- Arrest van 23 oktober 2012

23/10/2012 - 2011/AB/702

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer van de in het Engels aangehaalde zinsnede in de gedinginleidende dagvaarding de zakelijke inhoud wordt weergegeven in het eerste deel van de zin, is er geen reden toe de dagvaarding nietig te verklaren op grond van art 40,1ste lid van de taalwet gerechtszaken.

Wanneer de vordering van een werknemer betrekking heeft op een bonusplan waarvan in de tussen partijen afgesloten dading uitdrukkelijk werd gesteld dat de dading er geen betrekking op had, kan de werkgever zich niet beroepen op de exceptie van dading.

Hij kan hij evenmin stellen dat hij hiervoor niet kan worden aangesproken omdat het bonusplan werd opgesteld door de Amerikaanse vennootschap van de groep daar het bonusplan in de arbeidsovereenkomst geïncorporeerd werd en bijgevolg verplichtingen schiep voor de (Belgische) vennootschap, werkgever.

Het is niet vereist dat de werkgever zelf instaat voor de betaling van het arbeidsrechtelijk loon. Hij draagt echter wel de betalingsschuld.

Wanneer de arbeidsrelatie geen extraneiteitselement vertoont, werkgever en werknemer beide in België gevestigd zijn en de werknemer in België werkzaam is, is het Belgisch recht van toepassing op de arbeidsovereenkomst tussen partijen.

Wanneer volgens het bonusplan substantiële bonussen worden toegekend die deel uitmaken van het loonpakket is de werkgever ertoe gehouden ervoor te zorgen dat de uitvoering van het door de Amerikaanse vennootschap opgestelde bonusplan naar Belgisch recht correct is.

Wanneer zowel in de arbeidsovereenkomst als in het jaarlijks vastgestelde bonusplan een voorbehoud werd bedongen voor de toekenning van een bonus, verhindert dit het tot stand komen van een gebruik, ook wanneer de werknemer jarenlang en onafgebroken een bonus geniet en zelfs indien het percentage ervan steeds gelijk zou zijn geweest.

Wanneer de door de werkgever opgegeven redenen voor de vermindering van het bonusbedrag nl. het leefbaar houden van de groep en het gezond houden van de financiële situatie worden gestaafd door stukken kan hem niet worden verweten misbruik te hebben gemaakt van het recht dat hij zich heeft voorbehouden m.b.t. de toekenning van een bonus.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

─────────

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIEENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN TWAALF.

3e KAMER

bediendecontract

tegenspraak

definitief

In de zaak :

V. ,

Appellant, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Van Roeyen Wim, advocaat te Sint-Denijs-Westrem,

tegen :

SOLUTIA EUROPE BVBA., met maatschappelijke zetel gevestigd te 1050 Brussel, Boondaelsesteenweg 6;

Geïntimeerde, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Carlier Edward loco meester De Bisschop Koen, advocaat te Mechelen.

* * *

*

Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op :

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de 23ekamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 9 mei 2011;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 26 juli 2011;

- de conclusies voor de appellant neergelegd ter griffie op 5 maart 2012 ;

- de conclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 6 december 2011 en 6 juni 2012;

- de voorgelegde stukken ;

De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 25 september 2012, waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak werd gesteld op heden.

* *

*

FEITEN EN RECHTSPLEGING

De heer V. trad op 1-8-1987 als ingenieur in dienst van MONSANTO, rechtsvoorganger van de geïntimeerde met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

In 1997 splitste MONSANTO haar chemische activiteit af en werd SOLUTIA opgericht, waarna de heer V. verder tewerkgesteld werd door die vennootschap.

De vennootschap maakt deel uit van een internationale groep SOLUTIA met hoofdzetel in de Verenigde Staten, een chemiegroep die producten produceert voor de bouw-, de transport- en de productiesector.

Gedurende 10 jaar genoot de heer V. naast de voordelen voorzien in de arbeidsovereenkomst een bonus betaald aan alle kaderleden en bedienden van de SOLUTIA groep in functie van individuele en afdelingsobjectieven. Het bonusplan werd telkens jaarlijks vastgesteld door de moedermaatschappij, SOLUTIA Inc.

