- Arrest van 8 januari 2013

08/01/2013 - 2011/AB/1102

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Bij de beoordeling van de bestaansvoorwaarden van het concurrentiebeding moet rekening gehouden worden met de activiteit van de werknemer gedurende de ganse periode van tewerkstelling bij zijn werkgever.

Er kan geen rekening worden gehouden met kennis en ervaring die een werknemer heeft opgedaan bij een vorige werkgever, ook niet wanneer deze betrekking heeft op producten waarvan de verdeling door zijn (nieuwe) werkgever werd overgenomen.

Wel kan rekening worden gehouden met kennis verworven m.b.t. de (andere) producten van zijn (nieuwe) werkgever waarover deze het exclusieve verdeelrecht had.

Het onderhandelen met potentiële klanten (ziekenhuizen) over de aankoop van bepaalde toestellen impliceert een doorgedreven kennis van de technologie en van de eigenschappen ervan, van de prijsstructuur, de marges, de werkmethode, de toegekende kortingen en het klantenbestand van de werkgever welke toelaat producten te vergelijken en de klanten optimaal te adviseren.

Dergelijke informatie kan worden beschouwd als kennis eigen aan de onderneming die kan worden aangewend ten voordele van een concurrerend bedrijf en waardoor aan de werkgever nadeel kan worden berokkend.

Er is voldaan aan de bestaansvoorwaarden van het concurrentiebeding.

Het concurrentiebeding is geschonden wanneer de (gewezen) werknemer bij een concurrerend bedrijf een soortgelijke commerciële activiteit uitoefent na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING ACHT JANUARI VAN 2013

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

1. HOSPITHERA NV, met maatschappelijke zetel te 1070 BRUSSEL, Klein Eilandstraat,

appellante, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door Meester Grysolle Marc, advocaat te Aalst,

Tegen:

1. V. ,

geïntimeerde, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Huyghe Geraldine loco meester Van Cutsem Wouter, advocaat te Sint-Pieters-Leeuw.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 19-09-2011 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 10/3236/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op

1 december 2011,

de conclusies voor de appellante, neergelegd ter griffie op 18 april 2012 en 3 september 2012,

de conclusies, aanvullende conclusies en syntheseconclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 5 maart 2012, 25 juni 2012 en 30 oktober 2012,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 11 december 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

FEITEN EN RECHTSPLEGING

De heer V. trad op 1-3-1998 als uitzendkracht in dienst bij WESA AG, een fabrikant van sterilisatoren met zetel te Eupen. Vanaf 1-1-1999 trad hij er in dienst met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

In 2007 werd hij verkoopsdirecteur (sales manager) voor België.

Na het faillissement van de vennootschap op 17-3-2008, trad de heer V. op 26-3-2008 in dienst bij de NV HOSPITHERA als account manager binnen het departement sterilisatie. Die vennootschap is een verdeler van medisch materiaal dat het echter niet zelf produceert, in tegenstelling tot de AG WESA.

De vennootschap had uit het faillissement van de AG WESA de voorraad en de dienst naverkoop over gekocht.

De heer V. werd in eerste instantie aangeworven om de klantenportefeuille van WESA op te volgen en de coördinatie te begeleiden van het technisch team van de WESA-producten. Een gedeelte van de technische ploeg van WESA werd eveneens aangeworven.

In de arbeidsovereenkomst werd een concurrentiebeding opgenomen dat als volgt luidde:

"Gedurende de 12 maanden die volgen op de verbreking van het contract behalve wanneer hij een schriftelijke toelating van de firma bezit, houdt de werknemer er zich aan geen andere activiteit uit te oefenen, gelijkwaardig aan degene die hij voordien uitoefende, hetzij voor eigen rekening, hetzij voor een concurrerende onderneming en dit in dezelfde activiteitssector. Dit verbod geldt enkel op Belgisch grondgebied.

