- Vonnis van 13 maart 2012

13/03/2012 - 12/3137/A

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Vonnis - Integrale tekst

ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL

33ste kamer - openbare zitting van 13 maart 2012

VONNIS

A.R. nr 12/3137/A + 12/31/38/A

Sociale verkiezingen Aud. nr

Rép. nr 12/

IN ZAKE :

HET ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND (A.C.V.), representatieve werknemersorganisatie, met zetel gevestigd te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg, 579,

eisende partij, vertegenwoordigd door de heer Stijn DE BEUL, gevolmachtigde afgevaardigde ;

TEGEN

DE NV SITA WASTE SERVICES, met maatschappelijke zetel te 2340 BEERSE, Lilsedijk, 19, met ondernemingsnummers 0428.531.449,

verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. Greet JESPERS loco Mr Filip TILLEMAN, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Meir, 24, bus 6 ;

IN AANWEZIGHEID VAN :

1) Het ALGEMEEN BELGISCH VAKVERBOND (A.B.V.V.), representatieve werknemersorganisatie, met zetel te 1.000 Brussel, Hoogstraat 42,

2) DE ALGEMENE CENTRALE DER LIBERALE VAKBONDEN VAN BELGIE (A.C.L.V.B.), representatieve werknemersorganisatie met sociale zetel gevestigd te 1070 BRUSSEL, Poincarélaan, 72-74 en met administratieve zetel gevestigd te 9000 GENT, Koning Albertlaan, 95,

3) DE NATIONALE CONFEDERATIE VOOR KADERPERSONEEL (N.C.K.), representatieve organisatie van kaderleden, met zetel gevestigd te 1030 BRUSSEL, Lambermontlaan, 171, bus 4,

in het geding betrokken partijen, die niet verschijnen ;

* * *

Gelet op de wet van 15 juni 1935 houdende het gebruik der talen in gerechtszaken ;

Gelet op de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek ;

I. PROCEDURE.

De rechtbank nam kennis van volgende procedurestukken:

- de verzoekschriften, neergelegd ter griffie op 06 maart 2012

- de besluiten verweerster van 9 maart 2012

- de pleitnota van eiser van 9 maart 2012

- de dossiers van partijen

De partijen werden per aangetekend schrijven van 7 maart 2012 opgeroepen voor de zitting van 9 maart 2012, waarop eisende partij en verwerende partij verschenen zijn, terwijl de betrokken partijen, het ABVV, het ACLVB en de NCK niet verschenen zijn.

De partijen werden gehoord op de zitting van 9 maart 2012. Het openbaar ministerie werd gehoord in zijn advies, waarop verwerende partij gerepliceerd heeft.

De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen.

II. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

AR 12/3137 :

Bij verzoekschrift van 6 maart 2012 vordert het ACV :

- te zeggen voor recht dat het aantal effectieve mandaten voor het comité voor preventie en bescherming op het werk (afgekort CPBW) moet bepaald worden op 6 mandaten en als volgt moet worden verdeeld over de diverse categorieën: 4 mandaten voor de arbeiders en 2 mandaten voor de bedienden.

- te zeggen voor recht dat de sociale verkiezingen van 7 tot 20 mei 2012 in de onderneming moet worden georganiseerd en verder voorbereid op basis van deze beslissing.

- verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Sita Waste Services NV (afgekort Sita) besluit tot de ongegrondheid van voormelde

vordering en vraagt het A.C.V. te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip

van de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van verwerende partij begroot op 1.320 euro .

AR 12/3138 :

Bij verzoekschrift van 6 maart 2012 vordert het ACV :

- te zeggen voor recht dat het aantal effectieve mandaten voor de ondernemingsraad (afgekort OR) moet bepaald worden op 6 mandaten en als volgt moet worden verdeeld over de diverse categorieën: 4 mandaten voor de arbeiders en 2 mandaten voor de bedienden.

- te zeggen voor recht dat de sociale verkiezingen van 7 tot 20 mei 2012 in de onderneming moet worden georganiseerd en verder voorbereid op basis van deze beslissing.

- verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Sita Waste Services NV (afgekort Sita) besluit tot de ongegrondheid van voormelde

vordering en vraagt het A.C.V. te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip

van de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van verwerende partij begroot op 1.320 euro .

III. DE ONTVANKELIJKHEID

Dag X situeert zich bij deze werkgever op 14 februari 2012.

Tegen de beslissing medegedeeld op dag X werden op 6 maart 2012 twee verzoekschriften neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel, dit overeenkomstig en binnen de termijn voorzien door artikel 4 van de Wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen.

Het beroep van het ACV is ontvankelijk.

IV. DE FEITEN

De technische bedrijfseenheid (TBE) "SITA BRUSSEL" met adres te 1120 Neder-over-Heembeek, Vilvoordsesteenweg 218, bestaat uit 2 juridische entiteiten :

- SITA WASTE SERVICES NV, met maatschappelijke zetel te 2340 Beerse, Lilsedijk 19, en ondernemingsnummer 0428.531.449.

- SITA RECYCLING CENTER NV, met maatschappelijke zetel te 1120 Neder-over-Heembeek (Brussel), Vilvoordsesteenweg 218 en ondernemingsnummer 0441.051.377.

Binnen deze TBE worden er voor het C.P.B.W. en voor de OR sociale verkiezingen gehouden op 14 mei 2012.

Op 14 februari 2012, zijnde dag X, werd het bericht m.b.t. de verdeling van de mandaten meegedeeld. De personeelsafvaardiging voor het comité zal samengesteld zijn uit 6 gewone leden en 6 plaatsvervangende leden, verdeeld als volgt :

- gewone leden: 3 mandaten voor arbeiders en 3 mandaten voor bedienden

- plaatsvervangende leden: 3 mandaten voor arbeiders en 3 mandaten voor bedienden

Bij de TBE ‘SITA Brussel' werken 15 uitzendkrachten.

Het ACV meent dat de uitzendkrachten tewerkgesteld op dag X dienen te worden meegerekend voor het aantal en de verdeling van het aantal mandaten en komt zo tot 4 mandaten voor de arbeiders en 2 mandaten voor de bedienden.

Bij aangetekend schrijven van 17.02.2012 en 21.02.2012 ter attentie van de voorzitter van de ondernemingsraad werd bezwaar ingediend tegen de inhoud van de aanplakking op dag X met betrekking tot de verdeling van het aantal mandaten per categorie.

Op de bijzondere ondernemingsraad dd. 27.02.2012 handhaafde de werkgever zijn standpunt en werd het bezwaar afgewezen.

Tegen de aankondiging van dag X werden op 6 maart 2012 twee verzoekschriften neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel.

V. TEN GRONDE

A. Samenvoeging.

De zaken gekend onder AR nr 12/3137/A en AR nr 12/3138/A zijn onderling nauw verbonden en het is wenselijk ze samen te behandelen. Beide zaken worden bijgevolg overeenkomstig artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek samengevoegd.

B. Probleemstelling

Het aantal mandaten dat overeenkomstig artikel 23 van de wet van 4 december 2007, zoals gewijzigd door de Wet van 28 juli 2011, vastgesteld werd, moet tussen de verschillende werknemerscategorieën die bestaan in het kader van de sociale verkiezingen verdeeld worden (arbeiders, bedienden, jeugdige werknemers en, voor de ondernemingsraad, kaderleden) overeenkomstig de artikelen 24 t.e.m. 28 van deze wet.

De vraag stelt zich of men rekening moet houden met de uitzendkrachten voor het verdelen van de mandaten tussen deze verschillende werknemerscategorieën.

C. Stelling ACV

Het ACV is van mening dat de uitzendkrachten, die geen vaste werknemer bij de gebruiker vervangen, dienen in rekening te worden gebracht bij de berekening van de verdeling van de mandaten per categorie.

