- Arrest van 28 juni 2012

28/06/2012 - 2011/AB/1107

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De verjaring van de uitvoering van de beslissing tot terugbetaling van de onverschuldigd ontvangen uitkeringen wordt niet gestuit door de inhouding ten voordelen van de R.V.A. op het belastingsaldo in de personenbelasting dat in 2002 ontstaan was in het voordeel van de werkloze; de verjaring wordt gestuit door het fiscaal dwangbevel of een beslag die dienen bewezen te worden.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.: 2012/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 28 JUNI 2012

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - werkloosheid

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan, 7, appellant, vertegenwoordigd door mr. VANDEN BOSSCHE I. loco mr. SWENNEN Remi, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30,

tegen:

B. ,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. SIMEONS Veerle, advocaat te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29 b1.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 24-10-2011 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 30e kamer (A.R. 09/10013A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 1 december 2011,

de neergelegde conclusies,

het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 31 mei 2012 door advocaat-generaal J.-J. ANDRE,

de repliek op dit advies, neergelegd ter griffie op 14 juni 2012 door de partij B.,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 24 mei 2012, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie zijn schriftelijk advies heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op vandaag.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer B. heeft onrechtmatig werkloosheidsuitkeringen genoten in de periode van 14 oktober 1975 tot 6 mei 1986 omwille van het feit dat hij nagelaten had aangifte te doen van het feit dat hij samenwoonde met een zelfstandige. Bij beslissing van 23 juni 1986 besliste de inspecteur van het gewestelijk werkloosheidsbureau om de heer B. uit te sluiten uit het recht op werkloosheidsuitkeringen voor deze periode en het bedrag van de ten onrechte genoten werkloosheidsuitkeringen terug te vorderen (50.682.21 euro ).

De heer B. heeft tegen deze beslissing beroep aangetekend bij de arbeidsrechtbank te Dendermonde doch zijn beroep werd als ongegrond afgewezen. De beslissing van de arbeidsrechtbank te Dendermonde is definitief geworden.

2.

Na het vonnis van de arbeidsrechtbank heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op 2 januari 1996 de procedure tot ambtshalve invordering van de onverschuldigd betaalde uitkeringen opgestart. Het dossier werd, zoals voorzien door het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, overgemaakt aan het bestuur registratie en domeinen.

Op 10 juli 2002 ontving de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van het bestuur registratie en domeinen een storting van 813,93 euro . Deze terugvordering was bekomen via een inhouding (beslag?) op een recht op terugbetaling in de personenbelasting.

3.

Bij administratieve beslissing van 17 juni 2009 bracht de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de heer B. ter kennis dat hij, in toepassing van artikel 1410 § 4 van het Gerechtelijk Wetboek, aan de Rijksdienst voor de Werknemerspensioenen gevraagd had over te gaan tot een inhouding van de onverschuldigd ontvangen uitkeringen op het pensioen dat hij ontving.

4.

Bij verzoekschrift van 5 augustus 2009 heeft de heer B. beroep aangetekend bij de arbeidsrechtbank te Brussel tegen deze kennisgeving.

Bij vonnis van 24 oktober 2011, ter kennis gebracht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op 4 november 2011, heeft de arbeidsrechtbank de vordering van de heer B. gegrond verklaard en de bestreden administratieve beslissing vernietigd.

5.

Bij verzoekschrift van 1 december 2011 heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

De eerste rechter vernietigde de bestreden administratieve beslissing omdat hij oordeelde dat de uitvoering van de administratieve beslissing tot terugbetaling van de onverschuldigd ontvangen werkloosheidsuitkeringen verjaard was op het ogenblik van de kennisgeving aan de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen.

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is van oordeel dat de eerste rechter daarbij ten onrechte geen rekening gehouden heeft met het stuitend effect van de verjaring, dat zou voortvloeien uit de terugbetaling die op 10 juli 2002 gebeurde. Volgens de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening stuit iedere betaling, hetzij een vrijwillige betaling, hetzij een gedwongen betaling, de verjaring in de zin van artikel 2248 van het Burgerlijke Wetboek. Verder zou de heer B. zijn schuld erkend hebben door het feit dat hij nooit een bezwaar had ingediend tegen de inhouding die gebeurde op zijn belastingskrediet in de personenbelasting.

