- Arrest van 28 juni 2013

28/06/2013 - 2012/AB/1160

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De rechter kan in toepassing van art. 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek een dwangsom ofheffen of verminderen wanneer hij oordeelt dat het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht. Er kan van het Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers, in een periode van overbezetting, niet worden verwacht dat zolang geen aanspraak wordt gemaakt op de uitvoering van het vonnis en het vonnis niet wordt betekend, reeds maatregelen genomen worden om een onmiddellijke uitvoering van het vonnis mogelijk te maken vanaf de betekening. Omgekeerd dient Fedasil vanaf de betekening de uitvoering van het vonnis te verzekeren binnen de termijnen die normaal gehanteerd worden en gehanteerd kunnen worden om een opvangplaats toe te wijzen.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN 28 JUNI 2013

7e KAMER

OCMW - opvang asielzoekers W.12.1.2007

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 8°, Ger. W.)

in de zaak:

1. S. , handelend in eigen naam en als wettelijke vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen, Z. S. en M. S., verblijvende te xxx, appellante,

vertegenwoordigd door mr. VAN HOECKE Pieter, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 25-27, waar de appellante keuze van woonplaats doet,

tegen:

1. FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE OPVANG VAN ASIELZOEKERS, met zetel te 1000 BRUSSEL, Kartuizersstraat 21, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. SHAHEDA ISHAQUE loco mr. DETHEUX Alain, advocaat te 1050 BRUSSEL, rue du Mail, 13.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 25 oktober 2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 31e kamer (A.R. 10971/11),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 30 november 2012,

- de neergelegde conclusies,

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 11 juni 2013 door advocaat-generaal J.-J. ANDRE,

- de repliek op dit advies, neergelegd ter griffie op 17 juni 2013 voor mevrouw S.,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 6 juni 2013, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie zijn schriftelijk advies heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op de buitengewone openbare terechtzitting van 12 juli 2013. Wegens voortijdige beëindiging van het beraad, wordt het arrest in deze zaak reeds op heden uitgesproken.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

Mevrouw S. en haar kinderen hebben oorspronkelijk een asielaanvraag ingediend in België op 18 september 2008. In het kader van deze asielaanvraag werd hen een verplichte plaats van inschrijving toegewezen in het opvangcentrum van Fedasil te Kapellen. De asielaanvraag werd afgewezen op 11 maart 2010.

Op 22 april 2010 hebben Mevrouw S. en haar kinderen zich, in toepassing van artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 24 juni 2004 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft, aangemeld bij het ocmw Brasschaat. Dit ocmw heeft dezelfde dag in toepassing van artikel 4 van het vermelde Koninklijk Besluit de aanvraag overgemaakt aan Fedasil, dat echter op

4 mei 2010 besliste de materiële hulp te weigeren wegens een verzadiging van het opvangnetwerk.

2.

Op vordering van Mevrouw S. en haar kinderen heeft de arbeidsrechtbank, bij beslissing van 10 juni 2010, Fedasil verplicht opvang te verlenen op straffe van een dwangsom van 500 euro per persoon per dag . Fedasil heeft op dat ogenblik de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank niet afgewacht en heeft aan Mevrouw S. en haar kinderen opvang verleend in het opvangcentrum te Y. vanaf 4 juni 2010.

Mevrouw S. en haar kinderen hebben, tegelijk met het inleiden van de procedure in kortgeding, een procedure ten gronde ingeleid voor de arbeidsrechtbank op 27 mei 2010. In het kader van deze procedure vroegen zij dat Fedasil zou veroordeeld worden om de opvang te verlenen in een opvangstructuur in Vlaanderen, bij voorkeur in K., omdat één van de kinderen daar Nederlandstalig onderwijs volgde.

Bij vonnis van 3 september 2010 werd Fedasil veroordeeld om Mevrouw S. en haar kinderen onder te brengen in een opvangcentrum, ofwel in een aangepaste plaats, zodat de zoon M. S. in staat was Nederlandstalig onderwijs te volgen. De veroordeling werd opnieuw uitgesproken met een dwangsom van 500 euro per dag per persoon.