Het ACV steunt zich op artikel 25, eerste lid, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, hierna Uitzendarbeidswet genoemd, dat stelt dat voor de toepassing van de bepalingen van de wetten en verordeningen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, de ter beschikking van een gebruikende onderneming gestelde uitzendkrachten eveneens in aanmerking komen voor de berekening van de personeelssterkte, tewerkgesteld door die onderneming.

Het ACV verwijst naar een Cassatiearrest van 30 maart 2009, waarin wordt gesteld dat het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet geldt voor alle wettelijke bepalingen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, dit is zowel voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor de oprichting van een orgaan als voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor andere of ondergeschikte verplichtingen. Het geldt ook zowel voor wettelijke bepalingen die steunen op het "aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld als voor wettelijke bepalingen die steunen op het "gemiddeld aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld.

Het ACV meent dat de artikelen 24 tot en met 28 van de wet van 4 december 2007 wettelijke bepalingen zijn die de drempel bepalen voor andere of ondergeschikte verplichtingen en aldus met de uitzendkrachten rekening dient te worden gehouden bij het verdelen van de verschillende mandaten.

Het ACV wijst erop dat evenredige en representatieve vertegenwoordiging een inherent beginsel van de democratie en haar vertegenwoordigingssystematiek is en stelt dat de uitzendkrachtarbeider (bv.) dient te worden vertegenwoordigd door een arbeidersvertegenwoordiger die ongetwijfeld het best vertrouwd is met de noden en behoeften m.b.t. welzijn, veiligheid ... van de arbeiders en dus bij uitbreiding van de interim-arbeiders.

D. Stelling SITA

SITA van haar kant argumenteert dat het Hof van Cassatie in het arrest van 30 maart 2009 enkel uitspraak gedaan over artikel 23 van de wet van 4 december 2007 en dus enkel uitspraak heeft gedaan over de wijze van de vaststelling van het aantal mandaten voor de ondernemingsraad en/of het comité voor preventie en bescherming op het werk.

SITA stelt dat men in de regelgeving betreffende de sociale verkiezingen geen parallellisme wou invoeren tussen enerzijds de wijze van telling van de werknemers op basis van een referentieperiode voorafgaand aan dag X-60 (vaststelling van de tewerkstellingsdrempel op basis van een gemiddelde in voltijdse equivalenten) en anderzijds de punctuele en globale telling van de werknemers op dag X (vaststelling van het aantal van en de verdeling van de mandaten op basis van het aantal hoofden).

Artikel 24 verwijst immers niet naar de bepalingen tot regeling van de berekening van het "gemiddelde" van de personeelssterkte op dag X-60. Wat de uitzendkrachten betreft, wordt het "gemiddelde" van de werknemers enkel berekend om na te gaan of een overlegorgaan moet worden ingesteld.

Dat "gemiddelde" betreft zowel het vaste personeel als de uitzendkrachten, en dit op basis van een referentieperiode voorafgaand aan dag X-60. Het derde lid van artikel 25 Uitzendarbeidwet heeft geen betrekking op de berekening van het aantal op dag X tewerkgestelde werknemers om de verdeling van de mandaten vast te stellen. Die laatste berekening is immers een "foto" van het aantal werknemers op dag X en elke werknemer wordt er voor een eenheid geteld (met inbegrip van de deeltijdwerkers), zodat die telling niets te maken heeft met een "gemiddelde" op basis van een referentieperiode.

Artikel 25 Uitzendarbeidwet wil rekening houden met het reële globale tewerkstellingsvolume in de gebruikende onderneming om na te gaan of de tewerkstellingsdrempels voor de raad of het comité er al dan niet overschreden worden. De Uitzendarbeidwet heeft geen impact op de interne bepalingen van de bijzondere wetgeving betreffende de sociale verkiezingen. Zodra het overlegorgaan is ingesteld, heeft artikel 25 Uitzendarbeidwet dus geen enkele weerslag op de verdeling van het aantal mandaten.

Dit betekent volgens SITA dat de uitzendkrachten niet in aanmerking moeten worden genomen bij de verdeling van het totaal aantal mandaten tussen de verschillende categorieën van werknemers.

E. Stelling van de rechtbank

1.