Op 28-4 -2008 deelde SOLUTIA Inc. aan de medewerkers wereldwijd haar "incentive plan" mee voor dat jaar (AIP) waarin zij de wereldwijde doelstelling benadrukte.

Daarin werden de algemene principes uiteengezet voor het bepalen van een bonus.

SOLUTIA bepaalde een initieel budget voor interne budgetteringsdoeleinden, overeenstemmend met een percentage van het inkomen van elke werknemer wereldwijd, volgens zijn graad waarover op het eind van het bonusjaar een definitieve beslissing werd getroffen.

In het jaarrapport 2008 waarschuwde SOLUTIA Inc dat voordurende extreme verstoring op de wereldwijde financiële markten en aanhoudende verzwakkingen op de markten een belangrijke impact konden hebben op de exploitatieresultaten.

Op 29-4-2009 ontving de heer V. de beslissing m.b.t.de bonus voor 2008 waarin vermeld was dat het totale potentiële beschikbare budget voor bonussen was verminderd met 85% van 30,3 miljoen dollar naar 6,2 miljoen dollar en ook de individuele uitbetalingen per werknemer 85% lager zouden liggen dan aanvankelijk voorzien.

Op 14-5-2009 werd aan de heer V. meegedeeld dat het budget beschikbaar voor zijn bonus van 2008, 4.977,14 euro bedroeg op basis van prestaties van zijn afdeling en van zijn individuele prestaties en als volgt verdeeld:

-748,35 euro: bruto bonus

-117,24 euro: bruto vakantiegeld

-4.111,55 Swiss Life bedrag.

Het bedrag werd nadien herzien en verhoogd tot 6.522,14 euro.

Per e-mail van 30-6-2009 protesteerde de heer V. tegen de eenzijdige vermindering van een essentieel deel van zijn loonpakket. Hij meende volgens het bonusplan gerechtigd te zijn op de uitbetaling van een bonus van 100% en niet van 15%.

De vennootschap betwistte dit in haar antwoord van 20-8-2009.

Bij brief van 14-7-2009 antwoordde de heer V. dat hem een bijkomende uitzonderlijke bonus was toegekend t.b.v. 148.300 euro wegens uitstekende prestaties in 2007 en 2008.

Met aangetekende brief van 25-8-2009 zegde de vennootschap de arbeidsovereenkomst op met een opzeggingstermijn van 15 maanden, ingaand op 1-9-2009.

Op 15-10-2009 sloten partijen een dading waarin werd overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd op 31-12-2009 en waarin het recht van de heer V. werd bevestigd op een uitzonderlijke bonus van 148.300 euro, op een saldo opzeggingsvergoeding t.b.v. 127.544,30 euro gelijk aan 13 maanden loon, op het vakantiegeld bij vertrek en op de 13 de maand.

Met dagvaarding van 16-12-2009 spande de heer V. een geding aan voor de arbeidsrechtbank.

Hij vorderde de veroordeling van de vennootschap tot betaling van volgende bedragen

-36.958 euro als saldo bonus en de wettelijke intresten daarop vanaf 26-5-2009

-5.684,14 euro als vertrekvakantiegeld op die bonus en de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding

-de kosten waaronder 2.500 euro basisbedrag rechtsplegingvergoeding.

Met het bestreden vonnis heeft de arbeidsrechtbank de vordering onontvankelijk verklaard wegens nietigheid van de dagvaarding op grond van art 4§1 van de wet van 15-6-1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

In de dagvaarding kwam een passage voor in het Engels die volgens de rechtbank een essentieel argument uitmaakte in de argumentatie van de heer V..

VORDERINGEN IN HOGER BEROEP

De heer V. vordert in eerste orde de initiële dagvaarding niet nietig te verklaren en bijgevolg de vordering ontvankelijk te verklaren en zijn vordering zoals in eerste aanleg ingesteld te willen inwilligen.

De vennootschap vordert in hoofdorde het bestreden vonnis integraal te bevestigen en de heer V. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

In ondergeschikte orde, voor zover de vordering ontvankelijk zou worden verklaard, verzoekt zij de vordering integraal ongegrond te verklaren en de heer V. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

I.ONTVANKELIJKHEID

Het vonnis werd betekend op 29-6-2011. Het hoger beroep werd binnen de wettelijke termijn van één maand ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en aan de overige ontvankelijkheidvereisten is eveneens voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.

