- Arrest van 19 juni 2012

19/06/2012 - 2011/AB/157

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De overeenkomst met betrekking tot de opzeggingstermijn, zoals bedoeld in artikel 82 § 3 eerste lid A.O.W., is nietig wanneer zij niet werd gesloten « ten vroegste op het ogenblik van het ontslag ». Deze relative nietigheid kan door de werknemer en de werkgever worden ingeroepen omdat de wettelijke bepaling dwingend is ten voordele van beide partijen en dat in tegenstelling tot het arrest van het Hof van Cassatie van 7 april 2008.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 19 juni 2012

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

1. V. ,

appellant,

vertegenwoordigd door mr. VOTQUENNE Didier, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 166

Tegen:

1. TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ NV, met maatschappelijke zetel te 3300 TIENEN, Aandorenstraat 1,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. VAN HOOGENBEMT Herman, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Meir 24 bus 6

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

Gelet op het KB van 28 april 2011 Belgisch Staatsblad van 9 mei 2011.

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 07-10-2010 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 1ste B kamer (A.R. 09/1306/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 14 februari 2011,

de conclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 19 augustus 2011 en 29 december 2011,

de conclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 30 juni 2011, 31 oktober 2011 en 27 februari 2012,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de buitengewone openbare terechtzitting van 24 mei 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

1. De feiten

De eerste rechter gaf op de tweede tot en met vierde pagina van het bestreden vonnis een summier doch correct overzicht van de meest relevante feiten en het arbeidshof neemt dit tot het zijne.

2. De procedure in eerste aanleg

Bij deurwaardersexploot, op 13 juli 2009 betekend door plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder G. De Groot loco gerechtsdeurwaarder R. De Bruecker met standplaats te Ganshoren, werd de geïntimeerde gedagvaard om te verschijnen voor de arbeidsrechtbank te Leuven en stelde de appellant een vordering in tegen de geïntimeerde, strekkende tot veroordeling van deze laatste om aan hem te betalen,

1) 193.290, 46 euro als aanvullende opzeggingsvergoeding;

2) 451,38 euro als achterstallig loon;

3) 69,24 euro als vakantiegeld op het bedrag sub 2

alle bedragen vermeerderd met wettelijke intrest en met gerechtelijke intrest.

De appellant vroeg de veroordeling van de geïntimeerde tot "afgifte van de sociale en fiscale documenten ad hoc".

De appellant vroeg de veroordeling van de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten. Hij vorderde het vonnis voorlopig uitvoerbaar te verklaren ondanks elk verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement.

Bij conclusie, op 30 november 2009 ter griffie van de arbeidsrechtbank neergelegd, vroeg de geïntimeerde dat de vordering ontvankelijk doch ongegrond zou verklaard worden, in zoverre hij op de opzeggingsvergoeding betrekking had. Zij vroeg dat de vordering voor het overige slechts gegrond zou bevonden worden in de mate waarin zij 353,25 euro loon en 54,19 euro vakantiegeld niet te boven ging. Zij vroeg de verwijzing van de appellant in de kosten van het geding.

Bij conclusie, op 27 januari 2010 ter griffie van de arbeidsrechtbank neergelegd, verminderde de appellant subsidiair zijn vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding tot 742,74 euro. Hij verminderde zijn vordering tot betaling van loon tot 353,25 euro en die tot vakantiegeld tot 54,19 euro.

Bij eindvonnis, op 7 oktober 2010 op tegenspraak gewezen door de eerste kamer B van de arbeidsrechtbank te Leuven, werd de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. De geïntimeerde werd veroordeeld tot het betalen aan de appellant van 353,25 euro als loon voor januari 2008, vermeerderd met wettelijke en gerechtelijke intrest, en 54,19 euro vakantiegeld, vermeerderd met gerechtelijke intrest. De appellant werd veroordeeld tot het betalen van de kosten van het geding. Het vonnis werd niet voorlopig uitvoerbaar verklaard.

