- Arrest van 30 oktober 2012

30/10/2012 - 2011/AB/854

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De werknemer die nalaat de bij de klanten geïnde ontvangsten dagelijks door te storten zoals contractueel overeengekomen en de ontvangsten van verschillende dagen los in zijn lunchzak vooraan in de wagen onbeheerd laat liggen terwijl hij herhaaldelijk de wagen dient te verlaten, zodat deze tijdens een overval met diefstal van de wagen werden gestolen begaat een grove nalatigheid die een zware fout uitmaakt in de zin van art 18 WAO.

Bij de bepaling van de schadevergoeding wordt er rekening mee gehouden dat ontvangsten van de dag zelf pas die avond gestort moesten worden.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

─────────

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN DERTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN TWAALF.

3e KAMER

bediendecontract

tegenspraak

definitief

In de zaak :

H. ,

Appellant, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door de heer Haouchi Samir, afgevaardigde en volmachtdrager te Brussel,

tegen :

N.V. NEW VANDEN BORRE, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1600 Sint Pieters Leeuw, Slesbroekstraat 101;

Geïntimeerde, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Nieuwdorp Eric, advocaat te Brussel.

* * *

*

Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op :

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de 23te kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 20 juni 2011;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 13 september 2011;

- de conclusies en aanvullende en syntheseconclusies voor de appellant neergelegd ter griffie op 6 februari 2012 en 5 juni 2012;

- de conclusies, aanvullende en syntheseconclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 1 december 2011, 21 maart 2012 en 3 augustus 2012;

- de voorgelegde stukken ;

De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 2 oktober 2012, waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak werd gesteld op heden.

* *

*

FEITEN EN RECHTSPLEGING

De heer H. trad op 1-6-2007 als chauffeur installateur in dienst van de vennootschap met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur die zou lopen van 1-6-2007 tot 31-5-2008 met een proefperiode van 6 maanden.

De heer H. was reeds voordien in die hoedanigheid werkzaam geweest.

Omdat de chauffeurs bij de klanten gelden in ontvangst nemen, was aan de arbeidsovereenkomst een bijlage gevoegd waarin de werknemer er zich toe verbond de klantenontvangsten dagelijks via de hem meegedeelde en aanvaarde procedure bij de bank te storten en het bewijs van de storting 's anderendaags af te geven aan zijn verantwoordelijke.

Iedere onmogelijkheid om tot storting over te gaan, om welke reden ook, moest onmiddellijk worden gemeld aan de dienstverantwoordelijke.

In de bijlage werd verder vermeld dat het niet naleven van deze contractuele tekortkoming een mogelijke grond was tot ontslag om dringende reden.

Op 9-7-2007 legde de heer H. klacht neer bij de politie te La Louvière. Hij beweerde die dag omstreeks 13u het slachtoffer te zijn geweest van een gewapende overval op zijn vrachtwagen waarbij samen met de wagen ook de nog te leveren toestellen en het geld werden meegenomen.

Op het tijdstip van de overval had hij de ontvangsten bij van vrijdag 6, zaterdag 7 en maandag 9 juli 2007, een totaal bedrag van ongeveer 8.000 euro in verschillende coupures, volgens zijn eigen verklaring aan de politie.

Op 18-10-2007, nog tijdens de proefperiode, beëindigde de heer H. de arbeidsovereenkomst met een opzegtermijn van

7 kalenderdagen.

Na zijn uitdiensttreding besloot de vennootschap hem het loon voor de maand oktober 2007 niet uit te betalen, gelet op de verdwenen klantenontvangsten, doch zij deelde dit niet mee aan de heer H..

Op 27-10-2007, vlak voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, beging de heer H. nog een zware snelheidsovertreding waarvoor hij een boete kreeg van 215 euro.

Met aangetekende brieven van 5-12-2007, 16-1-2008 en 31-1-2008, vorderde de vakbondsorganisatie van de heer H. betaling van de achterstallen voor de maand oktober 2007.

De vennootschap ging daar niet op in.

Op 27-10-2008 heeft de vennootschap zich burgerlijke partij gesteld bij de onderzoeksrechter te Bergen in het raam van de door de heer H. neergelegde strafklacht met betrekking tot de overval.

