- Arrest van 7 maart 2013

07/03/2013 - 2011/AB/846

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De opheffing van de discriminatie waarvan de vroegere stewardessen van de maatschappij Sabena het slachtoffer werden als gevolg van de ongelijke behandeling inzake pensioenen, kan afhankelijk gesteld worden van de verpichting regularisatiebijdragen te betalen. Daarop mogen geen andere intresten worden gevorderd dan deze die de inflatie compenseren en de praktische modaliteiten mogen een effectieve regularisatie niet onmogelijk maken. Indien nodig dient de nationale rechter de interne wetgeving terzijde te schuiven, ten einde een gepaste uitvoering te geven aan deze regels (H.v.J. EG, 21/06/2007).

De RVP kan in dit kader niet eisen dat de betrokken werknemers intresten dienen te betalen tot op het ogenblik dat de effectieve regularisatiebijdragen zijn betaald, terwijl zij op het bijkomend pensioen slechts intresten zouden kunnen vorderen vanaf die betaling, en niet vanaf het ogenblik waarop het bijkomend pensioen verschuldigd is, en daarvoor een procedure werd ingeleid voor de arbeidsrechtbank die als ingebrekestelling de intresten doet lopen.

De RVP dient, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16ter, §§ 1 en 2, van het KB van 3/11/1969, over te gaan tot de berekening van de regularisatiebijdragen voor het rustpensioen, vermeerderd met de intrest van 10% per jaar, tot op de datum waarop het pensioenrecht geopend werd. Daarna dient dan verder een afrekening opgesteld te worden waarbij wordt overgegaan tot de aanrekening, maand per maand, van de verschuldigde pensioenachterstallen op de verschuldigde regularisatiebijdragen, vermeerder met de enkelvoudige intrest van 10%, waarbij deze laatste intrest blijft lopen op het gedeelte van het nog niet geregulariseerde bedrag.

Zolang de regularisatiebijdragen, verhood met de intresten, niet volledig zijn aangezuiverd door compensatie, zijn er geen wettelijke intresten verschuldigd op de achterstallige pensioenen. Van zodra de aanzuivering van de regularistiebijdragen, vermeerderd met de intresten, volledig gerealiseerd is lopen de intresten op de pensioenachterstallen.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 MAART 2013

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - pensioenen

tegensprekelijk

heropening van de debatten

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

1. RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN, met maatschappelijke zetel te 1060 BRUSSEL, Zuidertoren, appellant, vertegenwoordigd door mr. STROOBANTS V. loco mr. BIESEMANS Bart, advocaat te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29 B1,

tegen:

1. R. , wonende te xxx,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. NIEUWDORP Eric, advocaat te 1200 BRUSSEL, Neerveldstraat 109 en door mr. HEYNDERICKX Jacqueline, advocaat te 1050 BRUXELLES, avenue Louise 129 A

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 19 juni 1997 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 10e kamer (A.R. 19.628/96),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 18 juli 1997,

- de neergelegde conclusies,

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 26 december 2012 door advocaat-generaal ANDRE,

- de replieken op dit advies, neergelegd ter griffie op 21 januari voor mevrouw R. en op 24 januari 2013 voor de RVP,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 6 december 2012, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie zijn schriftelijk advies ter griffie heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op de openbare terechtzitting van 21 februari 2013. De uitspraak werd ten slotte verdaagd op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

Mevrouw R. was tewerkgesteld bij de luchtvaartmaatschappij Sabena van 1971 tot 1995. Op 12 september 1995 diende zij een aanvraag in om een rustpensioen te kunnen genieten. Bij beslissing van 14 mei 1996 werd haar een rustpensioen toegekend van 13.844,93 euro per jaar met ingang van 1 oktober 1996.

2.

Bij verzoekschrift van 7 juni 1996 heeft mevrouw R. deze beslissing aangevochten voor de arbeidsrechtbank te Brussel. Mevrouw R. voerde, samen met andere vrouwelijke collega's, aan dat zij gediscrimineerd werd ten overstaan van het mannelijk vliegend cabinepersoneel voor de berekening van het rustpensioen voor de periode van tewerkstelling tussen 1 januari 1964 en 31 december 1980, vermits voor deze periode haar pensioen berekend werd op een lagere bezoldiging dan deze van haar mannelijke collega's.

3.