Behalve wanneer de firma afziet van de toepassing van deze clausule en dit binnen de 14 dagen vanaf het moment van de effectieve verbreking van het contract, zal zij aan de werknemer een eenmalige compenserende vergoeding betalen.

Deze vergoeding zal gelijk zijn aan 6 maanden van het laatst door hem verdiende brutoloon.

Als de werknemer zich niet aan de clausule van niet concurrentie houdt, zal hij aan de firma het bedrag dat zij hem volgens de toepassing van alinea 3 hierboven betaald heeft, terug betalen en haar een compenserende vergoeding betalen gelijk aan 6 maanden loon.

Deze schadevergoeding zal betaald worden ongeacht het recht dat de firma heeft om de totale schadeloosstelling van de geleden schade terug te vorderen."

Op 31-8-2008 zegde de heer V. de arbeidsovereenkomst op met ingang van

1-9-2009. Partijen kwamen overeen dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen op 30-9-2009.

Op 1-10-2009 trad de heer V. als account manager in dienst bij ARSEUS HOSPITAL NV, een concurrerende onderneming.

Bij brief van 23-10-2009 deelde de NV HOSPITHERA aan de heer V. mee dat zij het niet-concurrentiebeding opgenomen in de arbeidsovereenkomst van

26-3-2008 onverkort zou toepassen.

De heer V. antwoordde dat er geen sprake kon zijn van de toepassing van het concurrentiebeding daar de kennis die hij had over de markt en de producten niet eigen was aan de onderneming en zelfs publiek beschikbaar was en dat geen rekening kon worden gehouden met de kennis die hij had opgedaan tijdens zijn meer dan 10 jaar durende arbeidsrelatie met WESA AG.

Met dagvaarding van 22-2-2010 spande de vennootschap een geding aan voor de arbeidsrechtbank waarbij zij de veroordeling van de heer V. vorderde tot betaling van een bedrag van 29.230,20 euro wegens schending van het niet concurrentiebeding.

Met het bestreden vonnis, verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk doch ongegrond met veroordeling van de vennootschap tot de kosten van het geding.

Zij was van oordeel dat uit de voorgelegde stukken bleek

-dat de heer V. vooraleer hij werkzaam was bij de NV HOSPITHERA reeds tien jaar ervaring had binnen de sector sterilisatie, in het bijzonder met WESA-producten.

-dat hij door HOSPITHERA werd aangetrokken om die producten verder te behartigen, terwijl zijn nieuwe werkgever (ARSEUS) dergelijke producten niet verdeelde.

-dat de heer V. zijn kennis met betrekking tot de producten niet had opgedaan bij de NV HOSPITHERA doch bij de NV WESA zelf.

Zij achtte verder niet bewezen dat de heer V. bij de NV HOSPITHERA een bijzondere kennis had opgedaan op industrieel of handelsgebied buiten deze met betrekking tot de WESA-producten.

VORDERINGEN IN HOGER BEROEP

De vennootschap kan zich niet neerleggen bij de uitspraak van de arbeidsrechtbank. Zij vordert dat het hof haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren en de heer V. bijgevolg zou veroordelen tot betaling van een bedrag van 29.320,20 euro te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en tot de kosten van het geding.

De heer V. verzoekt het hoger beroep van de vennootschap ongegrond te verklaren, gelet op de nietigheid van het concurrentiebeding en haar te veroordelen tot de kosten.

BEOORDELING

I.ONTVANKELIJKHEID

Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep dat regelmatig is naar vorm, binnen de wettelijke termijn werd ingesteld. Aan de andere ontvankelijkheidvereisten is eveneens voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.

II. TEN GRONDE

Vooraf

De heer V. legde voor de zitting een conclusie neer met verzoek de nieuwe stukken die appellante wenste neer te leggen uit de debatten te weren.

Aangezien appellante geen nieuwe stukken neerlegt, is er daarover geen betwisting meer.