De eerste rechter was inzonderheid van oordeel:

met betrekking tot de aanvullende opzeggingsvergoeding

- dat het om een atypische zaak ging;

- dat de appellant een specialist in herstructureringen was;

- dat de geïntimeerde hem in dienst had genomen om haar afdeling in Brugelette te sluiten alsook die te Tienen en vervolgens die in Wanze te herstructureren;

- dat hij een loon ontving dat vergelijkbaar was met de vergoeding die een zelfstandig consulent zou hebben ontvangen;

- dat de hoge vergoeding ook een compensatie was voor het intrinsiek tijdelijk karakter van de tewerkstelling;

- dat hij nooit langer in dienst zou zijn gebleven dan om de lopende projecten af te werken;

- dat de mede door zijn toedoen gesloten ondernemings-cao op hem niet toepasselijk was nu zijn anciënniteit lager was dan één jaar;

- dat de intentienota met betrekking tot de toepassing van de formule Claeys een louter intern stuk was zonder juridische waarde;

- dat de minimumtermijn van drie maanden rekening hield met de bewezen trouw aan de onderneming en aan de wedertewerkstellingskansen van de appellant;

- dat de betaalde vergoeding rekening hield met de waarde van alle componenten van het loon;

- dat de appellant geen recht had op een aanvullende opzeggingsvergoeding.

3. De procedure in hoger beroep

In zijn akte van hoger beroep vordert de appellant dat het arbeidshof het bestreden vonnis zou vernietigen in zoverre het de vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding als ongegrond afwees en, opnieuw wijzende, de vordering gegrond zou verklaren ten belope van 193.290,46 euro opzeggingsvergoeding. Hij vraagt de veroordeling van de geïntimeerde tot het betalen van alle kosten van het geding.

In haar syntheseconclusie, op 27 februari 2012 ter griffie neergelegd, vraagt de geïntimeerde dat het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond zou verklaard worden. Zij vraagt dat de appellant in de kosten van de procedure in hoger beroep zou verwezen worden.

De partijen worden in de uiteenzetting van hun middelen en conclusies gehoord op de openbare terechtzitting van 24 mei 2012.

4. De grieven van het hoger beroep

De appellant acht zich gegriefd door het bestreden vonnis.

Hij stelt inzonderheid:

met betrekking tot de aanvullende opzeggingsvergoeding

- dat de cao van 19 februari 2008 bepaalde dat hij toepasselijk was op de werknemers met een bediendestatuut van de technische bedrijfseenheid Tienen, waartoe de appellant behoorde;

- dat hij werd ontslagen tijdens de toepassingsduur van de cao;

- dat de geïntimeerde niet het recht had de nietigheid van de overeenkomsten met betrekking tot de opzeggingstermijn in deze cao op te werpen;

- dat de nota van de geïntimeerde waarin ondubbelzinnig werd gesteld dat de formule Claeys zou worden toegepast, overigens onlosmakelijk met de cao verbonden was;

- dat het minstens om een eenzijdige verbintenis van de geïntimeerde ging;

- dat de toepassing van de formule Claeys ten slotte een algemeen gebruik in de onderneming was zodat de appellant er zich kon op beroepen;

- dat de geïntimeerde met toepassing van de formule Claeys een opzeggingstermijn van elf maanden in acht had moeten nemen;

- dat dit ook het geval ware geweest wanneer de appellant zich niet had kunnen beroepen op de cao, een eenzijdige verbintenis of een gebruik;

- dat de appellant in de eerste plaats HR-manager was;

- dat zijn ervaring als crisismanager het vinden van een nieuwe betrekking niet noodzakelijk eenvoudiger maakte;

- dat het effectief vinden van een andere betrekking niet relevant is;

- dat zowel zijn leeftijd als zijn hoge loon een handicap waren bij het vinden van een nieuwe betrekking;

- dat de geïntimeerde ten slotte heeft verzuimd artikel 8 van de cao na te leven.

5. Bespreking

5.1. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. Het is ontvankelijk.

5.2. De gegrondheid van het hoger beroep

5.2.1. De opzeggingstermijn waarop de appellant aanspraak had kunnen maken, dient te worden bepaald overeenkomstig artikel 82, § 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet, gelet op zijn jaarloon op het ogenblik van het ontslag, dat de jaargrens van 28.580 euro, geldig in 2008, overschreed.

