- Arrest van 7 juni 2012

07/06/2012 - 2012/AB/119

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de verzoekende partij, bij het inleiden van het verzoekschrift, en tijdens het verder verloop van de procedure, in de gevangenis verblijft dan kan een kennisgeving van het vonnis aan de wettelijke verblijfplaats van de betrokkene niet volstaan om de termijn van hoger beroep te laten lopen.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr. 2012/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 JUNI 2012

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - ziekteverzekering

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak met A.R. nummer 2012/AB/119:

O., verblijvende in de strafinrichting te 8900 IEPER, Elverdingestraat 72, appellant, vertegenwoordigd door mr. BEERLANDT Hans, advocaat te 8501 HEULE, Stijn Streuvelslaan 63,

tegen:

RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, openbare instelling, met zetel te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan, 211,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. SACRE Catherine, advocaat te 1050 BRUSSEL, Crespelstraat 48,

en in de zaak met A.R. nummer 2012/AB/154:

O. , verblijvende in de strafinrichting te 8900 IEPER, Elverdingestraat 72, appellant, vertegenwoordigd door mr. BEERLANDT Hans, advocaat te 8501 HEULE, Stijn Streuvelslaan 63,

tegen:

RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, openbare instelling, met zetel te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan, 211,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. SACRE Catherine, advocaat te 1050 BRUSSEL, Crespelstraat 48.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 16-12-2011 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 28e kamer (A.R. 09/3415/A),

- de verzoekschriften tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 10 februari 2012 en op 22 februari 2012,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 10 mei 2012, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft een mondeling advies uitgebracht. Partijen hebben geen repliek op dit advies gegeven, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer O. werd op 20 juni 2004 arbeidsongeschikt erkend in de ziekteverzekering door de adviserende geneesheer van zijn mutualiteit. Bij beslissing van 3 december 2008 stelde de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering echter een einde aan deze erkenning vanaf 12 december 2008.

Bij verzoekschrift van 2 maart 2009 heeft de heer O. deze beslissing betwist voor de arbeidsrechtbank te Brussel.

2.

Bij vonnis van 5 november 2010 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering ontvankelijk verklaard en, alvorens uitspraak te doen over de grond van de zaak, een deskundige aangesteld. De deskundige heeft zijn verslag neergelegd op 18 april 2011. Daarin besloot hij dat op 12 december 2008 en daarna de heer O. niet aan de voorwaarden voldeed van artikel 100 van het Koninklijk Besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wetgeving op de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen, om als arbeidsongeschikt erkend te worden.

Bij vonnis van 16 december 2011, ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 3 januari 2012 verzonden aan de domicilie van de heer O., heeft de arbeidsrechtbank te Brussel, in overeenstemming met het advies van de deskundige, de heer O. afgewezen van zijn vordering.

3.

Met een eerste verzoekschrift, ontvangen ter griffie op 10 februari 2012, heeft de heer O. hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis.

Met een tweede verzoekschrift, ontvangen op 22 februari 2012, heeft de heer O. opnieuw beroep aangetekend tegen hetzelfde vonnis.

II. SAMENVOEGING.

De beide beroepen zijn gericht tegen een zelfde vonnis. Beide beroepen dienen dan ook samengevoegd te worden.

III. DE ONTVANKELIJKHEID.

1.

Overeenkomstig artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek bedraagt de termijn om hoger beroep aan te tekenen tegen een vonnis één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan, overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek.

Het vonnis werd aan de heer O. ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 3 januari 2012, die op zijn domicilie aangeboden werd op 4 januari 2012. De gerechtsbrief werd terugbezorgd aan de griffie omdat hij niet werd afgehaald.

De heer O. werd ter zitting uitgenodigd om zijn verweer kenbaar te maken met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep, dat schijnbaar ingesteld werd buiten de termijn van één maand voorzien door artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek.

De heer O. laat gelden dat hij geen kennis had van het vonnis omdat hij in de gevangenis te Ieper verbleef. Hij zou slechts kennis gekregen hebben van het vonnis door een bezoek aan de griffie.

2.