Dit vonnis werd bevestigd door het arbeidshof bij arrest van 9 juni 2011.

3.

Het vonnis van de arbeidsrechtbank, dat uitvoerbaar was bij voorraad, werd ter kennis gebracht door de griffie op 9 september 2010. Mevrouw S. heeft het vonnis laten betekenen op vrijdag namiddag 24 september 2010 te 15u30.

Op 29 september 2010 werden Mevrouw S. en haar kinderen uitgenodigd zich aan te bieden op het Klein Kasteeltje te Brussel. In feite zouden Mevrouw S. en haar kinderen zich slechts aanbieden op 1 oktober 2010.

Op 26 augustus 2011 heeft Mevrouw S. beslag gelegd onder derden op de bankrekening van Fedasil, in betaling van het bedrag van de dwangsom, die volgens haar verschuldigd was omdat de Fedasil laattijdig uitvoering gegeven had aan het vonnis van de arbeidsrechtbank van 3 september 2010. Uit het beslagexploot blijkt dat een dwangsom van 10.500 euro gevorderd werd voor de periode van 24 september 2010 tot 30 september 2010 (500 euro per persoon per dag).

4.

Fedasil heeft op 1 september 2011 een verzoekschrift neergelegd voor de arbeidsrechtbank te Brussel tot opheffing van de dwangsom op grond van artikel 1385 quinquies van het Gerechtelijk Wetboek. Op 27 september 2011 heeft Fedasil ook verzet aangetekend bij de beslagrechter tegen het uitvoerende beslag dat inmiddels betekend werd.

Bij vonnis van 25 oktober 2012, ter kennis gebracht op het 9 november 2012, heeft de arbeidsrechtbank te Brussel, de vordering van Fedasil ontvankelijk en gegrond verklaard en de dwangsommen opgeheven.

5.

Bij verzoekschrift van 30 november 2012 heeft Mevrouw S. hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

De eerste rechter was van oordeel dat Fedasil zo snel als materieel mogelijk naar een aangepaste opvang gezocht had voor het gezin en niet in de mogelijkheid was om Mevrouw S. en haar kinderen onmiddellijk na de betekening van het vonnis over te plaatsen. De eerste rechter wees er verder op dat een dwangsom niet als doel heeft de betrokkenen te verrijken ten laste van de Belgische Staat en dat het niet de bedoeling is dat de dwangsom wordt uitbetaald, eerder dan de opvang van de betrokkenen te verzekeren.

2.

Mevrouw S. en haar kinderen stellen in de eerste plaats dat de vordering tot opheffing van de dwangsom onontvankelijk is. Zij verwijzen daarbij naar de laatste zin van artikel 1385 quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, die bepaalt dat de dwangsom door de rechter niet kan opgeheven of verminderd worden indien de dwangsom verbeurd was vóór dat de onmogelijkheid (tot uitvoering) intrad.

Mevrouw S. wijst er verder op dat het bedrag van de gevorderde dwangsom door Fedasil nooit werd betwist. Zij stelt dat Fedasil, tussen het ogenblik van de uitspraak van het vonnis en de betekening ervan, over voldoende tijd beschikt heeft om de overplaatsing naar een ander opvangcentrum te organiseren, en dat Fedasil zelf de verantwoordelijkheid draagt voor het feit dat het pas in actie geschoten is na de betekening van het vonnis, dat uitvoerbaar was bij voorraad.

Mevrouw S. merkt, in antwoord op de motieven van het bestreden vonnis, nog op dat de wetgeving betreffende de dwangsom de openbare orde recht raakt, omdat zij erop gericht is het gezag van gerechtelijke beslissingen te versterken en de tenuitvoerlegging doeltreffender te maken. Het gaat om een private sanctie die er toe strekt de schuldenaar aan te zetten over te gaan tot uitvoering van de hoofdveroordeling.

3.