De door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn wordt vastgesteld bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter (art. 82, § 3, eerste lid Arbeidsovereenkomstenwet).

5.2.2. De geïntimeerde houdt terecht voor dat de opzeggingstermijn niet bij collectieve arbeidsovereenkomst kan bepaald worden (Cass. 16 maart 1987, JTT 1987, 441, noot C.W.; Th. CLAEYS en I. VERHELST, "De opzegtermijn van bedienden: recente knelpunten", in M. RIGAUX en W. RAUWS (eds.), Actuele problemen van het arbeidsrecht. 8. Actualia van het ontslagrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, (75) 93-94, nr. 12; Aanwerven, Tewerkstellen, Ontslaan, losbl., Mechelen, Kluwer, 2009, O 102 562). Het is a fortiori niet relevant te weten te komen welke mondelinge afspraken bij het onderhandelen over en het sluiten van een dergelijke cao tussen vakbonden en directie van de geïntimeerde zouden zijn gemaakt zodat het geheel zonder belang is te weten wat de betrokken vakbondssecretarissen dienaangaande zouden kunnen verklaren.

Wat meer is, men kan zich de vraag stellen of de cao waarop de appellant zich beroept, wel op hem van toepassing was.

Het betreft de cao "betreffende de herstructurering van de technische bedrijfseenheid Tienen (vestiging Tienen, Divisie en Brussel)", die namens de geïntimeerde mede door de appellant - wiens functie werd omschreven als die van "manager social affairs" - werd ondertekend (stuk 14 van de geïntimeerde) en die, blijkens zijn preambule, tot doel had om "de afbouw van een aantal centrale diensten in Brussel, Tienen en Divisie, en omvattende enkel bedienden, kaderleden en directie" en het collectief ontslag van 48 aldaar tewerkgestelde werknemers te begeleiden.

De appellant toont niet aan dat hij deel uitmaakte van "de werknemers met een bediendestatuut van de technische bedrijfseenheid Tienen (vestigingen Tienen, Brussel en Divisie) van de nv Tiense Suikerraffinaderij en de GCV RF-Services)" die het voorwerp van dit collectief ontslag zouden worden. Het mag waar zijn dat de appellant formeel verbonden was aan de juridische entiteit nv Tiense Suikerraffinaderij en zelfs dat een aantal van haar kaderleden ook deel uitmaakten van wat de "technische bedrijfseenheid Tienen" wordt genoemd. De appellant werd evenwel als buitenstaander tijdelijk in dienst genomen om "van boven af" de herstructurering van een aantal vestigingen te begeleiden. Het zou nogal vreemd zijn mocht hij hierbij aan "zelfbediening" hebben kunnen doen. Het is de logica zelf dat hij niet werd gerekend tot de kaderleden die het lijdend voorwerp van de herstructurering zouden worden. De appellant was veeleer het "leidend" voorwerp van de hele operatie.

Mocht de voornoemde cao op de appellant wel van toepassing zijn geweest, quod non, en mocht aangenomen worden dat die cao wettig de opzeggingstermijnen van hogere bedienden hebben kunnen bepalen, quod non, dan zou moeten vastgesteld worden dat geen enkele bepaling van de cao op deze in acht te nemen opzeggingstermijnen betrekking heeft. Dat is uitdrukkelijk niet het geval met zijn artikel 21, die voorziet in de betaling van een bijkomende vergoeding aan de ontslagen bedienden met een anciënniteit van meer dan één jaar, zulks boven op "de wettelijke opzegvergoeding". Het arbeidshof kan in deze laatste zinsnede volstrekt geen spoor terugvinden die leidt naar de formule Claeys of naar enige overeenkomst omtrent de door de geïntimeerde in acht te nemen opzeggingstermijn. De appellant bezat ten andere nog geen jaar anciënniteit zodat het bewuste artikel zelfs nooit voor hem had kunnen gelden.

Volgens de appellant dient de cao echter te worden samengelezen met de inhoud van de powerpoint-presentatie met als titel "Sociaal plan". Niemand verlaat Tienen zonder nieuw perspectief. "Intentieverklaring", die hij als zijn stuk 13 overlegt.