II.TEN GRONDE

Ontvankelijkheid van de oorspronkelijke dagvaarding

De heer V. meent dat de dagvaarding ten onrechte nietig werd verklaard door de arbeidsrechtbank wegens de aanhaling van een passage in het Engels.

Hij is van oordeel dat alle voor de regelmatigheid van de dagvaarding vereiste vermeldingen in de taal van de rechtspleging zijn gesteld zodat er geen grond is tot nietigverklaring.

De vennootschap onderschrijft de beslissing van de arbeidsrechtbank. Zij wijst erop dat de niet vertaalde passage een essentieel element/argument is in de vordering van de heer V. en er bijgevolg wel degelijk een schending is van art 4§1 van de wet van 15-6-1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken zodat de dagvaarding terecht nietig werd verklaard bij toepassing van art 40 van diezelfde wet.

Art 4 §1 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken bepaalt dat de akte tot inleiding van het geding in het Nederlands wordt gesteld indien de verweerder woonachtig is in het Nederlands taalgebied.

De gedinginleidende akte, de andere akten van rechtspleging en de uitspraak van de rechter moeten integraal worden opgesteld in de voorgeschreven taal.

Volgens Art 40,1ste lid van diezelfde wet zijn de bepalingen van die wet voorgeschreven op straffe van nietigheid die van ambtswege door de rechter wordt uitgesproken.

Volgens het Hof van Cassatie wordt een akte van rechtspleging geacht integraal in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid ervan in die taal zijn gesteld. (zie o.m. Cass. 6-6-2008, AC 2008, nr 352; Cass. 26-9-2005, AC 2005, nr. 460;Cass.18-10-2004, AC 2004, nr.487; Cass. 22-4-2008, nr 242)

Dit wordt eveneens aangenomen indien van de aanhaling in een andere taal in de akte tevens de vertaling of de zakelijke inhoud ervan is weergegeven in de taal van de rechtspleging. (Cass. 29-9-2011, www.cass.be;Cass. 19-6-2009, www.juridat.be;Cass.14-4-2000, AC 2000 nr.255)

Art 1057,7° Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de dagvaarding, behalve de vermeldingen bepaald in art 43, op straffe van nietigheid o.m. het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering bevat.

Deze moet de verwerende partij in de gelegenheid stellen haar verdediging voor te bereiden.

Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie beslist de appellant zelf hoe gedetailleerd hij die wenst weer te geven en maken de argumenten die ter ondersteuning worden ingeroepen daar deel van uit zodat zij eveneens in de taal van de rechtspleging moeten worden gesteld. (Cass.16-11-2009, www.cass.be; Cass. 20-2-2009, www.cass.be; Cass.6-6-2008, www.cass.be; Cass.26-9-2005, www.cass.be; Cass. 18-10-2004, , www.cass.be)

Dit geldt niet voor vermeldingen die slechts toelichtingen zijn en geen grief (middel) noch een ondersteuning van de grief (het middel) uitmaken. (Cass.20-2-2009, www.cass.be)

Met betrekking tot rechterlijke uitspraken besliste het Hof van Cassatie dat een citaat in een andere taal die enkel een toelichting was bij de uitspraak doch geen overweging waarop deze was gesteund niet door nietigheid was aangetast. (Cass. 22-4-2008, www.cass.be) Dit werd evenmin het geval geacht wanneer functiebenamingen in het Engels die in de onderneming werden gebruikt werden overgenomen zonder daarvan een vertaling toe te voegen. (Cass.7-3-2005, www.cass.be)

Van de door de heer V. in het Engels aangehaalde zinsnede werd naar het oordeel van het hof, de zakelijke inhoud weergegeven in het eerste deel van de zin waarin duidelijk wordt gesteld dat de vennootschap de bonus had verminderd tot 15% en is er bijgevolg geen reden toe de dagvaarding nietig te verklaren bij toepassing van art 40,1ste lid van de taalwet gerechtszaken.

Op die grond kan de vordering bijgevolg niet onontvankelijk worden verklaard.