Fedasil wijst erop dat het vonnis van de arbeidsrechtbank van 3 september 2010 hem opgelegde opvang te verlenen aan Mevrouw S. en haar kinderen " onmiddellijk na de betekening van het tussen te komen vonnis, dit op straffe van een dwangsom van 500 euro per persoon per dag". Aldus bestond, volgens Fedasil, de verplichting tot opvang slechts vanaf de betekening en kan hem niet verweten worden geen initiatieven genomen te hebben vóór de betekening van het vonnis.

Fedasil wijst er verder op dat het vonnis betekend werd op vrijdagnamiddag en dat het in ieder geval op dat moment materieel niet meer mogelijk was nog een opvang te verzekeren voor het weekend en ook niet voor de maandag. De toewijzing van de opvangplaatsen gebeurt immers steeds in de namiddag in functie van de kandidaat asielzoekers die zich aangemeld hebben in de voormiddag (er is een verplichte aanmelding in de voormiddag). Slechts nadat het aantal aanvragen en het aantal beschikbare plaatsen in een centrum bekend is kan er een effectieve dispatching gebeuren. Wanneer de betekening slechts in de (late) namiddag gebeurt kan geen toewijzing meer gebeuren voor de volgende dag. Vermits de verschillende diensten bovendien niet in het weekend open zijn was een effectieve behandeling van de vraag tot overplaatsing slechts mogelijk vanaf maandag. Op woensdag werd aan Mevrouw S. en haar kinderen medegedeeld dat zij zich konden aanmelden in Brussel in het Klein Kasteeltje.

De begrippen overmacht en onmogelijkheid om uitvoering te geven aan een vonnis mogen, aldus Fedasil, niet verward worden. De onmogelijkheid om uitvoering te geven aan een vonnis dient in redelijkheid beoordeeld te worden. Vereist is niet dat de schuldenaar aantoont zich in een situatie van overmacht bevonden te hebben.

Fedasil vraagt in ondergeschikte orde een vermindering van de dwangsom.

Fedasil wijst er ten slotte op dat in ieder geval een aanbod van opvang gedaan is op woensdag 29 september 2010 en dat het geen enkele verantwoordelijkheid draagt voor het feit dat Mevrouw S. en haar kinderen zich in de nieuwe opvangplaats slechts aangeboden hebben op 1 oktober 2010.

4.

Overeenkomstig artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, op vordering van één der partijen, de wederpartij veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan. De dwangsom kan niet worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak, waarbij ze is vastgesteld. De rechter kan echter bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal verbeuren.

Overeenkomstig artikel 1385 quinquies van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijk onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Voor zover de dwangsom verbeurd was voordat de onmogelijkheid intrad kan de rechter haar niet opheffen of verminderen.

5.

Mevrouw S. kan niet gevolgd worden in zoverre zij de onontvankelijkheid van de vordering tot opheffing van de dwangsom inroept, omdat de dwangsom verbeurd was voordat de onmogelijkheid tot uitvoering intrad. De bepaling van de laatste zin van artikel 1385 quinquies beoogt de hypothese waarbij de veroordeelde de opheffing van de dwangsom vraagt op basis van een feit of van een gebeurtenis, die zich voordeed nadat hij al uitvoering had moeten geven aan het vonnis.

Mevrouw S. duidt niet aan hoe deze hypothese in de voorliggende betwisting van toepassing zou zijn. Indien Mevrouw S. zich steun op het uitvoerbaar karakter van het vonnis, en de mogelijkheid voor Fedasil om uitvoering te geven aan het vonnis vóór de betekening, dient er aan herinnerd te worden dat volgens de duidelijke bepaling van artikel 1385bis de dwangsom niet kan worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld.

6.