Zoals de eerste rechter heeft aangenomen, blijkt uit niets dat enige waarde kan worden gehecht aan de inhoud van deze powerpointpresentatie, noch als zelfstandige rechtsbron noch als stuk dat de cao moet helpen interpreteren.

Wanneer het werkelijk de bedoeling van de cao-sluitende partijen was geweest om enige overeenkomst over de door de geïntimeerde in acht te nemen opzeggingstermijn te sluiten of hiervoor naar enig formule te verwijzen, zouden zij dit evident uitdrukkelijk in de cao zelf hebben opgenomen. De redenen die de appellant naar voren brengt om te verklaren waarom dit niet is gebeurd, zijn overbodige literatuur.

Uit deze powerpointpresentatie, waarvan niet kan bewezen worden dat zij de geïntimeerde bond, kan ook geenszins het bestaan van een eenzijdige verbintenis vanwege de geïntimeerde worden afgeleid. Dat verbintenissen hun oorsprong kunnen vinden in een eenzijdige wilsuiting, te omschrijven als de uitdrukkelijke wil van een rechtssubject om juridische gevolgen te creëren waardoor dit rechtssubject zich gebonden beschouwt (zie S. DEBUSSCHERE, "De eenzijdige wilsverklaring als autonome bron van verbintenissen", noot Gent 22 december 1998, TBBR 2002, 578-584; C. VANACKERE, "De eenzijdige wilsuiting", in J. ROODHOOFT (ed.), Bestendig Handboek Verbintenissen, losbl., Mechelen, Kluwer, 2006, II.2/1-5), staat vast, maar dan moeten wel alle geldigheidsvoorwaarden die voor contractuele verbintenissen gelden, waaronder de toestemming, vervuld zijn, en dat is niet het geval. Uit niets blijkt immers dat de geïntimeerde juridische gevolgen heeft willen creëren bij het laten opstellen door de appellant zelf (!) van deze presentatie. Nog afgezien van het feit dat de opzeggingstermijn voor hogere bedienden niet door middel van een eenzijdige verbintenis van de werkgever kan worden bepaald (zie Th. CLAEYS en I. VERHELST, l.c., 93, nr. 12).

Ten slotte is ook de stelling van de appellant dat de opzeggingstermijn door een gebruik kon worden vastgelegd, volstrekt in strijd met de wet, die een "overeenkomst" als voorwaarde stelt. Van het bestaan van enig ondernemingsgebruik dat aan de vereisten van algemeenheid, bestendigheid en vastheid voldoet, is er ten andere geen bewijs. "Vast" betekent dat het moet gaan over de toekenning van een vast of duidelijk bepaalbaar voordeel. "Algemeen" betekent dat het gebruik aan alle werknemers of aan één of meer duidelijk omschreven categorieën van werknemers moet worden toegekend. "Bestendig" betekent dat er een zekere regelmaat of permanentie in de toekenning van het voordeel bestaat.

5.2.3. De appellant houdt ook voor dat, zelfs mocht de opzeggingstermijn in strijd met de wet op een ogenblik voorafgaand aan het ontslag zijn bepaald in een cao, door middel van een eenzijdige wilsuiting of een gebruik, de geïntimeerde toch niet het recht zou hebben om de nietigheid ervan op te werpen. Hij dwaalt. Zelfs wanneer deze opzeggingstermijn door de partijen op een ogenblik voorafgaand aan het ontslag, bij wijze van individuele overeenkomst zou zijn vastgelegd, zou de geïntimeerde nog het recht hebben gehad om de nietigheid van een dergelijke overeenkomst op te werpen.

Het arbeidshof wijst er inderdaad op dat een overeenkomst met betrekking tot de opzeggingstermijn, zoals bedoeld in artikel 82, § 3, eerste lid van de Arbeidsovereenkomstenwet, nietig is wanneer zij niet werd gesloten "ten vroegste op het ogenblik van het ontslag" en dat hier gaat om een relatieve nietigheid die door de beide partijen kan worden ingeroepen. De wettelijke bepaling is immers van dwingend recht ten voordele van werknemer en werkgever. Dit laatste volgt inzonderheid uit de leer van het Hof van Cassatie, zoals verwoord in zijn arresten van 10 januari 1983 (RW 1983-84, 1200, concl. H. LENAERTS) en 14 januari 1991 (JTT 1991, 176) (zie ook K. SALOMEZ, "De bepaling van de opzeggingstermijn en de opzeggingsvergoeding bij overeenkomst", TSR 1996, 398-403).