Volgens de heer B. is er geen geldige stuiting van de verjaring tussengekomen. Hij wijst erop dat de stuiting van de verjaring slechts kan volgen hetzij uit de betekening van een dwangbevel overeenkomstig artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, hetzij uit een uitdrukkelijke schulderkenning. Het bewijs van de betekening van een dwangbevel tijdens de verjaringstermijn wordt, aldus de heer B., niet bijgebracht. Anderzijds zou er geen sprake zijn van een schulderkenning omdat er geen vrijwillige betaling was en hij ook nooit uitdrukkelijk verwittigd werd door de administratie van de personenbelasting dat er een inhouding zou gebeuren op het tegoed dat hij had in deze belasting.

2.

Er bestaat geen betwisting over het feit dat de termijn voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om tot uitvoering over te gaan van de beslissing van 2 januari 1996 oorspronkelijk 30 jaar bedroeg in toepassing van artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek, maar dat, als gevolg van de wijziging van artikel 2262 van dit wetboek door de wet van 10 juni 1998, deze termijn herleid werd tot 10 jaar en dat, bij gebreke van geldige stuiting, de verjaring ingetreden was op het ogenblik van de administratieve beslissing van 17 juni 2009 en de kennisgeving ervan aan de Rijksdienst voor de Werknemerspensioenen. Alleen in betwisting is de vraag of de verjaring gestuit werd door de inhouding die gebeurde ten voordele van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op het belastingsaldo dat in 2002 ontstaan was in het voordeel van de heer B. in de personenbelasting.

3.

Overeenkomstig artikel 170 van het Koninklijk Besluit van 25 oktober 1991 houdende de werkloosheidsreglementering kan de terugvordering van de onrechtmatig betaalde sommen worden bevolen door de directeur van de gewestelijke werkloosheidsdienst. Bij gebreke aan minnelijke terugbetaling maakt de directeur het dossier van de ‘weerspannige' schuldenaar over aan het bestuur registratie en domeinen. De door het bestuur registratie en domeinen in te stellen vervolgingen gebeuren op dezelfde wijze als voor het invorderen van de registratierechten.

Overeenkomstig artikel 220 van het Wetboek der registratie-, hypothekeek- en griffierechten is de eerste akte van vervolging een dwangschrift dat uitgevaardigd wordt door de gewestelijk directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen en dat bij gerechtsdeurwaardersexploot wordt betekend.

4.

Overeenkomstig 2244 van het Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring gestuit door een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen. Een fiscaal dwangbevel maakt een bevel tot betaling uit in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek

In casu wordt echter geen dergelijk fiscaal dwangbevel voorgelegd. Ondervraagd ter zitting bevestigt de raadsman van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dat een dergelijk document niet kan voorgelegd worden omdat de dossiers slechts gedurende vijf jaar bewaard worden, en dat het enige gegeven waarover de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening beschikt het feit is dat het bestuur registratie en domeinen hem een betaling heeft overgemaakt op 10 juli 2002. Indien in de regel kan aangenomen worden dat het bestuur registratie en domeinen, wanneer het gevat wordt door een vraag tot uitvoering, een dwangbevel betekent, dient het bewijs van een dergelijk dwangbevel voorgelegd te worden wanneer de schuldenaar, zoals hij doet, het bestaan van dit dwangbevel betwist. Bovendien, en vooral, is in de voorliggende betwisting totaal onbekend wanneer het dwangbevel uitgevaardigd werd. Het is niet omdat in 2002 een betaling bekomen werd door het bestuur registratie en domeinen dat ook in dat jaar een dwangbevel of een beslag betekend werd. Het is perfect mogelijk dat de betaling, die in 2002 tussenkwam, het gevolg is van een dwangbevel of een beslag dat betekend werd op het ogenblik dat de tussenkomst gevraagd werd van het bestuur registratie en domeinen, te weten in de loop van het jaar 1996. De betekening van een dwangbevel of van een beslag op dat ogenblik heeft geen invloed op de verjaring die later ingetreden is.