Overeenkomstig artikel 23 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen, zoals gewijzigd door de Wet van 28 juli 2011 wordt het aantal mandaten bepaald volgens het aantal werknemers die in de onderneming tewerkgesteld worden op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de verkiezingen worden aangekondigd.

Met betrekking tot het aantal mandaten voor de OR enerzijds en het CPBW anderzijds werd voorzien dat er 6 mandaten waren. Daarbij werd rekening gehouden met de uitzendkrachten die geen vaste werknemer bij de gebruiker vervangen. Over deze wijze van vaststelling van het aantal mandaten bestaat in casu geen betwisting tussen partijen.

2.

Het aantal mandaten dat overeenkomstig artikel 23 van de wet van 4 december 2007 vastgesteld werd, in casu 6, moet tussen de verschillende werknemerscategorieën die bestaan in het kader van de sociale verkiezingen verdeeld worden (arbeiders, bedienden, jeugdige werknemers en, voor de ondernemingsraad, kaderleden).

De wijze waarop dergelijke verdeling dient te gebeuren, wordt bepaald in de artikelen 24 tot en met 28 van de wet van 4 december 2007.

Artikel 28 bepaalt dat bij de verdeling van de mandaten van de personeelsafgevaardigden rekening moet worden gehouden met het aantal personeelsleden van de verschillende categorieën in dienst in de onderneming op de dag van de aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd. Het leidinggevend personeel is begrepen in de categorie van kaderleden.

3.

Het Cassatiearrest van 30 maart 2009, waarop het ACV en het ACLVB zich steunen, stelt het volgende :

"Krachtens artikel 25, eerste lid, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, hierna Uitzendarbeidswet genoemd, komen voor de toepassing van de bepalingen van de wetten en verordeningen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, de ter beschikking van een gebruikende onderneming gestelde uitzendkrachten eveneens in aanmerking voor de berekening van de personeelssterkte, tewerkgesteld door die onderneming.

Krachtens artikel 25, tweede lid, van de Uitzendarbeidswet, geldt het eerste lid niet voor de uitzendkrachten die vaste werknemers vervangen als bedoeld in artikel 1, §2, 1°, van die wet.

Artikel 25, derde lid, van de Uitzendarbeidswet bepaalt: "Wat de wetgeving op de ondernemingsraden en de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen betreft, bepaalt de Koning de wijze van berekening van het gemiddelde van de uitzendkrachten die door een gebruiker worden tewerkgesteld."

4.Het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet geldt blijkens zijn uitdrukkelijke bewoordingen voor alle wettelijke bepalingen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, dit is zowel voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor de oprichting van een orgaan als voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor andere of ondergeschikte verplichtingen. Het geldt ook zowel voor wettelijke bepalingen die steunen op het "aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld als voor wettelijke bepalingen die steunen op het "gemiddeld aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld.

Artikel 25, derde lid, van de Uitzendarbeidswet verleent aan de Koning de bevoegdheid te bepalen hoe de gemiddelde tewerkstelling van uitzendkrachten moet worden berekend voor de erin aangeduide wetgeving welke bepalingen bevat die steunen op het gemiddeld aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld. Het strekt er niet toe de toepassing van artikel 25 van de Uitzendarbeidswet te beperken tot alleen die wettelijke bepalingen welke steunen op het "gemiddeld aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld.

5.Krachtens artikel 23, eerste lid, van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, is de personeelsafvaardiging in de raad en in het comité samengesteld uit: "4 gewone leden voor een onderneming met minder dan 101 werknemers; 6 gewone leden voor een onderneming met 101 tot 500 werknemers; (...), op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd".

Krachtens artikel 23, vijfde lid, van deze wet bestaat de afvaardiging bovendien uit plaatsvervangende leden waarvan het aantal gelijk is aan dat van de gewone leden.

6.Artikel 23, eerste lid, van de voormelde wet van 4 december 2007 is een wetsbepaling die steunt op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet.

