep reeds ontvankelijk doch alvorens verder recht te doen, heropent de debatten om de partijen toe te laten het aangegeven advies van het openbaar ministerie nauwkeurig te ontleden en de argumentatie ervan te beantwoorden in al zijn aspecten alsmede elkaars argumentatie te beantwoorden. Laat hen toe nieuwe stukken aan te wenden.

Bij conclusies, ontvangen op de griffie van dit hof op 17 november 2011, verzoekt de RSZ het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen, derhalve, m.b.t. de hoofdvordering, deze ongegrond te verklaren, appellanten ervan af te wijzen en te veroordelen tot de kosten.

M.b.t. de tegenvordering de x te veroordelen tot betaling van de som van 110.362,72 euro te vermeerderen met de wettelijke verwijlintresten op de som van 89.702,25 euro vanaf 21 april 2009.

Deze conclusies gelden als de opmerkingen, bedoeld in artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze opmerkingen hoorden tussen de partijen te zijn uitgewisseld op 14 november 2011. Het hof kan niet nagaan of deze uitwisseling op tijd is gebeurd. Het hof stelt vast dat deze opmerkingen op de griffie zijn ontvangen op 17 november 2011. Op de terechtzitting van 24 februari 2012 stemmen appellanten in met het behoud van deze opmerkingen in het debat. Hieruit leidt het hof af dat de uitwisseling ervan op tijd is gebeurd.

Bij conclusies, neergelegd op de griffie van dit hof op 14 december 2011, verzoeken eisers in hoger beroep het huidig beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren en dientengevolge - in zoverre het hof van oordeel is dat daartoe noodzaak bestaat om tot een juiste toepassing en beoordeling in deze zaak te kunnen komen - een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof van België inzake de grondwettelijkheid van artikel 2 van de RSZ-wet dat de Koning de bevoegdheid toekent om het toepassingsgebied van deze Wet uit te breiden tot andere categorieën van personen dan deze die de Wet aanduidt en inzake de wijze waarop de Koning de hem toegekende bevoegdheden heeft uitgeoefend wanneer hij de toepassing van de RSZ-wet heeft uitgebreid tot de categorie van personen zoals vermeld in artikel 3, 5° en 5°bis van zijn besluit.

Minstens te zeggen voor recht dat het koninklijk besluit van 28 november 1969 (RSZ-besluit) minstens in zijn artikel 3, 5° en 5° bis strijdig is met de RSZ-wet, nu het daarin de toepassing van deze wet uitbreidt tot een categorie van personen, die niet onder het gezag van een ander persoon hun arbeid dienen te verrichten en aldus artikel 2, §1 van de RSZ-wet schendt, waarmee de Koning zijn bevoegdheden heeft overschreden. Aldus het bedoelde koninklijk besluit buiten toepassing te verklaren en vervolgens te besluiten tot de ongegrondheid van de bestreden beslissing zoals hierna aangegeven en het eerste vonnis aldus te vernietigen.

In alle gevallen het eerste vonnis en daarbij tegelijk de beslissing van de RSZ van 5 augustus 2008 inzake de onderwerping van de deelgenoten van de stille handelsvennootschap "x" aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers, alsmede alle daarop gebaseerde of daarmee verbonden navolgende beslissingen en uitvoeringen, ongegrond te verklaren en te vernietigen.

Te zeggen voor recht dat de deelgenoten van de voormelde stille handelsvennootschap onderworpen zijn aan sociaal statuut der zelfstandigen.

In alle gevallen geïntimeerde te veroordelen tot de kosten.

Verdere beoordeling

De x geeft in haar conclusies aan dat zij in een verder verleden zelf, met eigen mensen en middelen, instond voor personenvervoer van en naar de luchthaven.

Wegens de hoge kostprijs van dat vervoer en de beperkte mogelijkheid om de stijging van de kosten aan de klanten door te rekenen, kwam de bvba met een aantal van haar medewerkers overeen om een stille handelsvennootschap in de zin van artikel 48 van het wetboek van vennootschappen, op te richten.

Het alternatief was met de bedrijvigheid van het personenvervoer te stoppen en de medewerkers naar de werkloosheid te laten afvloeien.