Overeenkomstig artikel 1495 van het Gerechtelijk Wetboek kan geen veroordelende beslissing worden ten uitvoer gelegd dan nadat zij aan de partij is betekend. Het doel van de verplichte betekening van het vonnis is de schuldenaar ter kennis te brengen dat de schuldeiser de nakoming van de rechterlijke uitspraak verlangt (Cass.20 september 2002 , Juridat).De voorlopige uitvoering houdt anderzijds geen verplichting in voor de partij die ze heeft bekomen: zij is slechts een mogelijkheid waaraan kan verzaakt worden (Cass. 20 november 1953, Pas.1954, I, 220).)

Daaruit volgt dat op zich de partij, die veroordeeld is op straffe van dwangsom, niet de verplichting heeft om op dat ogenblik maatregelen te nemen teneinde de uitvoering van het vonnis onmiddellijk mogelijk te maken. Omgekeerd kan de partij, die veroordeeld is tot uitvoering onder dwangsom, in de regel de onmogelijkheid om uitvoering te geven aan het vonnis en aldus de opheffing van de dwangsom te bekomen, niet steunen op de te korte termijn die haar gelaten werd om het vonnis uit te voeren, wanneer zij nagelaten heeft de nodige voorbereidingen te treffen om uitvoering te kunnen geven aan het vonnis vanaf de betekening en wanneer zij nagelaten heeft de korte termijn die door de rechter gelaten werd te betwisten. De rechter dient daarbij echter iedere situatie afzonderlijk en in concreto te beoordelen.

Het staat op basis van de gegevens van de procedure ten gronde (waarvan de beslissingen worden neergelegd) die geleid heeft tot het opleggen van een dwangsom, vast dat er in de periode waarin de betwisting ontstond, een grote toestroom was van asielzoekers. De toewijzing van een opvangplaats aan alle asielaanvragers, samen met de garantie van de opvang van de minderjarigen die onwettelijk op het grondgebied verblijven, stelde hoge eisen aan de organisatie van de opvang. In die context kan begrepen worden dat Fedasil, zolang er geen concrete vraag tot uitvoering was van het vonnis, ook geen maatregelen genomen heeft om een opvangplaats voor Mevrouw S. en haar kinderen te reserveren. Het risico zou immers bestaan dat, indien Mevrouw S. en haar kinderen zich niet onmiddellijk aanboden, opvangplaatsen onnodig zouden zijn geblokkeerd zijn. Het wordt in dit verband niet aangetoond dat Mevrouw S. en haar kinderen, vooraleer tot betekening van het vonnis over te gaan, concrete initiatieven genomen hebben ten aanzien van Fedasil teneinde de onmiddellijke uitvoering van het vonnis te bekomen.

7.

In zijn arrest van 30 mei 2002 (Juridat; Pas. 2002, I, 1250) oordeelde het Hof van Cassatie, met verwijzing naar een arrest van het Benelux Gerechtshof van 25 september 1985 dat van "onmogelijkheid" als bedoeld in art. 4 van de eenvormige Beneluxwet inzake dwangsom sprake is indien zich een situatie voordoet waarin de dwangsom als dwangmiddel, dit wil zeggen als geldelijke prikkel om nakoming van de veroordeling zoveel mogelijk te verzekeren, naar de woorden van de Gemeenschappelijke Memorie van Toelichting op artikel 4 "zijn zin verliest" en dat dit laatste moet worden aangenomen indien het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht.

8.

In zijn besluiten, verder toegelicht ter zitting, geeft Fedasil een uiteenzetting met betrekking tot de praktische organisatie en modaliteiten van de toewijzing van een opvangplaats. Deze toelichting wordt door Mevrouw S. niet betwist. In het bijzonder wordt niet betwist dat in de regel asielzoekers zich slechts in de voormiddag kunnen aanbieden met het oog op hun asielaanvraag en dat zij zich niet in de weekends kunnen aanbieden. De dispatching van de asielaanvragers (en andere personen die een beroep doen op de opvang) gebeurt van dag op dag in functie van het aantal personen die zich in de voormiddag aanbieden. In de namiddag wordt de inventaris opgemaakt langs de ene kant van het aantal personen waarvoor opvang moet gezocht worden en langs de andere kant van het aantal beschikbare plaatsen. Dat laatste aantal is eveneens erg wisselend, zulks ingevolge de stopzetting van het recht op opvang voor personen wiens asielprocedure beëindigd is, of omdat personen om andere redenen het opvangcentrum verlaten of moeten verlaten (bvb. repatriëring). De overbrenging van de betrokkenen kan dan de volgende dag gebeuren.