Bij vonnis van 19 juni 1997, ter kennis gebracht op 26 juni 1997, verklaarde de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering van mevrouw R. principieel gegrond. De arbeidsrechtbank was van oordeel dat er inderdaad sprake was van een discriminatoire behandeling. De eerste rechter beval de heropening van de debatten teneinde de Rijksdienst voor Pensioenen toe te laten over te gaan tot de vaststelling van het rustpensioen waarop mevrouw R. recht had. Een nieuwe berekening moest gemaakt worden van de bezoldigingen die in aanmerking dienden genomen te worden voor de periode van 1 januari 1964 tot 31 december 1980 en waarop dezelfde berekeningsmodaliteiten en dezelfde voorwaarden moesten toegepast worden als deze van het mannelijk boordpersoneel.

4.

Bij verzoekschrift van 18 juli 1997 heeft de Rijksdienst voor Pensioenen hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

Het wettelijk kader van de betwisting.

1.

In de periode van 1 januari 1964 tot 31 december 1980 golden bij de luchtvaartmaatschappij Sabena andere criteria voor de mannelijke en vrouwelijke stewards voor de berekening van het pensioen. Voor het mannelijk cabinepersoneel werd met name uitgegaan van het volledige loon. Zulks werd bepaald door een Koninklijk Besluit van 15 april 1965. De stewardessen bleven onderworpen aan het gewone pensioenregime voor de bedienden. Zij betaalden dan ook minder bijdragen dan hun mannelijke collega's.

Bij Koninklijk Besluit van 27 juni 1980 werden ook de stewardessen opgenomen in het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart. Bijgevolg werden vanaf 1 januari 1981 voor hen ook de bijzondere regels inzake pensioenrechten van toepassing die golden voor de stewards.(Dit verklaart dat de huidige betwisting enkel betrekking heeft op de pensioenen die berekend werden voor de tewerkstelling in die periode van 1 januari 1964 tot 31 december 1980.)

2.

Bij Koninklijk Besluit van 8 maart 1984 heeft de Belgische wetgever een regularisatieprocedure voor de stewardessen ingevoerd voor de periode tussen 1 januari 1964 en 1 januari 1981. Dit Koninklijk Besluit werd echter nietig verklaard bij arrest van de Raad van State van 7 september 1987.

Een nieuw Koninklijk Besluit werd genomen op 25 juni 1997. Het betreft een Koninklijk Besluit tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 3 november 1969 houdende de vaststelling, voor het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart, van de bijzondere regels betreffende het ingaan van het pensioenrecht, en van de bijzondere toepassingsmodaliteiten van het Koninklijk Besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen.

Het Koninklijk Besluit, dat een artikel 16 ter invoegde in het Koninklijk Besluit van 3 november 1969 bepaalde in het bijzonder het volgende:

" Art. 16ter. § 1. Elke periode gelegen na 31 december 1963 tijdens dewelke de werknemer was tewerkgesteld in de hoedanigheid van lid van het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart, voor rekening van een werkgever bedoeld bij artikel 1, § 1, eerste lid, 5°, wordt eveneens in aanmerking genomen voor de vaststelling van de uitkering voorzien bij dit besluit, onder de voorwaarden opgenomen in § 2 hierna.

§ 2. Het voordeel van de bepaling van § 1 is afhankelijk van de globale storting van de werkgevers- en de werknemersbijdragen die inzake pensioen verschuldigd zijn krachtens de bijzondere regelen met betrekking tot het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart, na aftrek van het bedrag van de werkgevers- en werknemersbijdragen die gestort werden voor de pensioenen in de hoedanigheid van bediende.

§ 3. In afwijking van de bepalingen van § 2 zijn voor de werknemers, tewerkgesteld in de hoedanigheid van testpiloot of van stewardess gedurende de periode van 1 januari 1964 tot 31 december 1980, enkel de bijkomende werknemersbijdragen verschuldigd.

§ 4. De bijdragen bedoeld in de §§ 2 en 3 worden berekend op basis van de bijdragevoeten en van de lonen betreffende de te regulariseren periode.

....

Een enkelvoudige intrest van 10 pct. per jaar is verschuldigd voor de periode die aanvangt op het einde van elk kalenderjaar van de te regulariseren periode en eindigt op de datum van de aanvraag tot regularisatie.

§ 5. De aanvraag tot regularisatie moet door de betrokkene of diens langstlevende echtgenoot bij aangetekend schrijven worden gericht aan de Rijksdienst voor pensioenen.

Na onderzoek wordt door de Rijksdienst een gemotiveerde beslissing genomen welke aan de betrokkene of aan diens langstlevende echtgenoot wordt betekend.