Uit stuk 1 van de x blijkt dat deze stille handelsvennootschap op 21 november 2006 werd aangegaan tussen deze bvba en x, x, x, x en x.

Het eerste dat hierbij opvalt, is dat er meer appellanten zijn dan deelgenoten van de stille handelsvennootschap. De volgende personen behoren niet tot de oprichters van de vennootschap: x, x, x, x en x.

De x legt geen beslissing van de vergadering van de verenigde deelgenoten voor, waaruit mag blijken dat deze vijf laatst genoemde medewerkers als deelgenoten van de stille vennootschap zijn aanvaard. Ook volgt uit geen enkele wettelijke bepaling dat deze medewerkers deelgenoten van de stille vennootschap zijn geworden.

De x bestrijdt de vordering van de RSZ door beroep te doen op het bestaan van de stille handelsvennootschap en op de hoedanigheid van de deelgenoten van deze vennootschap.

Nu vijf van de vrijwillig tussenkomende partijen niet het bewijs leveren dat zij deelgenoten van de stille handelsvennootschap zijn, kunnen zij zich niet op die hoedanigheid beroepen om de vordering van de RSZ te bestrijden.

Vermits er geen speciale hoedanigheid voorhanden is waarop x, x, x, x xen x zich kunnen beroepen, vallen zij onder de toepassing van het uitbreidingsKB van 28 november 1969.

Wat betreft de theorie betreffende het toepassingsgebied van de RSZ-wet als gevolg van de uitbreidingsbepalingen, voorzien in het koninklijk besluit van 28 november 1969, verwijst het hof naar de uiteenzetting onder punt 4.1 op de bladzijden 4-6 van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie van 13 mei 2011.

Het hof sluit zich hierbij aan.

De x stelt de wettelijkheid van het bedoelde koninklijk besluit van 28 november 1969 in vraag.

Het openbaar ministerie heeft de argumentatie van de xuitvoerig en op volledige wijze beantwoord onder punt 4.2 op de bladzijden 7-8 van zijn schriftelijk advies van 13 mei 2011.

Het hof beaamt de stelling van het openbaar ministerie. De Koning heeft met de uitvaardiging van de artikelen 3,5° en 5°bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 het legaliteitsbeginsel of het beginsel van de scheiding der machten niet geschonden.

Bij gebrek aan een dergelijke schending dient er niet te worden ingegaan op de door de x geformuleerde prejudiciële vraag.

Waren x, x, x, x en x onderworpen aan artikel 3, 5° bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969?

Het hof neemt aan dat het vervoer dat door x, x, x, x en x werd uitgevoerd, het vervoer van personen betreft in de zin van dit artikel 3,5° bis. Partijen betwisten dat trouwens niet.

Uit de verschillende verklaringen die door de vervoerders aan de inspectie werden afgelegd, blijkt ook overduidelijk dat de opdrachten tot dit vervoer aan hen werden toevertrouwd door de x.

Tenslotte staat het ook vast dat de bedoelde opdrachten door de vervoerders werden uitgevoerd met voertuigen waarvan zij geen eigenaar waren.

Hierbij volstaat het vast te stellen dat de vervoerders zelf geen eigenaar waren van de voertuigen, waarmee zij hun opdrachten uitvoerden. Daarbij heeft het geen belang op welke wijze de x deze voertuigen ter beschikking stelde van deze medewerkers.

Het hof komt, net zoals de eerste rechters en het openbaar ministerie, tot de conclusie dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 3, 5°bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 voor de medewerkers: x, x, x, x en x is voldaan. Zij hebben vervoer van persoenen verricht, dat hen door de x werd toevertrouwd door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaars waren.

Bij zoverre de vordering van de RSZ op deze medewerkers betrekking had, is deze vordering gegrond en is het hoger beroep ongegrond.

* * *

Wat betreft de vijf andere medewerkers (x, x, x, x en x) werpt de x het bestaan op van de stille handelsvennootschap tussen haar zelf en deze medewerkers.