Ten gronde

Overeenkomstig art 65§1 van de wet van 3-7-1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (afgekort WAO) is het concurrentiebeding "een beding waarbij de werkman de verbintenis aangaat bij zijn vertrek uit de onderneming geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen, hetzij door zelf een onderneming uit te baten, hetzij door in dienst te treden bij een concurrerende werkgever, waardoor hij de mogelijkheid heeft de onderneming die hij heeft verlaten nadeel te berokkenen door de kennis die eigen is aan die onderneming en die hij op industrieel of op handelsgebied in die onderneming heeft verworven, voor zichzelf of ten voordele van een concurrerende onderneming aan te wenden.

Art 86§1 van de WAO verklaart die bepaling eveneens van toepassing op de bedienden.

Voor het concurrentiebeding gelden volgende bestaansvoorwaarden:

-een verbintenis van de werknemer om bij het vertrek uit de onderneming

geen soortgelijke activiteit uit te oefenen voor zichzelf of een concurrerende onderneming

-hij moet de mogelijkheid hebben de werkgever nadeel te berokkenen

-door de kennis eigen aan zijn werkgever, die hij op industrieel of handelsgebied heeft verworven aan te wenden voor zichzelf of een concurrerende werkgever.

Indien niet aan die bestaansvoorwaarden is voldaan heeft het beding geen uitwerking. Beide partijen kunnen zich daarop beroepen. (AH Luik, afd.Namen, 8-1-2004, JTT 2004, 331; AH. Br. 5-3-2004 AR 42.730)

Of aan die voorwaarden is voldaan moet bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst worden beoordeeld.(Cass.7-5-1984, JTT '84, p 362)

Kennis die bij een vorige werkgever werd verworven komt hierbij niet in aanmerking. Het moet immers gaan om kennis eigen aan de onderneming die werd opgedaan bij de uitoefening van de activiteit binnen de onderneming van de werkgever.

(AH Luik 8-1-2004, JTT 2004, 331)

Met soortgelijke activiteiten worden zowel de activiteiten van de opeenvolgende ondernemingen bedoeld, gelet op de term concurrerende werkgever als de activiteiten van de werknemer zelf.

Een concurrentiebeding kan slechts gelden voor werknemers die rechtstreeks of onrechtstreeks in de uitoefening van hun functie een bijzondere inhoudelijke kennis verwerven op industrieel of commercieel gebied die eigen is aan de onderneming en die wanneer zij buiten de onderneming wordt benut voor haar nadelig kan zijn.

De termen "op industrieel en handelsgebied" worden ruim opgevat.

Het betreft de informatie waarmee indien ze bekend is de werkgever een concurrentieel nadeel kan worden toegebracht en de beneficiaris een voordeel.

Het beding is bovendien onderworpen aan de in art 65§2 bepaalde geldigheidsvoorwaarden.

De heer V. beroept zich op de nietigheid van het concurrentiebeding.

Hij meent dat het niet beantwoordt aan de omschrijving van art 65§1 WAO.

Meer bepaald betwist hij dat hij "kennis heeft opgedaan op industrieel of handelsgebied die eigen is aan de onderneming."

Die voorwaarde, waarover de betwisting handelt, behoort inderdaad tot de bestaansvoorwaarden van het concurrentiebeding.

De vennootschap meent dat de arbeidsrechtbank ten onrechte is voortgegaan op de feiten zoals ze door de heer V. werden voorgesteld, nl. dat hij enkel werd aangeworven om de WESA producten te verkopen en de dienst na verkoop ervan te coachen.

De vennootschap betwist niet dat de heer V. werd aangeworven omdat hij kennis had van de WESA producten en van de markt. Aangezien de heer V. wist wanneer deze producten bij de klanten aan vervanging toe waren, kon hij het cliënteel dan op een gerichte wijze benaderen om haar eigen toestellen te verkopen.

Aangezien de fabricatie van WESA-toestellen door het faillissement van die vennootschap was gestopt en het gamma van HOSPITHERA bovendien veel ruimer was dan dat van WESA was de heer V. ook verplicht om de andere door HOSPITHERA verdeelde toestellen te verkopen, zo stelt ze. Bijgevolg diende hij kennis op te doen van die toestellen.