Exceptie van dading

De vennootschap meent dat de tussen partijen afgesloten dading belet dat hij nog vorderingen tegen haar zou kunnen instellen die gesteund zijn op de arbeidsovereenkomst.

De heer V. wijst erop dat in de dading uitdrukkelijk werd bepaald dat de dading geen betrekking had op het Solutia Bonusplan 2008.

De vennootschap betoogt dat die uitsluiting enkel de rechten van de heer V. t.a.v. SOLUTIA Inc. beoogde te vrijwaren met betrekking tot de bonus voor 2008. Zij wijst erop dat partijen in punt 7 uitdrukkelijk verzaakt hebben aan elke rechtsvordering jegens elkaar om welke reden of met welk voorwerp ook met betrekking tot het sluiten, de uitvoering of de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Met betrekking tot arbeidsrechtelijk loon is niet vereist dat de werkgever zelf instaat voor de betaling ervan, hij draagt echter wel de betalingsschuld. (M.De Vos, Loon naar Belgisch arbeidsovereenkomstenrecht, Maklu 2000, nr. 904)

Dat het bonusplan werd opgesteld door SOLUTIA Inc. belet niet dat het werd geïncorporeerd in de arbeidsovereenkomst van de heer V. en het schiep bijgevolg verplichtingen voor geïntimeerde.

De uitsluiting in de dading met betrekking tot het Solutia Bonus plan, geldt derhalve wel degelijk t.a.v. geïntimeerde. Bijgevolg is de exceptie van dading ongegrond nu daarin uitdrukkelijk werd bepaald dat deze geen betrekking had op het SOLUTIA bonusplan voor 2008.

De laatste paragraaf van de dading kan dan ook enkel betrekking hebben op andere vorderingen ontstaan uit de arbeidsovereenkomst.

Toepasselijke wetgeving

De vennootschap betoogt verder dat over het plan eenzijdig werd beslist door SOLUTIA Inc. en dat zij daarin geen inspraak had en verder dat het plan was onderworpen aan het recht van de Staat Delaware.

Nu volgens dit plan aan de heer V. substantiële bonussen werden toegekend die deel uitmaken van zijn loonpakket is geïntimeerde als werkgever ertoe gehouden ervoor te zorgen dat de uitvoering naar Belgisch recht correct is.

De arbeidsovereenkomst vertoont geen extraneïteitselement: werkgever en werknemer zijn beide in België gevestigd en de heer V. was ook werkzaam in België. Bijgevolg is voor al wat de arbeidsovereenkomst tussen partijen aangaat het Belgisch recht van toepassing.

Taal van de documenten

De vennootschap meent dat geen vordering kan worden gegrond op de in het Engels gestelde documenten daar deze absoluut nietig zijn op grond van het decreet van 30 juni 1982 m.b.t. de bescherming van de vrijheid van het taalgebruik van de Franse taal in de sociale betrekkingen tussen werkgevers en hun personeel, alsook van akten en documenten die in het kader van de sociale betrekkingen worden opgesteld in een andere taal dan het Frans.

Het hof stelt vast dat de zetel van de vennootschap in het tweetalig gebied Brussel hoofdstad is gevestigd en niet in het Waals gewest, zodat niet het decreet van 30-6-1982 van toepassing is doch de gecoördineerde wetten van 18-7-1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken.

Die wet bepaalt dat voor de akten en bescheiden voorgeschreven bij de wetten en reglementen welke bestemd zijn voor het personeel het Nederlands moet worden gebruikt wanneer die stukken bestemd zijn voor het Nederlandstalig personeel en het Frans wanneer zij bestemd zijn voor het Franstalig personeel.

Die verplichting rust op de werkgever en beoogt de bescherming van de werknemer.

Art 59 van die wet voorziet in een vervangingsprocedure indien het voorschrift m.b.t. de te gebruiken taal wordt miskend.

Die wetgeving voorziet niet in een absolute nietigheidssanctie bij miskenning van de voorschriften en kan bijgevolg niet als van openbare orde worden beschouwd.

Aangezien de verplichting gold voor de werkgever ter bescherming van de werknemer, is het hof van oordeel dat de vennootschap de nietigheid niet kan opwerpen. Het hof stelt vast dat de heer V. niet om een vertaling verzoekt.