§ 6. De betaling van de bij §§ 2 en 3 bedoelde bijdragen en van de bij § 4 bedoelde verwijlintresten gebeurt ineens binnen de zes maanden na ontvangst van de in § 5, tweede lid, bedoelde beslissing.

Zo de betaling niet binnen deze termijn gebeurt, is een verwijlintrest van 10 pct. per jaar verschuldigd, onder voorbehoud van het bepaalde in het volgende lid.

Op verzoek van de betrokkene kan de betaling gespreid worden op de wijze als bepaald bij artikel 6, § 5, derde en vierde lid, van het koninklijk besluit van 21 december 1967. De betaling in annuïteiten is slechts toegelaten voor zover de betrokkene geen rustpensioen geniet of voor zover het overlevingspensioen niet is ingegaan"

Samengevat bepaalde het Koninklijk Besluit dus dat de stewardessen, voor de periode van tewerkstelling als vliegend personeel na 1 januari 1964, recht konden hebben op een rustpensioen dat op dezelfde wijze berekend werd als hun mannelijke collega's, op voorwaarde dat voor deze periode door de betrokken stewardessen een eenmalige regularisatiebijdrage gestort werd, verhoogd met een enkelvoudige interest van 10% per jaar. De stewardessen dienden, volgens het Koninklijk Besluit, een regularisatieaanvraag in te dienen.

Dit Koninklijk Besluit werd door de beroepsvereniging van de stewardessen eveneens betwist voor de Raad van State. Bij arrest nr.127.857 van 6 februari 2004 heeft de Raad van State het beroep tot nietigverklaring echter afgewezen.

3.

Ondanks het arrest van de Raad van State bleef echter betwisting bestaan over de vraag of het Koninklijk Besluit van 25 juni 1997 niet in zijn geheel of gedeeltelijk in strijd was met de Europese regelgeving en met name met de Europese richtlijn nummer 79/7 van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.

In die context heeft de 8e kamer van dit hof, in het kader van een gelijklopende betwisting, bij arrest van 22 mei 2006, een aantal prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

Bij arrest van 21 juni 2007 heeft het Hof van Justitie daarover als volgt uitspraak gedaan:

"1) Wanneer een lidstaat een regeling vaststelt waardoor personen van het ene geslacht, die aanvankelijk werden gediscrimineerd, voor de volledige duur van hun pensioen gebruik kunnen maken van de pensioenregeling die geldt voor de personen van het andere geslacht,

- dan verzet richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, zich niet ertegen dat deze lidstaat de aansluiting bij die regeling afhankelijk stelt van de betaling van regularisatiebijdragen ten belope van het verschil tussen de bijdragen die in het tijdvak waarin de discriminatie heeft plaatsgevonden zijn betaald door de aanvankelijk gediscrimineerde personen en de hogere bijdragen die in dezelfde periode zijn betaald door de andere groep personen, vermeerderd met een rente ter compensatie van de inflatie;

- dan verzet deze richtlijn zich integendeel wel ertegen dat deze lidstaat verlangt dat over die regularisatiebijdragen andere dan ter compensatie van de inflatie bedoelde rente wordt betaald;

- dan verzet deze richtlijn zich verder ertegen dat wordt verlangd dat deze regularisatiebijdragen in één keer worden betaald, wanneer daardoor de beoogde regularisatie in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. Dat is met name het geval wanneer het te betalen bedrag hoger ligt dan het jaarlijkse pensioen van de betrokkene.

2) De autoriteiten van de betrokken lidstaat dienen naar aanleiding van een prejudicieel arrest waarin het Hof heeft vastgesteld dat een nationale wettelijke regeling onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, passende algemene of bijzondere maatregelen te nemen om de naleving van het gemeenschapsrecht te verzekeren, door met name ervoor te zorgen dat het nationale recht zo spoedig mogelijk in overeenstemming wordt gebracht met het gemeenschapsrecht en dat de rechten die de burgers aan het gemeenschapsrecht ontlenen volle uitwerking krijgen.

Wanneer een met het gemeenschapsrecht strijdige discriminatie is vastgesteld, moet de nationale rechter, zolang geen maatregelen zijn genomen om de gelijke behandeling te herstellen, elke nationale discriminerende bepaling buiten toepassing laten, zonder dat hij de opheffing ervan door de wetgever heeft te vragen of af te wachten, en moet hij op de leden van de benadeelde groep dezelfde regeling toepassen als op de leden van de andere groep."

De standpunten van partijen.