Hieruit volgt dat de uitzendkrachten die op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd, ter beschikking van een gebruikende onderneming zijn gesteld, eveneens in aanmerking komen voor de berekening van de personeelssterkte van die onderneming en dus voor de vaststelling van het aantal leden en plaatsvervangende leden van de personeelsafvaardiging in de ondernemingsraad en in het comité voor preventie en bescherming op het werk."

4.

Het Hof van Cassatie heeft in dit arrest van 30 maart 2009 enkel uitspraak gedaan over de draagwijdte van artikel 23 van de wet van 4 december 2007 en dus over de wijze van de vaststelling van het aantal mandaten voor de ondernemingsraad en/of het comité voor preventie en bescherming op het werk.

Het Hof van Cassatie heeft beslist dat artikel 23 eerste lid, van de voormelde wet van 4 december 2007 een wetsbepaling is die steunt op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet omdat het een wettelijke bepaling betreft die de drempel bepaalt voor een andere of ondergeschikte verplichting aan deze van de oprichting van een orgaan, m.n. stelt deze bepaling dat de personeelsafvaardiging in de raad en in het comité is samengesteld uit: "4 gewone leden voor een onderneming met minder dan 101 werknemers; 6 gewone leden voor een onderneming met 101 tot 500 werknemers; (...), op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd.

Het Hof van Cassatie heeft gesteld dat aangezien het een wetsbepaling is die steunt op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, artikel 25, eerste lid, van de wet Uitzendarbeidswet toepassing vindt en dus de uitzendkrachten die op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd, ter beschikking van een gebruikende onderneming zijn gesteld, eveneens in aanmerking komen voor de berekening van de personeelssterkte van die onderneming en dus voor de vaststelling van het aantal leden en plaatsvervangende leden van de personeelsafvaardiging in de ondernemingsraad en in het comité voor preventie en bescherming op het werk.

5.

De vraag die rijst is dus te weten of de bepalingen die betrekking hebben op de verdeling van de mandaten per categorie eveneens blijkens hun bewoordingen wetsbepalingen zijn die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld en dus op de personeelssterkte van de onderneming, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet.

De rechtbank is van oordeel dat de bepalingen die betrekking hebben op de verdeling van de mandaten per categorie geen wetsbepalingen zijn die steunen op het "aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld", zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet.

Ten eerste blijkt uit deze bepalingen dat het criterium voor de verdeling van de mandaten niet langer "de personeelssterkte van de onderneming" is, zoals vereist in artikel 25 van de Uitzendarbeidswet, maar wel het aantal arbeiders in de onderneming, of het aantal bedienden in de onderneming of nog het aantal kaderleden of het aantal jeugdige werknemers in de onderneming.

Er is een tweede verschil tussen artikel 23 van de wet van 4 december 2007 waarover het Hof van Cassatie zich uitgesproken heeft en de artikelen 24 tot en met 28 van de wet van 4 december 2007, waarvoor de criteria verschillend zijn.

Artikel 28 bepaalt dat bij de verdeling van de mandaten van de personeelsafgevaardigden rekening moet worden gehouden met het aantal personeelsleden van de verschillende categorieën in dienst in de onderneming op de dag van de aanplakking van het bericht, waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd.

Artikel 28 specificeert dus duidelijk dat de verdeling van de mandaten niet gebeurt op basis van het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, zoals het geval is bij artikel 23 van de wet, maar wel op basis van de personeelsleden die "in dienst" zijn in de onderneming, wat dus inhoudt dat ze deel uitmaken van het personeel en werken in dienstverband, wat inhoudt dat ze verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst met de onderneming zelf.

Dit is ook logisch, aangezien het huidige artikel 28 bedoeld is om de opmaak van de kiezerslijsten en de samenstelling van de kiescolleges en -bureaus mogelijk te maken, terwijl de uitzendkrachten bij de gebruikende onderneming niet aan de verkiezingen kunnen deelnemen, noch door er kandidaat te zijn, noch door er te gaan stemmen.