De heer V. houdt staande dat hij enkel in dienst werd genomen omwille van zijn ervaring met de WESA-producten en dat hij gedurende zijn tewerkstelling grosso modo hetzelfde werk heeft verricht als bij WESA, nl. WESA producten verkopen, het cliënteel en de WESA technici bijstaan. Bij zijn huidige werkgever (ARTREUS) verkoopt hij helemaal geen WESA producten en is hij verantwoordelijk voor de "nieuwkoop".

De heer V. beweert geen enkele kennis te hebben opgedaan op industrieel of handelsgebied eigen aan de onderneming HOSPITHERA en meent dat de vennootschap daarvan ook geenszins het bewijs levert.

In zijn argumentatie spitst de heer V. zich voornamelijk toe op de periode van aanwerving eerder dan op zijn activiteit gedurende de ganse tewerkstellingsperiode.

In het aanwervingsvoorstel van 25-3-2008 was een

-bonusmogelijkheid gelijk aan één maandsalaris voorzien bij behoud van 80% van de bestaande omzet 2007 met betrekking tot onderhoud, herstellingen, werkuren, verplaatsingen en wisselstukken.

-een aanvullende bonus ter waarde van 1 maandwedde wanneer de aangeworven techniekers voor het gamma WESA minstens één jaar in dienst bleven.

Die voorwaarden werden opgenomen in de bijlage aan de arbeidsovereenkomst van 26-3-2008.

De heer V. verwijst verder naar de mededeling van HOSPITHERA met betrekking tot zijn aanwerving. Daarin deelt zij mee:

"Wij hebben het genoegen u mee te delen dat Dhr. V. vanaf 26 maart de Divisie Sterilisatie & Hygiëne versterkt als Account Manager WESA producten (afdeling Sterilization W-772) voor België. De heer V. rapporteert rechtstreeks aan Vera Vanstreels Division Manager Sterilisation & Hygiëne"

Uit die elementen kan inderdaad worden afgeleid dat de heer V. in eerste instantie de klantenportefeuille van WESA zou opvolgen en de coördinatie van het technisch team van die producten zou begeleiden, waarvan de vennootschap het machinepark en de technische ploeg had overgenomen.

In de arbeidsovereenkomst is echter niet vermeld dat de heer V. enkel de verkoop en het onderhoud van het WESA-gamma tot taak zou hebben.

Uit een door de vennootschap voorgelegde e-mail voor van 15-9-2008 blijkt dat de heer V. niet enkel de oud-WESA klanten bediende maar ook HOSPITHERA klanten in Oost-Vlaanderen en dat twee andere account managers eveneens WESA-klanten kregen toegewezen, zodat het niet correct blijkt dat de heer V. alleen instond voor het oude WESA cliënteel.

De vennootschap legt ook een offerte voor m.b.t. een stoomsterilisator CISA voor het OLV Aalst voor een totaal bedrag van 45.128,60 euro en houdt voor dat die opdracht volledig door de heer V. werd ter harte genomen wat volgens haar blijkt uit een schrijven van 19-3-2009.

De heer V. merkt daarbij op dat de offerte werd doorgestuurd door zijn collega Van Streel en dat enkel naar hem werd verwezen i.v.m. verschillende opties, waaronder "verhuis van de WESA cadet MKA naar de nieuwbouw"zodat zijn tussenkomst enkel verbonden was met de WESA producten.

In de brief wordt echter duidelijk gesteld:

"De heer W.V., Account manager, verblijft volledig tot uw beschikking om het uiteindelijke opdrachtproject samen met u af te ronden ..."

De offerte vermeldt bovendien de initialen VV (Vera Vanstreels) en WVB ( V.), zodat mag aangenomen worden dat de heer V. ten volle bij die opdracht was betrokken.