4.

In het licht van het arrest van het Hof van Justitie hebben partijen in de loop van de procedure hun argumentatie en standpunten aangepast. Het hof geeft enkel de standpunten weer in zoverre deze nog relevant zijn op dit ogenblik.

5.

De Rijksdienst voor Pensioenen is van oordeel dat, vooraleer tot een bijpassing van het pensioenbedrag kan overgegaan worden, het noodzakelijk is dat de pensioenbijdragen geregulariseerd worden, verhoogd met de wettelijke intrest van 10% per jaar, overeenkomstig het Koninklijk Besluit van 3 november 1969, zoals gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 25 juni 1997. Een regularisatie van de pensioenbijdragen kan daarbij slechts gebeuren nadat de betrokkenen uitdrukkelijk daarvoor een aanvraag hebben ingediend. De Rijksdienst voor Pensioenen wijst erop dat mevrouw R. oorspronkelijk voor de rechtbank en voor het hof steeds betwist hebben dat zij gehouden was tot het betalen van een regularisatiebijdrage. Het is slechts bij besluiten van 9 september 2011 dat zij het principe aanvaard heeft van de betaling van regularisatiebijdragen. Bijgevolg kan slechts de datum van 9 september 2011 in aanmerking genomen worden als datum van de regularisatieaanvraag, met als gevolg dat de intresten van 10% voorzien in artikel 4 § 6 al.3 van het Koninklijk Besluit van 3 november 1969 tot op dat ogenblik lopen.

De Rijksdienst voor Pensioenen is verder van oordeel dat de wettelijke intresten op de bijkomende pensioenen, waarop mevrouw R. kan aanspraak maken, ook slechts vanaf die datum kunnen beginnen lopen. Intresten kunnen immers slechts verschuldigd zijn vanaf het ogenblik waarop een recht opeisbaar is en het recht op een bijkomend pensioen ontstaat slechts na de betaling van de regularisatiebijdragen.

De Rijksdienst voor Pensioenen stelt in zijn synthesebesluiten dat volgens de afrekening opgemaakt volgens deze principes, nog een bedrag verschuldigd is van 6.125,695 aan mevrouw R.. In de repliekconclusies na het advies van het openbaar ministerie komt de Rijksdienst voor Pensioenen echter aan een bedrag van 10.704,50 euro , dat inmiddels ook zou betaald zijn.

6.

Mevrouw R. aanvaardt thans dat de betaling van de regularisatiebijdragen noodzakelijk is om te kunnen genieten van het voordeel van een aanpassing van het pensioen. Zij aanvaardt ook dat daarop intresten kunnen gevorderd worden overeenkomstig artikel 16ter van het Koninklijk Besluit van 3 november 1969, zoals gewijzigd door het Koninklijk Besluit 25 juni 1997. Volgens mevrouw R. kunnen echter, in toepassing van art. 16, § 4, laatste alinea, van het Koninklijk Besluit van 3 november 1969 de intresten enkel lopen tot op het ogenblik van de aanvraag tot regularisatie. Onder verwijzing naar de rechtspraak van de 8e kamer van het hof stelt mevrouw R. dat de neerlegging van het verzoekschrift voor de arbeidsrechtbank een verzoek tot regularisatie inhoudt.

Omgekeerd stelt mevrouw R. dat op de gevorderde pensioenen zelf intresten lopen vanaf de datum van het openstellen van het pensioen op 1 oktober 1996, dit ingevolge de ingebrekestelling die volgt uit het verzoekschrift neergelegd op 7 juni 1996 voor de arbeidsrechtbank

Mevrouw R. vraagt dat de Rijksdienst voor Pensioenen, op straffe van een dwangsom, veroordeeld wordt om een nieuwe afrekening op die basis op te maken.

De toepassing van de wetgeving, in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen.

7.

Het hof stelt in de eerste plaats vast dat partijen, blijkbaar niet uitgeput door de lange duur van de procedure, zich beide vastklampen aan stellingen die noch de toets van de wettelijkheid, noch de toets van de redelijkheid of billijkheid kunnen doorstaan, in plaats van te zoeken naar een redelijk compromis.