Het Hof van Cassatie stelde dienaangaande in een arrest van 12 februari 2001:

"Overwegende dat, naar luid van artikel 25 van voornoemd besluit, bij de verdeling van de mandaten van de personeelsafgevaardigden, rekening moet worden gehouden met het aantal personeelsleden van de verschillende categorieën in dienst in de onderneming op de dag van de aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd;

Dat voornoemde bepaling, die bedoeld is om de opmaak van de kiezerslijsten en de samenstelling van de kiescolleges en -bureaus mogelijk te maken, aldus de verdeling van de mandaten in de sociale organen grondt op de toestand van het personeel in de onderneming op de dag van aanplakking van het bij artikel 11 van het koninklijk besluit van 25 mei 1999 voorgeschreven bericht, waarin onder meer de datum en de uurregeling van de verkiezingen, het aantal mandaten per raad of comité en per categorie, alsook de voorlopige kiezerslijsten of de plaatsen waar zij kunnen worden geraadpleegd ter kennis van de werknemers worden gebracht."

6.

Het ACV stelt dat indien de uitzendkrachten meetellen voor de samenstelling van de noemer (= het aantal werknemers dat men bekomt door toepassing van artikel 23), het logisch is dat ze ook meetellen in de teller.

Het ACV gaat uit van een verkeerde premisse.

Wanneer de uitzendkrachten niet worden meegerekend voor de verdeling van de mandaten, komen zij noch in te teller, noch in de noemer voor. De noemer bevat dan immers overeenkomstig artikel 28 van de voornoemde wet enkel de personeelsleden van de verschillende categorieën in dienst in de onderneming op de dag van de aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd. De teller bevat enkel het aantal arbeiders ( of andere categorie ) in dienst in de onderneming op de dag van de aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd.

7.

Daar waar het ACV wijst op het feit dat de evenredige en representatieve vertegenwoordiging een inherent beginsel is van de democratie, stelt deze rechtbank vast dat artikel 28 van de wet van 4 december 2007 m.b.t. de verdeling van de mandaten geen berekening vooropstelt op basis van de gemiddelde personeelssterkte, maar als het ware en "foto" is van het aantal werknemers op dag X, waarbij geen juist beeld kan worden bekomen om tot een correcte representatieve vertegenwoordiging te komen, zeker niet wat betreft de uitzendkrachten.

8.

Tenslotte stelt de rechtbank ook vast dat het niet meerekenen van de uitzendkrachten bij de verdeling van de mandaten conform is aan de bepalingen van artikel 7 van de Europese Richtlijn van 19 november 2008 betreffende de uitzendarbeid (Pb. L. 327/11, 5 december 2008) ;

Dit artikel bepaalt :

"Vertegenwoordiging van de uitzendkrachten

- In het uitzendbureau worden de uitzendkrachten, onder door de lidstaten vastgestelde voorwaarden, meegeteld bij de berekening van de drempel waarboven de vertegenwoordigingsorganen van de werknemers waarin het Gemeenschaps- en nationaal recht of collectieve overeenkomsten voorzien, moeten worden opgericht.

- De lidstaten kunnen, onder de voorwaarden die zij vaststellen, bepalen dat deze uitzendkrachten in de inlenende onderneming worden meegeteld voor de berekening van de drempel -waarboven de werknemersvertegenwoordigende organisaties waarin het Gemeenschaps- en nationaal recht of collectieve overeenkomsten voorzien, mogen worden opgericht, op de dezelfde wijze als werknemers die rechtstreeks door de inlenende onderneming voor dezelfde duur zijn of zouden zijn aangesteld.

- De lidstaten die gebruikmaken van de in lid 2 geboden mogelijkheid, zijn niet verplicht de bepalingen van lid 1 toe te passen."

De Europese richtlijn voorziet dus enkel de verplichting om de uitzendkrachten desgevallend in de inlenende onderneming mee te tellen voor de berekening van de drempel waarboven de werknemersvertegenwoordigende organisaties mogen worden opgericht, meer niet.

Wel kunnen de lidstaten gunstigere bepalingen voorzien, maar zoals hierboven uiteengezet, heeft de Belgische wetgever, wat betreft de verdeling van de mandaten over de verschillende categorieën bij de sociale verkiezingen, daarin niet voorzien.