Bij nazicht van het dossier van de arbeidsrechtbank dient vastgesteld te worden dat in het gedinginleidend verzoekschrift weliswaar vermeld werd dat de heer O. woonachtig was te xxx, doch dat eveneens vermeld werd dat hij op dat ogenblik in de gevangenis te Aarlen verbleef. Het is ook op het adres van de gevangenis te Aarlen dat de heer O. voor de eerste maal werd opgeroepen voor de arbeidsrechtbank. Uit de verder gevoerde briefwisseling met het auditoraat en met de deskundige blijkt dat de heer O. gedurende gans de procedure steeds in de gevangenis verbleef en zijn briefwisseling vanuit de gevangenis verzond. In het aanvraagformulier voor de vaststelling van de zaak na expertise onderzoek, dat door de heer O. persoonlijk werd ingevuld, blijkt dat hij melding maakt zowel van zijn domicilieadres als van zijn verblijfadres in de gevangenis te Ieper. Hij werd ditmaal bij gewone brief opgeroepen op zijn domicilieadres.

3.

In de regel dient de kennisgeving van een vonnis, wanneer de persoon een wettelijk domicilie heeft, op dit domicilie te geschieden of eventueel aan een gekozen woonplaats. De heer O., die een domicilie had voordat hij gearresteerd werd, heeft deze domicilie behouden, hetgeen bevestigd wordt door de verschillende wettelijk informaties opgevraagd door de griffie.

Volgens de regels van het Gerechtelijk Wetboek is de kennisgeving van het vonnis correct gebeurd. Er dient echter eveneens rekening gehouden te worden met de bepaling van artikel 6 § 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dat aan eenieder het recht garandeert op een eerlijk proces. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geeft met betrekking tot de kennisgeving van vonnissen, en de kennisgeving van de mogelijkheden van verhaal, een ruime interpretatie aan deze bepaling (cfr. A Bloch: "Salduz is nog maar een begin. Over de toegang tot de rechter en het daadwerkelijk gebruik van rechtsmiddelen", Tijdschrift voor Strafrecht 2011/3 p. 182 e.v.). Zo heeft het Europees Hof in zijn arrest van 1 maart 2011 (Faniel t Belgische Staat, http://www.echr.coe.int) in zijn § 30 overwogen dat hetgeen doorslaggevend is inzake de toegang tot het gerecht, niet alleen het feit is dat de rechtsregels de mogelijkheden van beroep en de termijnen op een duidelijke wijze vermelden, maar ook dat deze ter kennis gebracht worden van de rechtsonderhorigen op een zo expliciet mogelijk wijze, zodat deze van de beroepsmogelijkheden gebruik kunnen maken overeenkomstig de wet.

4.

In casu had de griffier van de arbeidsrechtbank, wetende dat de betrokkene in de gevangenis verbleef en aldus niet in staat was kennis te nemen van de gerechtsbrieven die aan zijn domicilie werden verzonden (de gerechtsbrief werd ook niet afgehaald ) een bijkomende kennisgeving dienen te verrichten aan de feitelijke verblijfplaats van de heer O. in de gevangenis te Ieper. Enkel op die manier kon de heer O. op een correcte wijze kennis nemen, niet alleen van het vonnis, maar ook van de termijn om beroep in te stellen tegen dit vonnis, en de wijze waarop dit diende te gebeuren.

Nu dit niet gebeurd is, is het hof van oordeel dat er geen voldoende kennisgeving van het vonnis van de eerste rechter heeft plaatsgevonden, zodanig dat de beide beroepen tijdig zijn ingesteld.

Het beroep is aldus ontvankelijk.

IV. BEOORDELING.

1.

De heer O. betwist de conclusies van het deskundig verslag. Hij meent dat hij op datum van de bestreden beslissing, en op dit ogenblik, nog steeds arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de verplichte verzekering tegen geneeskundige verzorging en invaliditeit. Hij legt ter ondersteuning van zijn beroep een medisch attest neer van dokter Hoet, evenals de kopie van een aantal documenten, die hij reeds aan de deskundige bezorgde.

2.

Overeenkomstig artikel 100 § 1 al.1 van het Koninklijk Besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen wordt als arbeidsongeschikt erkend de werknemer die alle werkzaamheid heeft onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon van dezelfde stand en met dezelfde opleiding kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door de betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen uit hoofde van zijn beroepsopleiding.

