- Arrest van 20 april 2012

20/04/2012 - 2011/AB/475

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De moederschapsbescherming geldt ook tijdens de proefperiode.

Wanneer de werknemer zich nog in de proeftijd bevindt, heeft de werkgever een ruimer appreciatierecht in de beoordeling of de ontslagreden vreemd is aan de zwangerschap, wat niet wegneemt dat de redenen objectief en controleerbaar moeten zijn. Wanneer een werkneemster de glijdende uurregeling niet stipt volgt, kan de werkgever haar tijdens de proefperiode ontslagen en deze reden is vreemd aan de zwangerschap.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 20 APRIL 2012

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

D. N.,

E. appellante,

vertegenwoordigd door mr. PITSAER Vincent, advocaat te

1030 BRUSSEL, Lambertmontlaan 360.

Tegen:

A. SCHULMAN INTERNATIONAL SERVICES BVBA, met maatschappelijke zetel te 1840 LONDERZEEL, Technologielaan 7,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. VANDERPOORTEN Annemarie loco mr. HOFKENS Jan, advocaat te 1000 BRUSSEL, Havenlaan 86C bus 113.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 4 maart 2011 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 13510/09),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 17 mei 2011,

- de conclusie voor de appellante, neergelegd ter griffie op 30 november 2011,

- de conclusie en de aanvullende conclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 14 oktober 2011 en 28 december 2011,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 23 maart 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 13 maart 2008 ondertekenden mevrouw D. en de nv Schulman International Services (hierna afgekort als Schulman) een voltijdse arbeidsover-eenkomst voor bedienden van onbepaalde tijd. Hierdoor kwam mevrouw D. met ingang van 19 mei 2008 in dienst als financieel analist.

In art. 2 werd bepaald dat de overeenkomst aanving met een proefperiode van 6 maanden.

In art. 6 werd naar het arbeidsreglement verwezen voor de glijdende uurregeling in een 39 u./week. Mevrouw D. verklaart een afschrift van het arbeidsreglement te hebben ontvangen. (art. 10)

Deze glijdende werktijd werd omschreven op p. 21 van dit reglement. Er is een ochtendglijtijd, middagglijtijd en avondglijtijd voorzien met een kerntijd van 9.30 u. tot 12 u. en van 13.30 u. tot 15.30 u. (vrijdag 15 u.) waarbinnen iedereen aanwezig dient te zijn.

Op p. 24 wordt bepaald dat in functie van deze regeling de werknemers dienen te prikken zowel bij het begin als bij het einde van de dagtaak, als bij het begin en het einde van de lunchpauze.

2. Op 25 juli 2008 gaf mevrouw D. aan haar werkgever een medisch attest, waarin haar zwangerschap bevestigd werd met als vermoedelijke bevallingsdatum 10 maart 2009.

3. Op 1 augustus 2008 had er een gesprek plaats tussen partijen omdat mevrouw D. herhaaldelijk op meerdere aangegeven data de uurregeling en het tikken niet naleefde. Mevrouw D. ondertekende de schriftelijke bevestiging van dit onderhoud ‘voor akkoord'. Er werd van haar een verbetering van haar functioneren verwacht.

4. Bij aangetekende brief van 29 september 2008 maakte Schulman een einde aan de arbeidsovereenkomst rekening houdend met het proefbeding door uitbetaling van een opzeggingsvergoeding van 7 dagen.

5. Bij schrijven van de raadsman van mevrouw D. van 31 oktober 2008 werd Schulman gewezen op de aankondiging van de zwangerschap en werd een beschermingsvergoeding van 6 maanden gevorderd op grond van art. 40 van de arbeidswet.

Hierop heeft de raadsman van Schulman de redenen toegelicht, met name het zich niet houden aan de glijdende uurregeling en het niet tevreden zijn over de kwaliteit van de prestaties. Deze redenen zijn volgens Schulman vreemd aan de zwangerschap, zodat geen beschermingsvergoeding eisbaar is.

6. Partijen kwamen niet tot overeenstemming, zodat mevrouw D. op 25 september 2009 Schulman dagvaardde in betaling van een beschermingsvergoeding van 6 maanden of euro 34.742,70 meer de intresten en de kosten.

7. Bij vonnis van 4 maart 2011 van de arbeidsrechtbank te Brussel werd deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard met veroordeling van mevrouw D. tot de kosten.

8. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 17 mei 2011, tekende mevrouw D. hoger beroep aan en ze hernam haar oorspronkelijke vordering.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan.

De moederschapbescherming.

2. Artikel 40 van de arbeidswet bepaalt:

" De werkgever die een zwangere werkneemster tewerkstelt, mag geen handeling stellen die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking vanaf het ogenblik waarop hij werd ingelicht omtrent de zwangerschap tot één maand na het einde van de postnatale rustperiode, behalve om redenen die vreemd zijn aan de lichamelijke toestand als gevolg van de zwangerschap of van de bevalling.

De werkgever dient te bewijzen dat zulke redenen voorhanden zijn. Op verzoek van de werkneemster stelt de werkgever haar er schriftelijk van in kennis. ..."

Artikel 40 van de arbeidswet voorziet in de betaling van een forfaitaire vergoeding gelijk aan het brutoloon voor 6 maanden ingeval deze beschermingsregel wordt overtreden.