Ten gronde

De heer V. betoogt dat de vennootschap onterecht de bonus heeft verminderd tot 15% van het hem toekomende bedrag, terwijl het recht erop reeds was verworven en hij had voldaan aan alle criteria voor de toekenning ervan.

De vennootschap meent dat de tegen haar gerichte vordering in ieder geval ongegrond is bij afwezigheid van enige rechtsgrond aangezien het AIP-plan niet van haar uitgaat.

Bovendien merkt ze op dat het plan geen specifieke geldelijke rechten bevat voor de werknemers daar er voor budgettaire doeleinden enkel een potentieel bedrag werd voorgesteld, wat niet impliceert dat dit een verworven recht zou uitmaken. Zij stelt dat de heer V. geen enkel recht had op enige bonus tot daarover in 2009 een beslissing werd genomen door de bevoegde organen van SOLUTIA INC

In art 6 van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst met MONSANTO werd het volgende bepaald

"Onder eenzijdig bepaalde voorwaarden zal de werkgever kunnen overgaan tot het toekennen van gratificaties die steeds een vrijgevigheidkarakter zullen hebben, welke ook het bedrag en het tijdstip zijn waarop ze uitgekeerd worden.

In geen geval zal de bediende deze gratificaties als een verworven recht kunnen beschouwen zelfs indien zulke gratificaties meerdere malen werden toegekend vermits zij geen deel uitmaken van de bezoldiging".

Jaarlijks werd aan het begin van het jaar door de moedermaatschappij SOLUTIA Inc het bonusplan vastgesteld. Elk kaderlid werd naar zijn plaatselijke vestiging verwezen om er de implementatie van na te streven.

In de algemene informatie wordt eraan herinnerd dat het plan om het even wanneer kon worden aangepast, gewijzigd of beëindigd door de vennootschap zonder voorafgaande mededeling.

In het op 28-5-2008 meegedeelde bonusplan (AIP) voor 2008, werd bepaald dat de bonussen ten laatste 75 dagen na het Performance jaar betaalbaar zouden zijn aan de werknemers tewerkgesteld in de VS (dus ten laatste op 15-3-2009) en dat de bonussen verworven door werknemers tewerkgesteld buiten de VS te zelfde tijd zouden bepaald worden en zo vlug als administratief mogelijk zouden worden uitbetaald na goedkeuring.

Gedurende een tiental jaar genoot de heer V. onafgebroken een bonus. Er liggen geen gegevens voor met betrekking tot de precieze bedragen die werden uitgekeerd.

In een zaak die aan de rechtbank van eerste aanleg werd voorgelegd door een collega van de heer V. werd in het vonnis van 17-1-2011 vastgesteld

"de stukken van het dossier bewijzen dat de coëfficiënt die meestal werd toegepast op de werknemers met graad 82 die het "beantwoordt aan de verwachtingen" niveau bereikt hebben, 30% bedraagt."

Het volstaat om op te merken dat dit aldus het geval was voor de afgelopen jaren en dat de aankondiging door de CEO van SOLUTIA op 28-4-2009 dat het toegewezen budget voor de bonus van 2008 was verminderd, een vermindering beoogde in vergelijking met de coëfficiënten die gewoonlijk werden toegepast, zoals de hierboven vermelde 30%" (vertaling).

(vonnis Rechtbank van eerste aanleg te Brussel - 73ste kamer AR 10/673/A-stuk 14 Geïntimeerde)

Zelfs indien het bedrag of het toegepast percentage telkens gelijk zou zijn geweest, kan daaruit echter geen gebruik worden afgeleid, aangezien in de arbeidsovereenkomst zowel als in het jaarlijks bonusplan voorbehoud met betrekking tot de bonus werd bedongen, hetgeen het tot stand komen van een gebruik verhindert.

De bonus bestond voor 45% prestatie van de onderneming, voor

45 % uit individuele prestaties en 10% discretionair te bepalen door de CEO.

In de begeleidende brief werd gesteld dat de nagestreefde ( "target") uitbetalingniveau ( "levels"), reeds eerder samen met het financieel plan waren goedgekeurd door het ECDC-comité binnen de directieraad.