De Rijksdienst voor Pensioenen kan niet in billijkheid stellen dat mevrouw R. intresten moet blijven betalen op de regularisatiebijdragen tot de maand september 2011, terwijl op de achterstallige pensioenen, die lopen vanaf 1995, slechts intresten zouden verschuldigd zijn vanaf 1 oktober 2011. De Rijksdienst voor Pensioenen verliest daarbij ook uit het oog dat de intrestvoet, die werd vastgesteld in het Koninklijk Besluit van 25 juni 1997, een gemiddelde intrestvoet is die berekend was om de inflatie te compenseren tussen het ogenblik waarop normaal de bijdragen verschuldigd waren, dit wil zeggen in die periode van 1964 tot 1980 en de totstandkoming van het Koninklijk Besluit van 1997, waarbij er ongetwijfeld van uitgegaan is dat de regularisatie op dat ogenblik in één keer zou gebeuren. De inflatie tussen 1997 en 2011 bedraagt echter na 1997 zeker geen 10% per jaar. Volgens de gegevens consulteerbaar op de website van de FOD Economie (statistieken) is het indexcijfer tussen 1 januari 1997 en 1 januari 2011 slechts gestegen van 101,56 tot 132,93.

Mevrouw R. kan van haar kant niet in redelijkheid stellen dat zij intresten kan krijgen op achterstallige pensioenen, verkregen dankzij regularisatiebijdragen, voor een periode waarin zij die regularisatiebijdragen nog niet betaald heeft.

In rechte dient uitgegaan te worden van volgende principes.

8.

Het voorwerp van de verzoekschriften die mevrouw R. neerlegde voor de arbeidsrechtbank was het bekomen van een aanvullend pensioen, dat rekening hield met de werkelijk betaalde lonen in de periode 1964-1980. Deze verzoekschriften hielden aldus een ingebrekestelling in die principieel de intrest deed lopen op het geheel van de gevorderde bedragen, ongeacht het feit of mevrouw R. op dat ogenblik aanbood om tot regularisatie over te gaan. Een ingebrekestelling kan de opeisbaarheid van de vordering vooraf gaan (Cass. 19 juni 1989, J.T.T. 1989, p. 424): in dat geval lopen de intresten slechts vanaf het ogenblik waarop de schuld opeisbaar wordt. Mevrouw R. kan ook niet verweten worden op dat ogenblik de eventualiteit van een regularisatie van de bijdragen nog niet in haar vordering te hebben opgenomen vermits op het ogenblik van het indienen van haar pensioenaanvraag het Koninklijk Besluit van 25 juni 1997 nog niet uitgevaardigd was, en overigens de rechtspraak lange tijd geoordeeld heeft dat de stewardessen aanspraak konden maken op een bijkomend pensioen zonder de betaling van regularisatiebijdragen.

Omgekeerd veronderstelt het verschuldigd zijn van intresten dat een recht opeisbaar is. De (moratoire) intresten vergoeden immers slechts de vertraging in de uitvoering van de verbintenis Vermits het Koninklijk Besluit van 3 november 1969, zoals gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 25 juni 1997, het recht op een bijpassen van de pensioenen afhankelijk stelde van de betaling van een regularisatiebijdrage, kunnen geen intresten lopen zolang de regularisatiebijdragen niet betaald zijn.

In dit verband moet er bijkomend op gewezen worden dat, indien inderdaad overeenkomstig artikel 16, § 4, laatste alinea, van het Koninklijk Besluit van 3 november 1969 de loop van de intresten beëindigd wordt op de datum van de aanvraag tot regularisatie, overeenkomstig § 6 van dezelfde bepaling de intrest opnieuw begint te lopen wanneer de bijdragen niet binnen de zes maanden na de beslissing betaald worden.

9.

Zoals het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen in zijn arrest van 21 juni 2007 stelde (overweging 39), moet de nationale rechter, wanneer een met het gemeenschapsrecht strijdige discriminatie is vastgesteld en zolang geen maatregelen zijn genomen om de gelijke behandeling te herstellen elke nationale discriminerende bepaling buiten toepassing laten, zonder dat hij de opheffing ervan door de wetgever hoeft te vragen of af te wachten, en moet hij op de personen van de benadeelde groep dezelfde regeling toepassen als op personen van de andere groep.

Het Hof van Justitie oordeelde, in antwoord op de vragen die hem gesteld werden, dat de richtlijn er zich tegen verzet dat wordt verlangd dat de regularisatiebijdragen in één keer moeten worden betaald, wanneer daardoor de beoogde regularisatie in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. Dat is, aldus het hof, met name het geval wanneer het te betalen bedrag hoger ligt dan het jaarlijks pensioen van de betrokkene.