Wanneer de werkneemster voorhoudt dat de ingeroepen redenen niet vreemd zijn aan haar lichamelijke toestand als gevolg van haar zwangerschap, dan moet de werkgever het bewijs leveren van:

1. het bestaan van objectieve feiten die aantonen dat het ontslag werd gegeven om redenen die vreemd zijn aan haar lichamelijke toestand;

2. de echtheid van deze redenen;

3. het oorzakelijk verband tussen deze vreemde redenen en het ontslag

(S. Cockx en P. Maerten, Overzicht rechtspraak beschermde werknemers 2002 -2007,Or. 2008/1, 21; Arbh. Brussel, 12 september 2006, A.R. 47.218; Arbh. Antwerpen, 7 april 2003, Soc. Kron 2004,84).

De bescherming geldt ook tijdens de proefperiode (S. Cockx en P. Maerten, a.w, Or. 2008, 19 met verwijzing naar Arbh. Brussel 20 november 2002).

Wanneer de werknemer zich nog in de proeftijd bevindt, heeft de werkgever een ruimer appreciatierecht (Arbh. Gent 14 april 2003, Soc. Kron. 2004, 84) wat niet wegneemt dat de redenen objectief en controleerbaar moeten zijn. Ze kunnen niet beperkt worden tot dringende reden of economische en technische redenen (Arbh. Brussel 16 september 2003, aangehaald in S. Cockx en P. Maerten, a.w, Or. 2008, 23).

3. Het proefbeding van art. 2 van de arbeidsovereenkomst heeft voor beide partijen de bedoeling te kunnen nagaan of ze het professioneel met elkaar kunnen vinden.

Gelet op de melding van de zwangerschap op 25 juli 2008 mag Schulman de arbeidsovereenkomst niet beëindigen om een reden die eigen is aan de zwangerschap, en dit op straffe van betaling van een beschermingsvergoeding.

Uit de arbeidsovereenkomst en de niet betwiste glijdende uurregeling in het voorgebrachte arbeidsreglement vloeit voort dat er een zekere flexibiliteit mogelijk was, mits respect van de kerntijd en het correct tikken. Gelet op de toegestane flexibiliteit, mocht Schulman een strikte naleving van de kerntijd verwachten.

Mevrouw D. verklaarde zich op 1 augustus 2008 akkoord met het feit dat ze deze regeling op gezette tijden niet stipt had nageleefd; Schulman verwachtte van haar op dit punt beterschap.

Niettemin blijkt uit de stukken 10 van Schulman dat mevrouw D. na die datum opnieuw niet in regel was met de glijdende uurregeling, met name op 8 september 2008, 17 september 2008 en 18 september 2008.

Nadat de raadsman van mevrouw D. op 31 oktober 2008 als reactie op het ontslag Schulman gewezen heeft op de bescherming, heeft deze op 25 november 2008 de redenen toegelicht, met verwijzing naar o.m. het niet stipt naleven van deze glijdende uurregeling.

Ten onrechte zegt mevrouw D. dat de redenen in het ontslagschrijven moeten vermeld zijn. In overeenstemming met art. 40 arbeidswet moeten deze redenen op verzoek van de werknemer worden meegedeeld, wat Schulman hier dus alleszins gedaan heeft (vgl. Arbh. Antwerpen 17 januari 2005, Soc. Kron. 2005, 339).

Deze reden houdt geen verband met de zwangerschap en wordt door Schulman aangetoond met haar stukken 3 en 10.

Partijen zijn het niet eens over de interpretatie van de e-mails in verband met het functioneren van mevrouw D. ; maar de hierboven weerhouden reden volstaat om vast te stellen dat het ontslag in de proefperiode gegeven werd om redenen die vreemd zijn aan de lichamelijke toestand als gevolg van de zwangerschap.

De overige argumenten van mevrouw D. , zoals haar kaderfunctie, het soms overschrijden van de wekelijkse arbeidsduur en haar verwachting om te kunnen overschakelen naar een reisfunctie, kunnen hieraan geen afbreuk doen.

Mevrouw D. kan dan ook geen aanspraak maken op de beschermingsvergoeding, zodat haar hoger beroep ongegrond is.

4. Mevrouw D. vraagt dat in dat geval de door haar verschuldigde rechtsplegingsvergoeding zou worden herleid tot het minimum omwille van haar verminderde financiële draagkracht als gevolg van ziekte en ernstige medische problemen.

Hiermee kan worden ingestemd.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt mevrouw D. tot de gerechtskosten van het hoger beroep deze door Schulman begroot op rechstplegingsvergoeding basisbedrag euro 2.200,

maar door het hof herleid tot rechtsplegingsvergoeding minimumbedrag euro 1.100.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Georges JACOBS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Koen DRIES, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Georges JACOBS, Koen DRIES.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 20 april 2012 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

III.A. Arbeidswet

Wet 17 maart 1971, art. 40 Moederschapsbescherming en proef

De moederschapsbescherming geldt ook tijdens de proefperiode

Wanneer de werknemer zich nog in de proeftijd bevindt, heeft de werkgever een ruimer appreciatierecht in de beoordeling of de ontslagreden vreemd is aan de zwangerschap, wat niet wegneemt dat de redenen objectief en controleerbaar moeten zijn. Wanneer een werkneemster de glijdende uurregeling niet stipt volgt, kan de werkgever haar tijdens de proefperiode ontslagen en deze reden is vreemd aan de zwangerschap.

Vrije woorden

  • Arbeidswet

  • Wet 16 maart 1971, art. 40

  • Moederschapsbescherming en proef