Op 15-12-2008 besliste de raadkamer tot buitenvervolgingstelling van de heer H..

Die beslissing werd bevestigd door de kamer van inbeschuldigingstelling op 23-3-2010. Er werd geoordeeld dat het onderzoek niet toeliet om de feiten van inbeschuldigingstelling aan een welbepaald persoon of meerdere personen ten laste te leggen.

Op 27-2-2008 spande de heer H. een geding aan voor de arbeidsrechtbank

Hij vorderde veroordeling van de vennootschap tot betaling van volgende bedragen:

-1.585,58 euro als loon voor de maand oktober 2007

-819,51 als gewaarborgd loon voor oktober 2007

-669,05 euro als enkel vakantiegeld

-75,89 euro als aanvullend vakantiegeld

-593,16 euro als dubbel vakantiegeld

de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf de opeisbaarheid van die bedragen en de kosten.

In ondergeschikte orde vorderde hij dat de rechtsplegingsvergoeding zou worden herleid tot 225 euro en in uiterst ondergeschikte orde tot 375 euro.

Hij vorderde tevens afgifte van de sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom van 25 euro per dag en per ontbrekend document.

De vennootschap stelde een tegenvordering in die ertoe strekte de heer H. te horen veroordelen tot

-terugbetaling van onrechtmatig achtergehouden dagontvangsten t.b.v. 7.729,59 euro en de wettelijke en gerechtelijke intresten en de schuldvergelijking uit te spreken met de bedragen die de heer H. in voorkomend geval nog zouden toekomen.

Met het bestreden vonnis verklaarde de arbeidsrechtbank de hoofdvordering gegrond tot beloop van 1.385,05 euro, de tegenvordering tot beloop van 7.944,59 euro en na schuldvergelijking verklaarde zij de tegenvordering gegrond tot beloop van 6.559,54 euro netto. Zij veroordeelde de heer H. tot betaling van dat bedrag en de wettelijke en gerechtelijke intresten erop vanaf de eisbaarheid.

VORDERINGEN IN HOGER BEROEP

De heer H. is het niet eens met de uitspraak van de arbeidsrechtbank.

Hij vordert dat het hof deze zou vernietigen en de vennootschap zou veroordelen tot

Betaling van volgende bedragen:

-1.585,58 euro als loon voor de maand oktober 2007

-819,51 als gewaarborgd loon voor oktober 2007

-669,05 euro als enkel vakantiegeld

-75,89 euro als aanvullend vakantiegeld

-593,16 euro als dubbel vakantiegeld

-22,50 euro als productiviteitspremie

de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf de opeisbaarheid van die bedragen en de kosten.

Hij vordert tevens de veroordeling van de vennootschap tot afgifte van de sociale en fiscale documenten: verbeterd formulier C4, loonfiches en fiscale fiche 218.10 onder verbeurte van een dwangsom van 25 euro per dag en per ontbrekend document.

BEOORDELING

I.ONTVANKELIJKHEID

Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep dat regelmatig is naar vorm, binnen de wettelijke termijn werd ingesteld. Aan de andere ontvankelijkheidvereisten is eveneens voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.

II. TEN GRONDE

Dat de vennootschap aan de heer H. nog loon en gewaarborgd loon voor oktober, enkel en dubbel vakantiegeld verschuldigd bleef is niet betwist.

Op het loon kon zij enkel inhoudingen verrichten indien voldaan was aan de voorwaarden gesteld in art 23 van de loonbeschermingswet van 12-4-1965.

Aan die voorwaarden was niet voldaan.

Er is bijgevolg geen aanleiding tot wettelijke compensatie. Bovendien was daarvoor niet voldaan aan de voorwaarden van art 1291 Burgerlijk Wetboek dat onder meer als voorwaarde stelt dat de schuld vaststaand en opeisbaar is wat met betrekking tot de door de vennootschap gevorderde schadevergoeding niet het geval was.

De vennootschap bleef dan ook het achterstallige loon en vakantiegeld verschuldigd evenals de wettelijke intresten daarop vanaf de einddatum van de tewerkstelling.