De vennootschap verwijst eveneens naar een mailwisseling tussen een ziekenhuis in Mulhouse met betrekking tot een offerte van autoclaaf van het merk CISA die de heer V. zo snel mogelijk beloofde over te maken.

De heer V. verduidelijkt dat het ziekenhuis in Mulhouse een WESA-klant was met drie sterilisatoren die de heer V. door een technicus bij HOSPITHERA verder heeft laten onderhouden. Omdat hij de contactpersoon was werd de vraag voor de CISA-offerte aan hem gesteld. Hij stelt dat de gevraagde opleiding voor het personeel de besturing van de WESA autoclaven betrof en dat er geen offerte werd gemaakt voor CISA aangezien appellante dat merk niet in Frankrijk mocht verkopen daar dit was voorbehouden aan CISA Frankrijk. De vennootschap weerlegt dit niet.

Uit het antwoord van de heer V. kan inderdaad niet worden afgeleid dat hij zelf een offerte zou opmaken. "Ik houd me ermee bezig u een offerte en een prospectus voor een autoclaaf van het merk CISA te laten geworden"(vertaling). Dit kan even goed betekenen dat dit zou gebeuren via een ander persoon of de zustervennootschap.

De vennootschap verwijst nog naar een offerte voor een wasmachine STEEL-CO DS500DRS, een toestel dat niet door WESA werd verdeeld.

De heer V. beweert dat het een prijsvraag voor wasmachines Miele betrof die wel door WESA werden verdeeld, zoals blijkt uit de door de vennootschap overgenomen voorraad.

Het hof merkt op dat er in de offerte sprake is van STEELCO apparatuur waarvan de vennootschap stelt zij er de exclusieve verdeler van was, evenals van CISA en STERIS.

Uit het door de heer V. verstuurde bericht van 11-8-2009 blijkt zijn kennis van die producten en van de prijszetting (commissies, kortingen).

De vennootschap houdt voor dat de heer V. onder meer werd geschoold op het domein van waterstofperoxide en plasmatechnologie die als sterilisatietechnieken werden gebruikt in de door haar verdeelde producten die niet tot het WESA-productengamma behoorden.

Met betrekking tot het verwerven van kennis i.v.m. de door haar verdeelde producten (andere dan WESA producten) brengt de vennootschap een aantal stukken bij:

m.b.t. aquazero tehnologie voor autoclaven, (fabrikant CISA) volledig gamma wasmachines en cartwashers (fabrikant Steelco) en lage temperatuur plasmasterilisatoren (CISA en Steelco)

Uit die stukken blijkt dat de heer V.

-deelnam aan een CISA meeting op het bedrijf op 27-8-2008

-van 14 tot 16-5-2008 een commerciële opleiding heeft gevolgd te Rome bij CISA betreffende autoclaven, wasmachines en plasmasterilisatie

-van 12 tot 18 juli heeft deelgenomen aan een internationale verkooptraining CISA in Sao Paulo Brazilië.

De heer V. beweert dat hij daar enkel als gast van CISA aanwezig was en bovendien ter vervanging van mevrouw Van Streel, (divisieverantwoordelijke sterilisatie) die met vakantie was.

De vennootschap antwoordt dat de heer V. onkostennota's indiende, waaronder kosten voor een werklunch en dus wel degelijk aanwezig was op haar verzoek.

Verder verwijst ze naar de agenda waaruit blijkt dat er een uitgebreid programma werd aangeboden met het oog op de productkennis van het CISA -gamma.

De agenda toont aan dat het inderdaad om een gespecialiseerde opleiding ging.

De heer V. beweert dat hij reeds van al die technieken op de hoogte was: lage temperatuur sterilisatie en domeinwaterstof en hij reeds bij WESA via de firma Johnson & Johnson de technologie met waterstofperoxide aanbood en WESA daarnaast nog gelijkwaardige producten uitbracht: ethylemoxide autoclaaf en formolautoclaaf.