Dit betekent meteen dat het arbeidshof het niet eens is met het arrest van het Hof van Cassatie van 7 april 2008 (RW 2009-10, 1342, noot W. RAUWS, Soc. Kron. 2009, 245, noot V. VANNES, JTT 2008, 207, noot C. WANTIEZ), wanneer hieruit ten minste zou mogen afgeleid worden dat de werkgever de nietigheid van de overeenkomst over de opzeggingstermijn, gesloten op een ogenblik dat het ontslag voorafgaat, niet zou mogen opwerpen (vgl met o.a. Th. CLAEYS en I. VERHELST, l.c., 87-91, nr. 10; P. DE KOSTER, "Het Hof van Cassatie mengt zich in het debat rond ‘aanvaardbare' ontslagvergoedingen?", JTT 2008, 329-332; B. VAN SCHOENBEKE, "De (on)mogelijkheid van het sluiten van bindende afspraken inzake opzegging: wat wil het Hof van Cassatie nu eigenlijk?", Or. 2009, 249-256).

Dit betekent dat de geïntimeerde wel degelijk het recht zou hebben om de nietigheid op te werpen van (individuele!) overeenkomsten betreffende de opzeggingstermijn, gesloten op een ogenblik dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voorafgaat. Ook wanneer de appellant zich terecht zou mogen beroepen op een cao, quod non, dan zou de geïntimeerde er de nietigheid van mogen opwerpen.

5.2.4. De opzeggingstermijn voor een hogere bediende moet bepaald worden met inachtneming van de op het ogenblik van het ontslag bestaande kans om spoedig een passende en gelijkwaardige betrekking te vinden, inzonderheid rekening houdend met de anciënniteit van de bediende, zijn leeftijd, zijn functie en zijn jaarloon (Cass. 3 februari 1986, Arr.Cass. 1985-86, 746; Cass. 2 december 2002, JTT 2003, 404), weze het dat de anciënniteit toch beter als een afzonderlijk criterium wordt gehanteerd (zie H. LENAERTS, concl. Cass. 10 januari 1983, RW 1983-84, 1201-1206), doch zonder dat feiten of omstandigheden die zich na het ontslag voordoen, een rol mogen spelen (zie Cass. 8 september 1980, Arr.Cass. 1980-81, 17; Cass. 6 november 1989, Arr.Cass. 1989-90, 322; Cass. 6 maart 2000, JTT 2000, 226), zoals het feit dat de betrokkene na het ontslag vlug een andere betrekking heeft gevonden. Ook tekortkomingen van de werknemer kunnen hierbij geen rol spelen (Cass. 23 februari 1987, JTT 1987, 265).

De door de appellant verworven anciënniteit speelt in casu slechts een te verwaarlozen rol. Zij is vooreerst zeer beperkt. Wanneer bij het bepalen van een opzeggingstermijn rekening wordt gehouden met de anciënniteit, dan is dit bovendien in de eerste plaats om de "trouw" aan de onderneming te belonen. Welnu, de appellant is (of was?) een "jobhopper" van wie door zijn werkgevers (waaronder in elk geval de geïntimeerde) geen trouw kon worden verwacht en er dan omgekeerd ook geen moet verwachten.

De "gevorderde" leeftijd van de appellant dient in belangrijke mate te worden gerelativeerd. Gelet op de door hem uitgeoefende zeer gespecialiseerde (en door werkgevers gegeerde) functie, die ook in de regel bij een en dezelfde werkgever slechts kortstondig wordt verricht, kon deze leeftijd voor de appellant geen echt beletsel vormen om opnieuw een passende betrekking te vinden. Het arbeidshof neemt aan dat de 57 jaar van de appellant voor hem geen zwaardere handicap vormde dan wanneer hij bijvoorbeeld slechts 45 jaar oud ware geweest.