Met betrekking tot de loonafrekening geeft de vennootschap een gedetailleerd overzicht op p 19 van haar conclusie, met verwijzing naar de afrekening van het sociaal secretariaat (haar stuk 11).

Daaruit blijkt dat het nettobedrag werd berekend op 2.057,57 euro, overeenstemmend met een brutobedrag van 3.096,64 euro.

Terecht stipt de vennootschap aan dat daarin ten onrechte was uitgegaan van een vast maandsalaris van 1.585,58 euro en een gewaarborgd maandloon van 819,51 euro, wat een resultaat van 2.405,09 euro had moeten opleveren, terwijl het vast maandloon in werkelijkheid 1.502,44 euro bedroeg. Dit blijkt inderdaad uit de stukken.

Aangezien slechts 18 dagen werden gepresteerd, kon het bruto verschuldigd loon bijgevolg slechts 1.175,82 euro bedragen.

De afrekening : 2.405,09 euro - 1.175,82 euro, levert een resultaat op van 1.229,27 euro dat te veel werd berekend, wat overeenstemt met een nettobedrag van 545,39 euro dat de vennootschap bijgevolg terecht in mindering brengt.

De vordering van de heer H. was bijgevolg gegrond ten belope van:

-1.175, 82 euro achterstallig maandloon voor oktober 2010

-22,50 euro productiviteitspremie

-669,05 euro enkel vakantiegeld

-75,89 euro aanvullend vakantiegeld

-593,16 dubbel vakantiegeld.

De tegenvordering van de vennootschap heeft betrekking op de schade die zij heeft opgelopen wegens het verlies van de dagontvangsten van vrijdag 6, zaterdag 7 en maandag 9 juli 2007: 7.729,59 en op het bedrag van een geldboete die de heer H. heeft opgelopen wegens een ernstige snelheidsovertreding t.b.v. 215 euro, hetzij in totaal 7.944,59 euro.

De heer H. merkt op dat zij pas voor het eerst in haar conclusies van 27-5-2008 heeft gesteld dat zij zich niet gehouden achtte tot betaling van het achterstallig loon en vakantiegeld.

De verklaring van de vennootschap dat zij eerst de ware toedracht wenste te vernemen i.v.m. de strafklacht en dat zij pas via de verklaringen van de heer H. in het raam van het strafdossier, volledige inlichtingen bekwam is aannemelijk.

De vennootschap meent haar vordering te kunnen steunen op art 18 van de wet van 3-7-1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (WAO). Op grond van die bepaling kan de werknemer gedurende de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst enkel aansprakelijk worden gesteld voor zijn bedrog en zware schuld en voor zijn eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomende lichte schuld.

De zware fout in de zin van art 18 WAO is iedere niet opzettelijke fout die zo grof en buitenmatig is dat zij voor degene die ze begaat niet te verontschuldigen is.

Zij kan niet worden gelijk gesteld met een dringende reden. Dat geen ontslag om dringende reden werd gegeven belet niet dat toch een zware fout in de zin van art 18 WAO wordt ingeroepen.

De vennootschap meent dat er sprake is van een grove nalatigheid vanwege de heer H. die als een zware fout geldt in het raam van art 18 WAO.

Zij wijst erop dat de heer H. zich immers niet gehouden heeft aan de contractuele verplichting om de dagontvangsten dagelijks te storten zodat het bedrag dat zich in de wagen bevond bij de overval reeds was opgelopen tot naar haar zeggen 7729,59 euro.

In de tweede plaats wijst zij erop dat de heer H. dat bedrag los in zijn lunchzak in de wagen had achtergelaten.

De vennootschap meent verder dat de versie van de heer H. met betrekking tot de overval erg twijfelachtig is gelet op verschillende tegenstrijdigheden in zijn verklaringen, waarmee zij lijkt te suggereren dat de heer H. er zelf de hand in had.

Het hof acht deze discussie niet relevant nu zowel de raadkamer als de kamer van inbeschuldigingstelling hebben beslist dat er geen elementen aanwezig waren om de heer H. te vervolgen.

Het hof meent wel rekening te kunnen houden met de verklaringen die de heer H. aan de politie heeft afgelegd.