In functie van deze uiteenzetting dient aangenomen te worden dat het voor Fedasil, wanneer er een betekening van het vonnis gebeurt in de late namiddag, in de praktijk slechts mogelijk is deze aanvraag te behandelen (in de zin van de verdeling van de aanvragen in functie van de beschikbare plaatsen) in de loop van de volgende dag, met effectieve uitvoering op de daaropvolgende dag. Wanneer, zoals in deze, de betekening gebeurt vrijdagnamiddag is het slechts mogelijk de aanvraag te behandelen in de loop van maandag, met uitwerking op dinsdag.

Daaruit volgt dat de dwangsom dient opgeheven te worden in zoverre ze betrekking heeft op vrijdag 24 september, zaterdag 25 september, zondag 26 september en maandag 27 september 2010. Voor deze periode moet aangenomen worden dat het "onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen van Fedasil dan deze heeft betracht".

9.

Daarentegen toont Fedasil niet aan dat het nog in de onmogelijkheid verkeerde om uitvoering te geven aan de veroordeling op en vanaf dinsdag 28 september 2010. Volgens de eigen uiteenzetting van deze partij gebeurt moest de effectieve toewijzing immers gebeuren de dag volgend op de aanvraag, indien deze in de voormiddag werd ingediend. De dwangsom kan dan ook niet opgeheven worden voor de dag van 28 september 2010. Er zijn ook geen wettelijke redenen om de dwangsom voor deze dag te verminderen. De mogelijkheid om de dwangsom te verminderen is voorzien voor de hypothese waarin er sprake is van een gedeeltelijke onmogelijkheid tot uitvoering, in het bijzonder wanneer de houding van de veroordeelde, spijts een gedeeltelijke of volledige onmogelijkheid, toch nog laakbaar is (K. Wagner, Dwangsom, T.P.R 2003, p.47).

10.

Het hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over de vraag of de dwangsom nog verschuldigd is vanaf woensdag 29 september. Het hof is wettelijk enkel bevoegd om de dwangsom op te heffen ingeval van vastgestelde onmogelijkheid om gevolg te geven aan de uitvoering. Het hof heeft geoordeeld dat vanaf 28 september Fedasil in de mogelijkheid was om uitvoering te geven aan het vonnis. A fortiori was Fedasil in de mogelijkheid uitvoering te geven aan het vonnis vanaf 29 september 2010, temeer nu het zelf aan Mevrouw S. en haar kinderen mededeelde dat er een opvangplaats ter beschikking was vanaf die datum.

De vraag of er een voldoende uitvoering was van het vonnis door de enkele mededeling dat Mevrouw S. en haar kinderen welkom waren in het opvangcentrum te Brussel is een zaak die de uitvoering van het vonnis betreft en aldus tot de exclusieve bevoegdheid behoort van de beslagrechter, waarvoor overigens een procedure hangende is.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal, waarop repliek voor mevrouw S.,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en zeer gedeeltelijk gegrond. Hervormt het bestreden vonnis.

Zegt voor recht dat de dwangsom, opgelegd bij vonnis van 3 september 2010, opgeheven wordt voor de dagen van 24 september tot en met 27 september 2010.

Veroordeelt in overeenstemming met artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek Fedasil tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot in hoofde van mevrouw S. op 160,36 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer, Jan LINDEMANS, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Jean-Pierre VAN CONINGSLOO, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Jean-Pierre VAN CONINGSLOO

Jan LINDEMANS Fernand KENIS

en uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van vrijdag 28 juni 2013 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • VREEMDELINGEN

  • Publiek recht

  • Bepalingen betreffende bepaalde categorieën van vreemdelingen

  • Bijzondere categorieën.