De vennootschap repliceert dat indien de heer V. reeds van alle technieken op de hoogte was geweest er geen enkele reden zou zijn geweest om hem naar de Meeting in Brazilië te zenden.

Zij onderlijnt dat hij nog altijd kennis kon opdoen over de nieuwe technologieën en over nieuwe producten zoals toestellen voor labo's en lage temperatuur plasma sterilisatoren, besproken op 17 juli, die niet tot het WESA-gamma behoorden.

Tijdens die opleiding werden de producten van CISA ook vergeleken met die van andere merken.

De heer V. stelt dat alle apparaten voor sterilisatie, wasmachines en aanverwante producten sterk op elkaar lijken en enkel verschillen in de afwerking.

Hij wijst erop dat die technieken slechts 5% uitmaakten van de industrie van de vennootschap die dit niet tegen spreekt.

De heer V. voert aan dat de vennootschap intussen de overeenkomst met CISA heeft opgezegd, doch dit argument is niet relevant nu die opzegging dateert van meer dan één jaar nadat hij de onderneming heeft verlaten om bij een concurrerend bedrijf in dienst te treden.

m b. t endoscoop reprocessing systems (ERS)

De voorgelegde stukken tonen aan

-dat de heer V. zich op 7-8-2008 naar de lokale distributeur van CISA in de UK begaf voor het gamma ERS met een bezoek aan een ziekenhuis om het toestel in werking te zien.

Ook hiervoor diende de heer V. een onkostennota in.

De heer V. betwist dit niet doch beweert dat het een opleiding betrof. Hij zou het product enkel zijn gaan bekijken in het kader van een offerte, nl. zijn deelname aan een aanbesteding van het OLV ziekenhuis te Aalst.

In zijn onkostennota vermeldde hij echter wel dat het een opleiding betrof.

De heer V. merkt hierbij op dat hij reeds kennis had van dergelijke producten daar bij WESA reeds gelijkaardige machines werden verkocht van het merk Olympus en van het merk Waserburg (Johnson & Johnson) en dat de vennootschap niet aantoont dat hij nieuwe kennis heeft opgedaan.

Naar de mening van het hof toont het bezoek van de heer V. met het oog op een deelname aan een offerte wel aan dat hij hiermee kennis verwierf m.b.t. een type toestel die belangrijk was voor het opstellen van die offerte.

-dat zijn deelname van 12 tot 18 juli 2008 aan de internationale verkooptraining CISA in Sao Paulo ook betrekking had op dergelijke producten.

Uit de agenda blikt dat op 16 en 17 juli de endoscoop en reprocessing systemen werden besproken met een vergelijking tussen de CISA producten en die van andere merken.

-dat de heer V. deelnam aan een aanbesteding OLV ziekenhuis te Aalst op 25-5-2009 met ERS.

-dat hij deelnam aan congressen AIEVV-vereniging van endoscopie verpleegkundigen.

m.b.t. V-PRO van STERIS (een autoclaaf op basis van waterstof peroxide)

De vennootschap stelt

-dat de heer V. met betrekking tot dit product een interne sales en productietraining genoot, gegeven door de heer Charles Ghesquière, senior consultan.

-dat hij klanten uit zijn regio heeft uitgenodigd voor een demonstratie van dit toestel met ondersteuning door de heer Ghesquière.

-dat hij offertes opstelde en afspraken maakte bij klanten uit zijn regio.

Dat de heer V. geen van die toestellen heeft verkocht, zoals hij beweert is niet van belang bij de beoordeling van de opgedane kennis. Van belang is of hij de kennis kon aanwenden ten voordele van een concurrerend bedrijf.

De vennootschap verwijst naar haar stuk 10, een rapporteringlijst van de maand juli 2009 van de heer V. met aanduiding van productgamma's die de heer V. bij WESA niet verkocht.

De heer V. benadrukt dat hij zich steeds vooral heeft bezig gehouden met sterilisatoren wasmachines en aanverwanten, producten die jarenlang meegaan en dat de randproducten waarnaar de vennootschap verwijst, minder belangrijke producten zijn waarvoor geen enkele kennis nodig is.