Noch in die brief noch in het AIP werd het weerhouden bonusbudget meegedeeld en evenmin werden daarin elementen opgenomen die toelieten het bedrag van de bonus te bepalen.

Samengevat blijkt dus

-dat een bepaald budget werd vooropgesteld en goedgekeurd binnen de directieraad.

-dat de bedrijfs- en persoonlijke objectieven werden bepaald en in welke mate die recht gaven op toekenning van de bonus.

-dat pas bij het einde van het bonusjaar het uiteindelijk bonusbudget werd goedgekeurd waarna de bonus werd uitbetaald in functie van de behaalde objectieven.

-dat die goedkeuring voor 15-3-2009 diende te gebeuren, waarna uitbetaling zou volgen.

Bij mailbericht van 29-4-2009 werd aan de betrokken werknemers meegedeeld dat de directieraad tijdens de afgelopen week zijn eindbeslissing had genomen m.b.t. de uit te betalen bonus.

Deze luidde dat omwille van de economische moeilijkheden tijdens de laatste 2 maanden van 2008 en het eerste kwartaal van 2009, beslist werd het totale potentiële beschikbare budget te verminderen met 85% van 30,3 miljoen dollar naar 6,2 miljoen dollar zodat de individuele uitbetalingen per werknemer bijgevolg 85% lager zouden liggen dan het hen aanvankelijk bestemde bedrag ( "allocated" )

Als reden voor de beslissing werd aangevoerd dat de vennootschap leefbaar moest worden gehouden en financieel gezond om haar door de moeilijke recessieperiode te loodsen.

Uit dit schrijven blijkt bijgevolg dat het aanvankelijk gereserveerd bonusbudget 30,3 miljoen dollar bedroeg.

Het is niet betwist dat de heer V. zijn doelstellingen voor 2008 volledig heeft behaald. Zijn prestaties werden bovendien als "uitzonderlijk goed" geëvalueerd.

Uit de begeleidende brief blijkt dat de bedrijfsresultaten voor 2008 over het geheel genomen goed waren en dat blijkt ook uit het feit dat de heer V. aan de vooropgestelde (bedrijfs) criteria had voldaan.

De heer V. meent dat de vennootschap de bonus die voor dat jaar reeds verworven was niet meer eenzijdig kon verminderen daar het een essentieel bestanddeel was van zijn loonpakket.

Dat de bonus een essentieel deel uitmaakte van het loonpakket van de werknemers werd bevestigd in een bericht van de vennootschap van 5-5-2008 die de bonus een "sleutelbestanddeel van ons totaal loonpakket"(vertaling)noemde.

Eens de bonus is toegekend is hij ontegensprekelijk loon verworven als tegenprestatie van de in uitvoering van de arbeidsovereenkomst gepresteerde arbeid. (Cass.Cass. 20-4-'77)

In de arbeidsovereenkomst was slechts de mogelijkheid tot het toekennen van een bonus voorzien onder door de werkgever vast te stellen voorwaarden.

Indien de werkgever in toepassing van een voorbehoud m.b.t. de toekenning van een bonus in de toekomst, deze bonus afschaft of vermindert, kan de werknemer geen aanspraak maken op de tijdens voorgaande jaren toegekende bonusbedragen. (Cass.18-9-2000, JTT 2000, 318)

Wanneer de werkgever van meet af aan een voorbehoud heeft bedongen in de arbeidsovereenkomst, en dit ook werd herhaald in het jaarlijks bonusplan, behoudt hij appreciatievrijheid met betrekking tot de uitoefening van dat voorbehoud zonder dat de rechter een opportuniteitscontrole kan uitoefenen. (M.De Vos, Loon naar Belgisch arbeidsovereenkomstenrecht, Maklu 2001 en ref onder voetnoot 895)

Indien het voorbehoud aan bepaalde modaliteiten of voorwaarden was gekoppeld, zal hij moeten aantonen dat die omstandigheden zich hebben voorgedaan.

Hierop kan de rechter een marginale toetsing uitoefenen. (Cass. 2-5-1988, JTT '89, 75)

In voorliggend geval blijkt dat de definitieve beslissing over het bonusbedrag genomen is nadat de periode verstreken was tijdens dewelke de bonus volgens het plan moest worden uitbetaald.