Artikel 48 van het wetboek van vennootschappen definieert de stille handelsvennootschap als een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid waarbij één of meer personen een belang nemen in de verrichtingen van één of meer anderen, die in eigen naam optreden.

x verklaarde over zijn medewerking bij de x op 30 mei 2008 het volgende: "Vroeger was ik werknemer bij de x uit x. ...Eind 2006 zijn er een aantal vergaderingen geweest waarbij dhr x voorstelde dat we als zelfstandige konden verder werken. Hij heeft ons niet verplicht om zelfstandige te worden, je stapte mee in of niet, ik had een vrije keuze."

x verklaarde op 29 mei 2008: "In de periode april 2004 - 31 december 2006 was ik werknemer bij de x. Mijn taak was luchthavenvervoer ...Eind 2006 stelde x voor dat ik als zelfstandige zou verder werken. Je deed mee of je deed niet mee. Ik moest dan deelgenoot in de de x worden."

x verklaarde op 5 mei 2008: "Sinds 2 januari 2007 ben ik stille deelgenoot van de x ...De activiteit van de x is luchthavenvervoer. Alle deelgenoten van x inclusief mezelf waren voorheen tot 6/1/07 werknemer bij de x uit x, de activiteit was dezelfde, de baas ook."

x verklaarde op 6 november 2007: "In de loop van 2006 heeft x mij verteld dat de kosten te hoog opliepen en dat er iets anders moest gebeuren. Zij zijn dan een hele tijd naar een oplossing aan het zoeken geweest. Hij heeft mij uiteindelijk voorgesteld om als zelfstandige te gaan werken voor x. Wilde ik de job nog verder doen, dan was het nodig dat ik zelfstandige werd. Ik kon niet verder als werknemer voor zijn firma blijven werken. Ik doe dit werk heel graag, dus ben ik akkoord gegaan om mij als zelfstandige aan te sluiten. x heeft mijn aansluiting als zelfstandige geregeld voor mij. Over de omschakeling van werknemer naar zelfstandige is wel heel wat gepraat. Ik ben goed ingelicht. Er waren nog andere werknemers bij betrokken. Ik wist dat ik zou ontslagen worden als ik geen zelfstandige wilde worden.

U vraagt mij of ik weet hoe alles op het vlak van de firma geregeld is. Ik weet dat ik zelfstandige ben geworden. Ik heb hiervoor heel wat papieren getekend. Voor de rest werd alles op de bureau geregeld.

U vraagt mij of ik op de hoogte ben van een overeenkomst van stille handelsvennootschap. Ik heb er al wel ooit van gehoord, maar veel meer dan dat weet ik er niet van."

x tenslotte verklaarde op 5 mei 2008: "Sinds 1 januari 2007 ben ik stille deelgenoot van de x ...Tot 31 december 2006 was ik arbeider bij de x en deed ik hetzelfde werk dat ik nu doe als zelfstandige. x heeft met ons een vier à vijftal keer vergaderd om de statuutwijziging van ons te bespreken. Volgens x konden we financieel niet meer verder werken als werknemer. We konden kiezen om als zelfstandige verder te werken of te stoppen. Mijn bijdragen als zelfstandige worden geregeld door de x."

Uit deze verklaringen volgt dat elkeen van deze medewerkers bewust de overstap maakte van werknemer naar deelgenoot van de stille handelsvennootschap.

x maakte de overstap gewild, de anderen deden dat iets minder gewild.

Feit is dat ze allemaal de oprichtingsovereenkomst van 21 november 2006 hebben ondertekend. (zie stuk 1 van de x) Deze ondertekening heeft zijn consequenties tenminste als men niet in dwaling is gebracht. Dit is niet het geval nu uit de afgelegde verklaringen voldoende blijkt dat men niet over één nacht ijs is gegaan. x had de situatie op financieel vlak duidelijk geschetst. De formule van een stille handelsvennootschap is op meerdere vergaderingen besproken geweest. Het engagement van de medewerkers tot deze handelsvennootschap was een bewuste keuze.

In principe moet het bestaan van de stille handelsvennootschap in rechte worden erkend.

Iets minder coherent met de definitie van een stille handelsvennootschap is de ‘winstverdelingsafspraak'.

Daar waar de definitie de nadruk legt op het gemeenschappelijke tussen de deelgenoten, haalt de x in de afspraak rond de winstverdeling het laken teveel naar zich toe.