5.

Overeenkomstig artikel 2248 van het Burgerlijk Wetboek stuit de erkenning van het recht, gedaan door de schuldenaar of door de bezitter, de verjaring. De ratio legis van deze bepaling is dat het geen zin heeft de schuldeiser te verplichten zijn rechten jegens de schuldenaar binnen een korte tijdspanne uit te oefenen, wanneer de schuldenaar zijn schuld erkent.

Indien algemeen aangenomen wordt dat de schulderkenning niet noodzakelijk expliciet moet gebeuren, maar ook impliciet kan plaatsvinden, dan is het nochtans niet betwist dat er slechts dan sprake kan zijn van een schulderkenning wanneer de schulderkenning zeker is (cfr. M. Jourdan en S. Remouchamps, ‘L'accident (sur le chemin) du travail: déclaration, procédure, prescription,' Kluwer, Etudes pratiques de droit social, p. 184). De schulderkenning moet bovendien uitgaan van de schuldenaar en kan niet uitgaan van een derde (cfr. Cass. 18.11.1996, J.T.T. 1997, p.26, C. Lebon, ‘Tenietgaan van verbintenissen'. Verjaring, Stuiting van verjaring' in ‘Bijzondere Overeenkomsten, Artikelsgewijze commentaar, Kluwer, Jura , T. I, Hoofdstuk V, afd. 7) en vooral ze moet vrijwillig zijn (Cass. 13.11.1995; www. Juridat.be; C. Lebon, "Stuiting, schorsing en verlenging van de verjaringstermijn", in ‘Verjaring in het privaatrecht: weet de avond wat de morgen breng', Kluwer, p. 10, M. Jourdan, op.cit. p.189, De Page, Traité Elémentaire, 1957,

p. 1076, nr. 1194). Dit houdt in dat een gedwongen betaling, in gevolge een gerechtelijke veroordeling, nooit als een schulderkenning kan beschouwd worden, die de verjaring stuit (De Page, op.cit. p.1076, nr. 1194).

Aldus kan de betaling, die in het kader van een gedwongen uitvoering bekomen werd door een beslag (of op een andere wijze) op de teruggave waarop de heer B. recht had in de personenbelasting, niet als een schulderkenning aanzien worden. Die schulderkenning kan ook niet voortvloeien uit het feit dat de heer B. geen verzet heeft aangetekend tegen deze inhouding. De heer B. kon uit een dergelijk verzet geen enkel voordeel halen omdat op dat ogenblik de vordering niet verjaard was. De heer B. houdt overigens voor dat hij op het ogenblik van de inhouding daarvan niet uitdrukkelijk in kennis werd gesteld, zodat hij zijn schuld ook niet kon erkennen.

6.

Het vonnis van de eerste rechter dient dan ook bevestigd worden, ook al blijkt thans dat het schrijven van de FOD Financiën van 31 maart 2011, waarnaar de eerste rechter verwees, geen betrekking had op de inhouding van het jaar 2002, maar op een inhouding van het jaar 2011, die werd geannuleerd op verzoek van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, als gevolg van de huidige procedure.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt in overeenstemming met artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot in hoofde van de heer B. op 160,36 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hendrik VERMEERSCH, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Hendrik VERMEERSCH

Christian LAURIERS Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 28 juni 2012 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • BURGERLIJK RECHT

  • Werkloosheid

  • Onverschuldigd betaalde bedragen

  • Terugvordering

  • Weerspannige schuldenaars

  • Overmaking van het dossier aan het bestuur van de registratie en domeinen

  • Ontvangst van een bedrag door de R.V.A.

  • Beslissing over te gaan tot een inhouding door de R.V.P.

  • Beroep

  • Verjaring

  • Stuiting.