Wel werd reeds in een bericht van 16-1-2009 meegedeeld dat er zich moeilijke omstandigheden voordeden gelet op de recessie, o.m. enorme stijging van de grondstofprijzen en onzekerheid over de toekomstige evolutie en werd eveneens aangekondigd dat de bonus voor 2008 later dan gewoonlijk zou worden betaald.

De heer V. wijst erop, zonder op dit punt te worden tegengesproken, dat de vennootschap tijdens de voorbije jaren in functie van bedrijfsresultaten en persoonlijke resultaten, er nooit afwijkingen gebeurden, noch tijdens, noch na het verstrijken van de bonusperiode.

De resultaten voor 2008 waren over het geheel genomen goed. Dit blijkt uit de mededeling van de vennootschap zelf, uit het jaarrapport voor 2008 en uit het behalen van de vooropgestelde objectieven voor de divisie, in functie van EBITDA, cash flow en netto opbrengst.

De heer V. wijst erop dat SOLUTIA bovendien zowel in 2006,2007 als 2009 goede resultaten behaalde, dat zij nog belangrijke bonussen toekende aan het management minder dan drie maanden na het niet uitbetalen van de bonussen aan het personeel (zijn stuk 5) en dat zij tijdens die periode nog twee bedrijven overnam (zijn stukken 6 en 7).

Uit het e-mailbericht van 16-1-2009, blijkt dat de toestand in het begin van het jaar 2009 zorgen baarde. De resultaten van de laatste maanden van 2008 waren ook reeds in dalende lijn. Dit wordt bevestigd door de verslagen over het laatste kwartaal 2008 (stuk 3 geïntimeerde) en het 1ste kwartaal 2009 (stuk 4 geïntimeerde).

In het jaarrapport voor 2008 wordt eveneens gewag gemaakt van de economische factoren als gevolg van de financiële crisis die een belangrijke impact konden hebben op de resultaten van de onderneming en de liquiditeit op lange termijn.

De redenen voor de vermindering van het bonusbedrag die in het bericht van 28-4-2009 werden aangehaald nl. het leefbaar houden van de groep en het gezond houden van de financiële situatie worden hierdoor bevestigd.

Uit het geheel van deze elementen besluit het hof dat de vennootschap niet kan worden verweten dat zij misbruik zou hebben gemaakt bij de uitoefening van het recht dat zij zich heeft voorbehouden m.b.t. de toekenning van de bonus.

Het uiteindelijk bepaalde bonusbedrag werd aan de heer V. toegekend in functie van de behaalde criteria, zulks is niet betwist.

OM DEZE REDENEN;

HET ARBEIDSHOF;

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt:

Hervormt het bestreden vonnis;

Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk;

Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep;

Verklaart de vordering van de heer V. ongegrond.

Legt de kosten van beide aanleggen voor ¼ ten laste van de NV SOLUTIA en voor ¾ ten laste van de heer V..

Vereffent deze zoals door partijen begroot op:

In hoofde van de appellante partij op

- 151,09 euro als kosten voor de dagvaarding;

- 2.500 euro als rechtsplegingvergoeding voor de arbeidsrechtbank;

- 2.750 euro als rechtsplegingvergoeding voor het arbeidshof;

In hoofde van de geïntimeerde partij op

5.500 euro als gerechtskosten van beide aanleggen.

Aldus gewezen door de derde kamer en ondertekend door:

G. Balis, kamervoorzitter;

E. Van Laer, raadsheer in sociale zaken, als werkgever;

R. Vandenput, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-

bediende;

Bijgestaan door

S. Van Landuyt, afgevaardigd griffier.

G. Balis S. Van Landuyt

E. Van Laer R. Vandenput

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het arbeidshof te Brussel op 23 oktober tweeduizend en twaalf door :

G. Balis kamervoorzitter

Bijgestaan door

S. Van Landuyt afgevaardigd griffier.

G. Balis S. Van Landuyt

Vrije woorden

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • TAALWET IN GERECHTSZAKEN

  • Exceptie van dading

  • Loonbestanddeel

  • Bonus

  • Toepasselijk recht

  • Voorbehoud voor de toekomst.