Samen met de 8e kamer van het hof in zijn arrest van 9 juni 2010 (A.R.2004/AB/45031), p. 20 e.v. is het hof van oordeel dat het Koninklijk Besluit van 3 november 1969 in het licht van het beginsel van de doeltreffendheid van de uitvoering van de richtlijn, zo moet toegepast worden dat een betaling van de regularisatiebijdragen mogelijk moet zijn door een compensatie met de pensioenrechten waarop de pensioengerechtigde aanspraak kan maken. De Rijksdienst voor Pensioenen heeft dit principe uitdrukkelijk aanvaard in het kader van de betwistingen voor de 8e kamer en heeft dit principe impliciet, maar zeker ook aanvaardt, in het kader van de huidige betwisting.

10.

Concreet leidt de toepassing van deze principes op de thans nog in betwisting zijnde kwestie van de intresten tot het weerhouden van de oplossing zoals die door het openbaar ministerie wordt voorgesteld in zijn advies.

De Rijksdienst voor Pensioenen dient over te gaan tot de berekening van de regularisatiebijdragen voor het rustpensioen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 ter, § 1 en 2, van het Koninklijk Besluit van 3 november 1969, vermeerderd met de intrest van 10% per jaar tot de datum van 1 december 1995, datum waarop het pensioenrecht van mevrouw R. geopend werd.

De Rijksdienst voor Pensioenen dient dan verder een afrekening op te stellen waarin wordt overgegaan tot de aanrekening, maand per maand , van de pensioenachterstallen verschuldigd vanaf 1 oktober 1996 op de verschuldigde regularisatiebijdragen, vermeerderd met de enkelvoudige intrest van 10%, berekend op 1 oktober 1996. Deze laatste intrest blijft lopen op het gedeelte van het nog niet geregulariseerde bedrag.

Zolang de regularisatiebijdragen, verhoogd met de intresten, niet volledig zijn aangezuiverd door compensatie, zijn er geen wettelijke intresten verschuldigd op de achterstallige pensioenen.

Van zodra de aanzuivering van de regularisatiebijdragen, vermeerderd met de intresten, volledig gerealiseerd is, lopen de intresten op de pensioenachterstallen.

11.

Een heropening van de debatten dient bevolen te worden teneinde de Rijksdienst voor Pensioenen toe te laten tot de vereiste afrekening over te gaan. De Rijksdienst voor Pensioenen beschikt daarvoor over een termijn van drie maanden.

Er is geen reden om een veroordeling met dwangsom uit te spreken. Wanneer de zaak een zekere tijd in beslag genomen heeft, is dit niet het gevolg van een gebrek aan goede wil of nalatigheid van de kant van de Rijksdienst voor Pensioenen, maar wel van de verschillende procedures die hangende waren, eerst voor het Hof van Justitie en daarna voor de 8e kamer van dit hof. De Rijksdienst voor Pensioenen blijkt trouwens sinds de pleidooien het volgens hem verschuldigde bedrag betaald te hebben.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en reeds in die mate gegrond dat de veroordeling tot betaling van een achterstallig pensioen gecompenseerd dient te worden door de betaling van de wettelijk voorziene regularisatiebijdragen, verhoogd met de daarop verschuldigde intrest.

Vooraleer verder recht te doen ten gronde, beveelt de heropening van de debatten teneinde de Rijksdienst voor Pensioenen toe te laten een nieuwe afrekening voor te stellen, volgens de principes vastgelegd onder nr. 10 van de bespreking.

Beveelt dat de Rijksdienst voor Pensioenen deze afrekening, samen met de benodigde toelichting die een controle door mevrouw R. en door het hof mogelijk maakt, dient neer te leggen uiterlijk op 14 juni 2013.

Bepaalt de termijn voor mevrouw R. om zijn opmerkingen te formuleren bij deze afrekening op 30 augustus 2013.

Stelt de zaak voor verdere behandeling vast op de openbare terechtzitting van donderdag 3 oktober 2013 om 14u 30 voor een pleitduur van 20 minuten.

De proceskosten worden aangehouden.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Karel GACOMS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Karel GACOMS

Ivo VAN DAMME Fernand KENIS

De heer Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever, die aan het beraad heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen.

Overeenkomstig art. 785 Ger. W. wordt het arrest ondertekend door Fernand KENIS, raadsheer, voorzitter van de zevende kamer en Karel GACOMS, raadsheer, in sociale zaken, werknemer-arbeider.

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 7 maart 2013 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOENEN

  • Pensioen van werknemers

  • Rustpensioen

  • Non-discriminatie

  • Regularisatiebijdragen.