Overeenkomstig al.2 van dezelfde bepaling wordt de vermindering van het vermogen tot verdienen tijdens de eerste zes maanden van de arbeidsongeschiktheid gewaardeerd ten aanzien van het gewone beroep van de betrokkene, in zoverre de oorzakelijke aandoening voor een gunstig verloop of voor een genezing vatbaar is binnen een tamelijk korte tijdspanne.

3.

Het deskundig verslag, opgesteld op vraag van de eerste rechter, is omstandig gemotiveerd. Het steunt op een uitvoerig onderzoek van de patiënt en van de voorgelegde medische verslagen. De deskundige heeft ook gedetailleerd gereageerd op de opmerkingen die naar aanleiding van de redactie van zijn deskundig verslag werden geformuleerd.

De rechtspraak heeft bij herhaling geoordeeld dat het de bedoeling is, door beroep te doen op een deskundige, de betwisting die ontstaan is tussen de adviserende geneesheer van de verzekeringsinstelling of van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit en de behandelend geneesheer van een sociaal verzekerde, te beslechten met verwijzing naar het advies van een bijzonder bevoegd persoon die onafhankelijk is van de partijen. Het principe zelf van de expertiseopdracht zou ondermijnd worden indien het advies dat uitgebracht werd door de door de rechtbank aangestelde deskundige zou in twijfel getrokken worden enkel en alleen omdat het niet overeenstemt met dit van de geneesheer van één der partijen (vgl. o.m. Arbh. Brussel, 8e k., 6 februari 1986, AR 18.574; Arbh. Brussel, 8e k., 5 mei 1999, AR 34.868; Arbh. Brussel, 8e k., 5 april 2000, A.R. 35.643; Arbh. Brussel, 6e k., 5 mei 2003, A.R. 40.376; Arbh. Brussel, 8e k, 24 januari 2008, AR 44.074). In de regel dient er van uit gegaan te worden dat, om met succes een deskundig verslag te kunnen betwisten, de sociaal verzekerde een gemotiveerd medisch verslag dient neer te leggen, dat bij voorkeur uitgaat van een geneesheer die niet de behandelend geneesheer is, en dat uiteenzet waarom de bevindingen van de deskundige, die door de rechtbank is aangesteld, niet kunnen gevolgd worden. Dit verslag dient te verwijzen naar de appreciatiecriteria betreffende de arbeidsongeschiktheid, zoals die vastgelegd zijn in artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de ziekte en invaliditeitsverzekering.

4.

Het medisch verslag dat door de heer O. woedt voorgelegd ter ondersteuning van zijn hoger beroep is van de hand van de geneesheer die hem bijstond in het kader van de gerechtelijke expertise die door de eerste rechter bevolen werd. Deze geneesheer heeft de mogelijkheid gehad om zijn bemerkingen aan de deskundige mede te delen, en heeft dit ook gedaan naar aanleiding van de mededeling van de preliminaria van het verslag. De deskundige heeft de opmerkingen van deze geneesheer grondig onderzocht en is tot de bevinding gekomen dat deze opmerkingen geen afbreuk deden aan zijn voorlopig conclusie. De deskundige duidt in zijn verslag concreet aan voor welke beroepen op de algemene arbeidsmarkt de heer O. nog in aanmerking komt, rekening houdend met zijn longprobleem en met zijn opleiding.

Het voorgelegde medisch verslag bevat geen nieuwe elementen, noch een grondige weerlegging van het deskundig verslag. Het bevestigt enkel dat de persoonlijke raadgevende geneesheer een andere appreciatie heeft over de impact van de ziekte van de heer O., ziekte die als dusdanig niet betwist wordt, op zijn arbeidsgeschiktheid.

5.

Het hoger beroep dient dan ook als ongegrond afgewezen te worden.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gehoord in zijn advies, de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Voegt de zaken ingeschreven onder algemene rolnummer 2012/AB/119 en 2012/AB/154 samen.

Verklaart de beroepen ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt in overeenstemming met artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot in hoofde van de heer O. op 0 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Jean-Pierre VAN CONINGSLOO, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Jean-Pierre VAN CONINGSLOO

Christian LAURIERS Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 7 juni 2012 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • GERECHTELIJK RECHT

  • Rechtsmiddelen

  • Hoger beroep.