Daaruit blijkt dat hij inderdaad de dagontvangsten van drie dagen bij zich had, een bedrag van +/- 8.000 euro volgens zijn verklaring.

Hij was bijgevolg zijn contractuele verplichting om de dagontvangsten te storten niet nagekomen voor de dagen van 6 en 7 juli. Dit geldt niet voor de ontvangsten van 9 juli. Er was immers slechts een halve dag verstreken.

De heer H. brengt daartegen in:

-dat gelet op de lange werkdagen, hij nog geen tijd had gevonden om de ontvangsten naar de bank te brengen.

-dat vele werknemers zich niet houden aan de verplichting om de dagontvangsten dagelijks te deponeren.

-dat de vennootschap daar kennelijk niet zwaar aan tilde daar hij niet in gebreke werd gesteld.

De vennootschap antwoordt dat een ingebrekestelling niet vereist is wanneer een wettelijke of jurisprudentiële regel of een contractuele bepaling de vrijstelling ervan met zich meebrengt, wat zij het geval acht.

Zij houdt voor dat zij steeds onmiddellijk en met aandrang de afgifte van de geldontvangsten is blijven eisen daar dit contractueel overeengekomen was en belangrijk was voor de werking van de onderneming. Zij acht geen aanvaardbare reden voorhanden voor het niet doorstorten van die ontvangsten.

Het hof merkt op dat de heer H. zelf verklaarde dat hij over een bankkaart van de onderneming beschikte om de ontvangsten te deponeren. Zulks vraagt niet veel tijd en de heer H. had het zelfs tijdens de uitvoering van zijn dagtaak kunnen doen.

Volgens de vennootschap had hij zelfs het geld bij het ophalen van de goederen voor de volgende dag in het bedrijf zelf kunnen deponeren.

De heer H. heeft evenmin zijn verantwoordelijke verwittigd dat hij het geld niet had kunnen storten.

Van het feit dat andere werknemers zich evenmin hielden aan de verplichting om dagelijks de ontvangsten te deponeren, brengt de heer H. geen enkel bewijs bij. De verplichting daartoe was duidelijk opgenomen in de bijlage aan de arbeidsovereenkomst waarin erop gewezen werd dat het niet opvolgen ervan een dringende reden zou kunnen uitmaken, waaruit blijkt welk belang de vennootschap aan die verplichting hechtte.

Aangezien de 7de juli een zaterdag was, was de dienstoverste van de heer H. wellicht niet aanwezig op kantoor, zodat hij ook niet de gelegenheid had gehad om vast te stellen dat het ontvangstbewijs niet binnen was. Met betrekking tot maandag 9 juli, liggen geen gegevens voor.

Het tweede verwijt dat de heer H. kan worden gemaakt is dat hij het belangrijke bedrag van de dagontvangsten los in zijn lunchzak vooraan in de wagen had laten liggen. Dat was zeker geen veilige plaats.

Dit was inderdaad zeer onverstandig en de heer H. nam hiermee een groot risico. Hij moest immers herhaaldelijk de wagen verlaten om te leveren bij de klant, zodat het geld dan onbeheerd in de wagen achter bleef.

Volgens zijn relaas betreffende de overval, was er een wagen voor hem die telkens vertrok en weer stopte, zodat hij was uitgestapt om te gaan kijken wat er gaande was. Hij liet op dat moment het volledige bedrag van de ontvangsten onbeheerd achter en heeft hiermee een groot risico genomen.

De heer H. beweert nog dat hij op het tijdstip van de overval net van plan was het geld te gaan storten. Het hof hecht hieraan geen geloof.

Tijdens het verhoor werd aan de heer H. om een verklaring gevraagd voor het tijdsverloop tussen het neerleggen van zijn klacht (15u) en de overval (13u naar zijn zeggen).

Het bleek toen dat de heer H. zich in de buurt van Charleroi bevond, waar hij helemaal niet moest zijn en wat hij voor zijn werkgever en zijn echtgenote verborgen wilde houden. De overval zou zich daar hebben voorgedaan. De heer H. verklaarde van daaruit de trein te hebben genomen naar La Louvière om er klacht te gaan neerleggen, daar hij geacht werd zich in die buurt te bevinden.