De appellant ontving een zeer hoog loon dat voor de geïntimeerde echter kennelijk een redelijke compensatie vormde het specialistenwerk waarmee zij hem gedurende enkele maanden wou belasten. Het arbeidshof oordeelt evenwel dat ook de hoogte van dit loon moet gerelativeerd worden in die mate dat het - gelet op de zeer specifieke bekwaamheden van de appellant - het vinden van een nieuwe passende en gelijkwaardige betrekking - die, zoals die bij de geïntimeerde zelf, allicht ook maar van een bepaalde tijd zou zijn - niet daadwerkelijk in de weg stond.

Artikel 8 van de ondernemings-cao is hier in het geheel niet relevant, al is het maar omdat deze cao op de appellant niet toepasselijk was (zie hierboven) en omdat deze bepaling enkel gold wanneer de functie van de bediende door de herstructurering "verviel" dan wel wanneer hij "slechte prestaties" leverde, wat voor de appellant natuurlijk niet het geval was.

Het arbeidshof oordeelt aldus dat de geïntimeerde slechts een einde had kunnen maken aan de arbeidsovereenkomst door middel van een opzeggingstermijn van vier maanden, gelet op de op de voormelde wijze gerelativeerde gewicht van de factoren leeftijd, anciënniteit, functie en loon. Deze opzeggingstermijn houdt rekening met het belang van de beide partijen.

Er is geen betwisting over het door de appellant gehanteerde jaarloon. Hij had recht op een opzeggingsvergoeding van 4/12 van 285.527,04 euro hetzij van 95.175,68 euro. Nu hij al 68.442,66 euro ontving, is hem een saldo van 26.733,02 euro verschuldigd.

De appellant vordert niet langer een veroordeling tot afgifte van sociale en fiscale documenten.

Het hoger beroep is gegrond.

* * *

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de bovenstaande gronden

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en inzonderheid op artikel 24.

Recht doende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpende.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt het op tegenspraak gewezen eindvonnis van 7 oktober 2010 van de eerste kamer B van de arbeidsrechtbank te Leuven (A.R. nr. 09/1306/A), in zoverre het de vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding ongegrond verklaarde en de appellant veroordeelde tot de begrote kosten van het geding.

Opnieuw wijzende, verklaart de vordering tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding gedeeltelijk gegrond.

Veroordeelt de geïntimeerde om aan de appellant te betalen de som van 26.733,02 euro (ZESENTWINTIGDUIZEND ZEVENHONDERD DRIEENDERTIG EURO TWEE CENT) als opzeggingsvergoeding, vermeerderd met wettelijke intrest vanaf 2 september 2008 tot en met 12 juli 2009 en met gerechtelijke intrest vanaf 13 juli 2009.

Veroordeelt de geïntimeerde in overeenstemming met artikel 1017, eerste lid Ger. W. tot het betalen van de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

Bepaalt de te vereffenen gerechtskosten als volgt:

- aan zijde van appellant:

rechtsplegingvergoeding: 5.000 euro

- aan zijde van geïntimeerde:

rechtsplegingvergoeding: 5.000 euro.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Jan HERMAN, kamervoorzitter m.o.,

Sabine NIMMEGEERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Dirk BAECKELANDT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kristien MAES, afgevaardigd griffier.

Kristien MAES Dirk BAECKELANDT

Sabine NIMMEGEERS Jan HERMAN

Bij beschikking overeenkomstig artikel 782bis, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, van 19 juni 2012 van de eerste voorzitter werd Kamervoorzitter G. Balis aangewezen om dit arrest uit te spreken op de openbare terechtzitting van 19 juni 2012 van de derde kamer ter vervanging van Kamervoorzitter m.o. J. Herman, die aan de beraadslaging over dit arrest heeft deelgenomen, doch die wettig verhinderd is om het arrest uit te spreken.

Aldus uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het arbeidshof te Brussel op 19 juni 2012 door:

G. BALIS, kamervoorzitter,

bijgestaan door

Kristien MAES, afgevaardigd griffier.

Kristien MAES G. BALIS

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • BEDIENDEN

  • Opzegging

  • Overeenkomst gesloten vóór de opzegging

  • Relatieve nietigheid

  • Dwingende bepaling ten voordele van werknemer en werkgever.