Deze ‘winstverdelingsafspraak' geeft de indruk dat het de x niet zozeer te doen was om het luchthavenvervoer echt gemeenschappelijk te maken tussen de deelgenoten maar dat de stille handelsvennootschap eerder een uitweg was om aan de druk van de kosten, die het handhaven van een werknemersstatuut meebracht, te ontsnappen.

Deze afspraak vermag echter niet, enkel om die reden, het bestaan van de stille handelsvennootschap op de helling te zetten.

De vraag die echter cruciaal is, luidt: kan het bestaan van de stille handelsvennootschap de toepassing van het uitbreidingsKB van 28 november 1969 neutraliseren?

Het hof oordeelt van niet.

Het openbaar ministerie wijst er terecht op dat de sociale zekerheid voor werknemers van openbare orde is, zodat de wettelijke en reglementaire bepalingen ter zake onverkort moeten worden toegepast, tenminste als aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden is voldaan.

Artikel 2, 1° van de RSZ-wet bepaalt dat de Koning ... onder de voorwaarden die Hij bepaalt de toepassing van deze wet kan uitbreiden tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten.

Uit de verklaringen van x, x, x, x en x blijkt genoegzaam dat zij inderdaad tot deze categorie van personen te rekenen zijn.

Zij vervoerden personen, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden (maar wel in hun hoedanigheid van deelgenoot van de stille handelsvennootschap), tegen loon en onder het gezag van de x (zij waren niet vrij hun werk en hun werktijd zelf te regelen).

In principe kon de Koning dus de toepassing van de RSZ-wet tot hen uitbreiden.

De Koning deed dit ook in het koninklijk besluit van 28 november 1969.

Dit koninklijk besluit viseert binnen deze categorie van personen in zijn artikel 3, 5° bis: de personen die vervoer van goederen verrichten dat hun wordt toevertrouwd door een onderneming, door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn.

Zoals hogerop in dit arrest al werd beslist, heeft de Koning, met de uitvaardiging van de artikelen 3, 5° en 5°bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969, het legaliteitsbeginsel of het beginsel van de scheiding der machten niet geschonden.

Net zoals de eerste vijf medewerkers beantwoordden aan de categorie van personen, die artikel 3, 5° bis van het bedoelde koninklijk besluit viseert, beantwoordden ook x, x, x, x en x aan deze categorie van personen.

Gelet op het openbare orde karakter van de RSZ-wet en de er op gebaseerde reglementaire bepalingen, gaan deze bepalingen voor op de hoedanigheid van deelgenoten in de stille handelsvennootschap, die x, x, x, x en x zich hadden aangemeten.

Deze hoedanigheid doet ook geen afbreuk aan de voorwaarde dat zij geen eigenaar van de voertuigen mogen zijn. Hun hoedanigheid van stille deelgenoot maakt hen geen eigenaar van de voertuigen waarmee ze reden. Deze voertuigen bleven eigendom van de x.

Een en ander heeft tot gevolg dat artikel 3, 5° bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 op x, x, x, x en x toepasselijk blijft.

De vordering van de RSZ is ook wat hen betreft, gegrond.

Het hoger beroep is ongegrond.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gehoord het gelijkluidende mondelinge advies van de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, op de openbare terechtzitting van 24 februari 2012, waarover partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben.

Recht doende op tegenspraak.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en doch ongegrond.

Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 21 april 2010.

Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de x

Vereffent de kosten aan de zijde van de RSZ op 5.500 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de bvba op 5.500 euro rechtsplegingsvergoeding beroep.

Aldus gewezen door

de heer J. VERHAVERT, raadsheer, voorzitter van de kamer,

mevrouw R. DOCX raadsheer in sociale zaken, als werkgever,

de heer J. VAN DEN EYNDE, raadsheer in sociale zaken, als werknemer,

bijgestaan door mevrouw L. VAN CALSTER, griffier

J. VAN DEN EYNDE R. DOCX

L. VAN CALSTER J. VERHAVERT

en uitgesproken door voormelde voorzitter van de negende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van drieëntwintig maart tweeduizend en twaalf

L. VAN CALSTER J. VERHAVERT

Vrije woorden

  • Sociale zekerheid voor werknemers

  • algemene regeling

  • bijdragen

  • uitbreidingsbepaling

  • vervoer van personen

  • stille handelsvennootschap

  • VII A