Dat de uitzendkrachten niet in aanmerking moeten worden genomen bij de verdeling van het aantal mandaten over de verschillende categorieën personeelsleden op dag X blijkt ook uit volgend antwoord van de Minister van Werk op 20 oktober 2011 :

"In dit stadium kunnen we ons dus alleen baseren op de gang van zaken die tot nu toe bestond en bij gebrek aan nadere preciseringen uitzendkrachten meerekenen voor de berekening van de drempel, maar niet voor de interne verdeling van de mandaten tussen de categorieën werknemers (arbeiders/bedienden)."

( Handelingen Senaat, 25 oktober 2011, pagina 16)

Ook in de Nationale Arbeidsraad werd deze stelling door de leden van de werkgeversorganisaties als volgt verwoord :

"Artikel 25, 1ste tot 3de lid van Uitzendarbeidwet luidt als volgt: "Voor de toepassing van de wetten en de verordeningen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, komen de ter beschikking van een gebruikende onderneming gestelde uitzendkrachten eveneens in aanmerking voor de berekening van de personeelssterkte, tewerkgesteld door die onderneming. Het eerste lid geldt niet voor de uitzendkrachten die vaste werknemers vervangen als bedoeld in artikel 1, § 2, 1°. Wat de wetgeving op de ondernemingsraden en de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen betreft, bepaalt de Koning de wijze van berekening van het gemiddelde van de uitzendkrachten die door een gebruiker worden tewerkgesteld...". 2 Arbeidsrechtbank Kortrijk, 24 april 1991, RG 35983; Arbeidsrechtbank Brussel, 30 april 1991, R.D.S., 1991, p. 301: Arbeidsrechtbank Namen, 31 maart 1995, RG 85328.

De leden die de werkgeversorganisaties vertegenwoordigen gaan akkoord met het voorstel van de minister om de uitzendkrachten expliciet uit te sluiten voor de telling van het aantal werknemers met het oog op de vaststelling van het aantal mandaten. Ze onderschrijven dienaangaande de heersende rechtspraak tot aan het gewraakte arrest van het Hof van Cassatie.2 - 10 - Advies nr. 1748.

Artikel 23 van de Verkiezingsprocedurewet verwijst uitsluitend naar het aantal werknemers, dat wil zeggen de personen die door de werkgever tewerkgesteld worden krachtens een arbeidsovereenkomst of een leerovereenkomst alsook enkele gelijkstellingen met de leerovereenkomst (zie artikel 4, 8° van de Verkiezingsprocedurewet).

De uitzendkrachten die door de gebruikende onderneming tewerkgesteld worden, vallen dus niet onder het begrip "werknemer" in de zin van de artikelen 4, 8° en 23 van die wet. Verder hebben noch de wetgever noch de Koning in de regelgeving betreffende de sociale verkiezingen een parallellisme willen invoeren tussen de wijze van telling van de werknemers per categorie op basis van een referentieperiode voorafgaand aan dag X-60 (vaststelling van de tewerkstellingsdrempel op basis van een gemiddelde in voltijdse equivalenten) en de punctuele en globale telling van de werknemers op dag X (vaststelling van het aantal mandaten op basis van het aantal hoofden).

Noch artikel 23 van de Verkiezingsprocedurewet, noch de vroegere regelgeving verwijst immers naar de bepalingen tot regeling van de berekening van het "gemiddelde" van de personeelssterkte op dag X-60. Wat de uitzendkrachten betreft, wordt het "gemiddelde" van de werknemers enkel berekend om na te gaan of een overlegorgaan moet worden ingesteld.

Dat "gemiddelde" betreft zowel het vaste personeel als de uitzendkrachten, en dit op basis van een referentieperiode voorafgaand aan dag X-60. Het derde lid van artikel 25 van de Uitzendarbeidwet heeft geen betrekking op de berekening van het aantal op dag X tewerkgestelde werknemers om het aantal mandaten vast te stellen.