Het was dus duidelijk dat de heer H. zich wel een middagpauze kon permitteren om ergens heen te gaan waar hij helemaal niet moest zijn doch kennelijk niet de tijd vond om eerst het geld veilig te deponeren in een bankkantoor.

Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de heer H. zich inderdaad schuldig heeft gemaakt aan een grove nalatigheid die beschouwd kan worden als een zware fout in de zin van art 18 WAO.

Het hof houdt er rekening mee dat de dagontvangsten van 9 juli normaal pas tegen de avond moesten gestort worden, zodat het slechts de zware fout weerhoudt met betrekking tot de dagontvangsten van 6 en 7 juli, wegens de combinatie van enerzijds, het niet storten van die ontvangsten, en anderzijds het niet veilig wegbergen ervan en het onbeheerd achterlaten van de gelden in de wagen.

De heer H. betwist het door de vennootschap opgegeven bedrag van 7.729,59 euro, doch aangezien hij zelf aan de politie verklaarde dat het bedrag in totaal ongeveer 8.000 euro bedroeg, is het hof van oordeel dat het door de vennootschap opgegeven bedrag kan weerhouden worden.

Voor de dagontvangsten van 6 en 7 juli kan een bedrag van 6.000 euro worden weerhouden.

Daarnaast is de heer H. nog het bedrag verschuldigd van de boete die hij heeft opgelopen wegens een ernstige snelheidsovertreding. De aansprakelijkheidsbeperking van art 18 WAO betreft enkel de burgerlijke aansprakelijkheid, niet de strafrechtelijke.

Het hof is van oordeel dat de heer H. gehouden is tot terugbetaling van die bedragen en de gerechtelijke intresten erop vanaf het inleiden van de vordering door de vennootschap.

De vennootschap is in ieder geval gehouden tot betaling van de fiscale voorheffing en de sociale bijdragen op het verschuldigd loon.

Er is bijgevolg enkel aanleiding tot gerechtelijke schuldvordering tussen het door de vennootschap verschuldigde nettoloon en de schadevergoeding waartoe zij gerechtigd is tot beloop van het laagste bedrag.

OM DEZE REDENEN;

HET ARBEIDSHOF;

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond in volgende mate:

Hervormt het bestreden vonnis in volgende mate;

Verklaart de vordering van de heer H. gegrond tot beloop van

-1.175, 82 euro achterstallig maandloon voor oktober 2010

-22,50 euro productiviteitspremie

-669,05 euro enkel vakantiegeld

-75,89 euro aanvullend vakantiegeld

-593,16 dubbel vakantiegeld.

Onder aftrek van hetgeen in voorkomend geval reeds werd betaald,

Te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten.

Verklaart de tegenvordering gegrond voor een bedrag van 6.215 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf

29-05-2008 van neerlegging van de conclusie waarmee de tegenvordering werd ingesteld.

Staat de gerechtelijke compensatie toe tussen beide vorderingen tot beloop van het aan de heer H. verschuldigde nettobedrag en de intresten daarop tot de datum van het vonnis.

Veroordeelt de heer H. tot betaling aan de vennootschap van het saldo, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten.

Bevestigt het bestreden vonnis wat de uitspraak met betrekking tot de kosten betreft en slaat de kosten in hoger beroep om tussen partijen.

De kosten werden door partijen begroot op:

In hoofde van de appellante op:

Niet begroot;

In hoofde van de geïntimeerde op :

- 650 euro als rechtsplegingvergoeding voor het Arbeidshof;

Aldus gewezen door de derde kamer en ondertekend door:

G. Balis, kamervoorzitter;

E.Van Laer, raadsheer in sociale zaken, als werkgever;

A. Leurs, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-

bediende;

Bijgestaan door

S. Van Landuyt, afgevaardigd griffier.

G. Balis S. Van Landuyt

E.Van Laer A. Leurs

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het arbeidshof te Brussel op 30 oktober tweeduizend en twaalf door :

G. Balis kamervoorzitter

Bijgestaan door

S. Van Landuyt afgevaardigd griffier

G. Balis S. Van Landuyt

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Aansprakelijkheid werknemer.