Het hof is van oordeel dat uit de besproken elementen blijkt

-dat de heer V. inderdaad een belangrijke ervaring had opgedaan met de door WESA verdeelde producten: autoclaven, wasmachines ed. waarmee geen rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van het concurrentiebeding.

-dat hij bij HOSPITHERA eveneens kennis heeft opgedaan van de door die vennootschap verdeelde producten o.m. CISA, STEELCO en STERIS, waarover zij het alleenverdeelrecht had. Dat die kennis wel degelijk als kennis eigen aan de onderneming HOSPITHERA moet worden beschouwd aangezien voor sommige ervan technieken werden gebruikt waarmee de heer V. bij zijn eerdere werkgever WESA geen ervaring had opgedaan. Dat zelfs indien deze toestellen dezelfde techniek hanteerden er toch altijd specifieke kenmerken zijn o.m. wat afwerking betreft (zoals de heer V. zelf stelt), gebruiksvriendelijkheid, efficiëntie en snelheid, onderhoud, zuinigheid qua energiegebruik, prijs etc.

De heer V. stelt zelf dat een doorgedreven kennis toelaat de verschillende producten te vergelijken en aldus de klant optimaal te adviseren. Om die vergelijking te kunnen maken moest hij volledige kennis hebben van de technologie, alle eigenschappen van het toestel en de gehanteerde prijzen.

Aangezien de heer V. onderhandelde over de aankoop van die toestellen door de ziekenhuizen was hij ook op de hoogte van de prijsstructuur, de marges, de werkmethode, de toegekende kortingen en het klantenbestand van de vennootschap. Dergelijke informatie behoort tot de zakengeheimen. Bovendien kon hij zo vernemen bij welke klanten de apparatuur aan vervanging zou toe zijn.

Dergelijke commerciële informatie die eigen was aan zijn werkgever HOSPITHERA kon hij in het raam van zijn tewerkstelling bij een concurrerende firma aanwenden en er zijn voormalige werkgever nadeel mee berokkenen.

Het hof is bijgevolg van oordeel dat wel degelijk voldaan is aan de bestaansvoorwaarden van het concurrentiebeding. Er is geen betwisting aangaande de geldigheidvoorwaarden waaraan eveneens voldaan blijkt.

De heer V. heeft het concurrentiebeding van zijn arbeidsovereenkomst wel degelijk geschonden door bij een concurrerend bedrijf een soortgelijke commerciële activiteit te gaan uitoefenen.

De vordering van de vennootschap komt bijgevolg gegrond voor.

OM DEZE REDENEN;

HET ARBEIDSHOF;

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Hervormt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de heer V. tot betaling aan de NV HOSPITHERA van een bedrag van 29.230 euro en de gerechtelijke intresten daarop.

Veroordeelt de heer V. tevens tot de kosten van beide aanleggen.

Deze kosten werden door partijen begroot op:

Voor Hospithera N.V. op:

228,34 euro dagvaardingskosten;

2.200 euro rechtsplegingvergoeding eerste aanleg;

55,78 euro aanvullende rechtsplegingvergoeding;

2.200 euro rechtsplegingvergoeding hoger beroep.

Voor V. op:

2.200 euro rechtsplegingvergoeding eerste aanleg;

2.200 euro rechtsplegingvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Geertrui BALIS, kamervoorzitter,

Erik VAN LAER, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Andre LEURS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Sonja VAN LANDUYT, afgevaardigd griffier.

Sonja VAN LANDUYT Geertrui BALIS

Erik VAN LAER Andre LEURS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 8 januari 2013 door:

Geertrui BALIS, kamervoorzitter,

bijgestaan door

Sonja VAN LANDUYT, afgevaardigd griffier.

Sonja VAN LANDUYT Geertrui BALIS

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Concurrentiebeding bedienden

  • Bestaansvoorwaarden.