- Arrest van 12 februari 2014

12/02/2014 - 2012/AB/289

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Zowel uit artikel 331 van de Wet van 27 december 2006 als uit de cassatierechtspraak vloeit voort dat de partijen vrij het statuut bepalen waaronder zij hun activiteit uitoefenen en hun betrekkingen regelen en dat het gekozen statuut (loontrekkende of zelfstandige) zich opdringt in de mate waarin het niet wordt tegengesproken door de uitvoeringsmodaliteiten van de gepresteerde arbeid.

De prospectie en het bezoek van een cliënteel onderstelt een rechtstreeks contact tussen de potentiële klant en de handelsvertegenwoordiger en dit buiten de lokalen van de onderneming. Bovendien moet de handelsvertegenwoordiging het hoofdvoorwerp van de activiteit zijn.

Noch het systeem van verloning noch de prijzenpolitiek behoren tot de algemene criteria bepaald in artikel 333, § 1, van de Wet van 27 december 2006. Ze zijn specifieke criteria van een lijst die moet worden opgesteld door een K.B., wat niet het geval is voor de tapijtsector.

Het feit een winkel te hebben uitgebaat voor rekening van een derde bewijst op zich geen ondergeschikt verband : niet het feit heel zijn arbeidstijd te besteden aan een persoon of onderneming is bepalend, wel de verplichting heel zijn arbeidstijd te besteden aan een enkele onderneming of het verbod aan de werknemer om te presteren voor een andere medecontractant.


Arrest - Integrale tekst

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • HANDELSVERTEGENWOORDIGERS

  • Conventionele kwalificering

  • Draagwijdte

  • Wet van 27 december 2006 en eerdere rechtspraak

  • Handelsvertegenwoordiging

  • Bestaansvoorwaarden

  • Hoofdactiviteit

  • Wet van 27 december 2006

  • Aanwijzingen van ondergeschikt verband

  • Systeem van verloning en prijzenpolitiek

  • Ondergeschikt verband

  • Uitbating van een handel voor andermans rekening

  • Onvoldoende als bewijs van ondergeschikt verband.