Die laatste berekening is immers een "foto" van het aantal werknemers op dag X en elke werknemer wordt er voor een eenheid geteld (met inbegrip van de deeltijdwerkers), zodat die telling niets te maken heeft met een "gemiddelde" op basis van een referentieperiode. Artikel 25 van de Uitzendarbeidwet wil rekening houden met het reële globale tewerkstellingsvolume in de gebruikende onderneming om na te gaan of de tewerkstellingsdrempels van 100 werknemers (raad) of 50 werknemers (comité) er al dan niet overschreden worden.

Aangezien het gaat om een bijzondere wet die de uitzendarbeid regelt, heeft de Uitzendarbeidwet geen impact op de interne bepalingen van de bijzondere wetgeving betreffende de sociale verkiezingen. Zodra het overlegorgaan is ingesteld, heeft artikel 25 van de

Uitzendarbeidwet dus geen enkele weerslag op de vaststelling van het aantal mandaten.

In dezelfde logica wil de Europese richtlijn 2008/104 betreffende uitzendarbeid in haar artikel 7 uitsluitend de gelijkheid van rechten inzake collectieve vertegenwoordiging garanderen wat betreft de "berekening van de drempel waarboven de werknemersvertegenwoordigende organisaties mogen worden opgericht", en geenszins raken aan de wijze van aanwijzing van de personeelsvertegenwoordigers of de werking van die organen. "

Tenslotte wordt deze visie bevestigd in een brochure van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg van september 2011.

Ook de rechtsleer heeft zich niet uitgesproken ten gunste van de stelling dat de uitzendkrachten moeten meegeteld worden bij de verdeling van het aantal mandaten per categorie van werknemers.

Zo stellen professor O. VAN ACHTER (in "Procedure Sociale Verkiezingen 2012, Kluwer, Mechelen, 2011, p. 144) en J. VANTHOURNOUT (in Sociale Verkiezingen 2012, Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 2011, p. 204) dat bij de bepaling van het aantal mandaten per orgaan, het Hof van Cassatie oordeelde dat de door de gebruiker tewerkgestelde uitzendkrachten op dag X moeten meegeteld worden voor de vaststelling van het aantal leden en plaatsvervangende leden van de personeelsafvaardiging in de raad en in het comité.

Voor de verdeling van de mandaten per categorie (arbeiders, bedienden, kaderleden, jeugdige werknemers) vermelden deze auteurs niet dat uitzendkrachten bij de verdeling per categorie (arbeiders, bedienden, jonge werknemers, kaderleden) in aanmerking moeten genomen worden.

De rechtbank besluit derhalve dat de uitzendkrachten niet in aanmerking moeten worden genomen bij de verdeling van het aantal mandaten over de verschillende categorieën personeelsleden in dienst bij SITA op dag X.

De vordering van het ACV is derhalve ongegrond.

Alle andere middelen zijn ter zake niet dienend.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gehoord Mevrouw Nathalie VAN DEN BRANDE, substituut arbeidsauditeur in haar andersluidend mondeling advies ;

Voegt de zaken gekend onder AR nr 12/3137/A en AR nr 12/3138/A samen.

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk doch ongegrond ;

Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding begroot op 1320 euro zijnde de rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist door de 33ste Kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel waar zitting hielden :

Mevrouw Alexandra SCHOENMAEKERS, rechter,

Mijnheer Willy HERREMANS, Rechter in sociale zaken, werkgever

Mijnheer Geert LEFERE, rechter in sociale zaken, bediende

En uitgesproken ter openbare zitting van 13 MAART 2012 waar aanwezig waren :

Mevrouw Alexandra SCHOENMAEKERS, rechter

bijgestaan in de uitspraak door Mevrouw Sabine DE BRUYCKER, griffier - Hoofd van Dienst ;

De Griffier-Hoofd van Dienst, De Rechters in Sociale Zaken, De Rechter,

S. DE BRUYCKER G. LEFERE & W. HERREMANS A. SCHOENMAEKERS

Vrije woorden

  • SOICALE VERKIEZINGEN

  • UITZENDKRACHTEN

  • VERDELING MANDATEN