- Advies van 6 juli 2011

06/07/2011 - 16/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Advies - Integrale tekst

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

Gelet op de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (hierna WVP), inzonderheid artikel 29;

Gelet op het verzoek om advies van Dhr. E. Schouppe, Staatssecretaris voor Mobiliteit ontvangen op 07/06/2011;

Gelet op het verslag van Dhr. Poma;

Brengt op 6 juli 2011 het volgend advies uit:

I. ONDERWERP EN CONTEXT VAN DE ADVIESAANVRAAG

1. Het ontwerp van koninklijk besluit betreffende de Kruispuntbank Rijbewijzen (hierna "het ontwerp") beoogt de uitvoering van sommige bepalingen uit het hoofdstuk "Oprichting van de kruispuntbank van de rijbewijzen" van de wet van 24 april 2011 houdende diverse bepalingen (hierna "de wet KRB").

2. De wettelijke bepalingen waaraan met het ontwerp uitvoering zal worden gegeven, werden eerder ter advies van de Commissie voorgelegd (cf. advies nr. 14/2010 van 31 maart 2010). Het destijds verstrekte advies was gunstig onder voorwaarden.

II. ONDERZOEK VAN DE AANVRAAG

A. Algemene opmerking - dienstenintegratie en authentieke bronnen

3. In haar advies nr. 14/2010 heeft de Commissie het onderscheid gegevensintegratie - dienstenintegratie toegelicht en heeft zij geadviseerd om per gegeven aan te duiden welke de authentieke bron is. Zij wees er ook op dat de term "kruispuntbank" in de KBR niet lijkt overeen te stemmen met de gangbare interpretatie van deze notie.

4. Het verslag aan de Koning bij het ontwerp stelt in dit verband het volgende: "De kruispuntbank van de rijbewijzen is een kruispuntbank sui generis, die afwijkt van het kruispuntbankbeginsel van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. De kruispuntbank van de rijbewijzen dient immers enerzijds als authentieke bron voor de rijbewijsgegevens die er in worden bewaard, en anderzijds als dienstenintegrator voor de rijbewijsgegevens waarvoor andere authentieke bronnen bestaan."

5. De Commissie is van oordeel dat de functie van authentieke bron duidelijk moet onderscheiden worden van de functie van dienstenintegrator/kruispuntbank. Bij voorkeur dienen beide activiteiten door afzonderlijke instanties te worden uitgeoefend.

6. Indien de kruispuntbank rijbewijzen (hierna "KRB") beide taken toch combineert - wat door de wetgever (minstens impliciet) werd beslist in de wet KRB - dient de regelgeving vast te leggen voor welke gegevensverwerkingen de KRB als authentieke bron optreedt en voor welke gegevens andere instanties deze rol vervullen.

7. Artikel 8, § 2, van de wet KRB somt duidelijk op voor welke gegevens de KRB zelf als authentieke bron handelt. Verder geeft artikel 8, § 3, van de wet KRB aan welke gegevens door welke instanties permanent moeten ter beschikking gesteld worden van het netwerk van de KRB en de huidige tekst van het ontwerp herhaalt deze bepalingen min of meer1. Er wordt echter nergens vermeld dat de in artikel 8, § 3, wet KBR, bedoelde instanties als authentieke bron ageren. Er wordt enkel aangegeven dat ze welbepaalde gegevens "verwerken". De Commissie adviseert om al deze instanties expliciet als authentieke bron aan te wijzen in het ontwerp.

B. Bemerkingen bij welbepaalde artikelen uit het ontwerp

a) Artikel 2

8. De huidige redactie van artikel 2 van het ontwerp roept vragen op en dit op de volgende punten:

a. Ten eerste is sprake van "bewaring van gegevens in de kruispuntbank". Op het niveau van een dienstenintegrator worden in principe geen gegevens bewaard. De bewaring gebeurt in de eerste plaats bij de authentieke bronnen. Bewaartermijnen op het niveau van de KBR kunnen in beginsel dan ook enkel betrekking hebben op de gevallen waarin de KBR zelf als authentieke bron optreedt.

b. Wellicht zal voor elke authentieke bron (FOD Justitie, FOD Sociale Zekerheid, KBR, enz.) een eigen specifieke bewaartermijn gelden en bij de bepaling van deze termijn dient de afweging zoals bedoeld in artikel 4, § 1, 5°, WVP, te worden gemaakt: gegevens mogen niet langer worden bewaard dan nodig voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of verder worden verwerkt. De verwijzing in het ontwerp naar dit artikel uit de WVP biedt op zich weinig meerwaarde, aangezien deze regel hoe dan ook van toepassing is. Een bepaling in het ontwerp omtrent bewaartermijnen zou wel een toegevoegde waarde hebben, mocht deze een concrete bewaartermijn bevatten voor de gegevens die in één of meerdere authentieke bronnen van het netwerk van de KRB zijn opgeslagen.

c. De verwijzing naar de artikel 1 tot en met 6 van het uitvoeringsbesluit bij de WVP is in deze context niet relevant. Deze artikelen handelen immers niet over de bewaartermijn van persoonsgegevens.

b) Artikel 7, 2°

9. De Commissie wees er reeds in randnummers 33 tot en met 37 van haar advies nr. 14/2010 op dat in de wet KBR verwerkingen van medische gegevens worden vermeld. Ook in het ontwerp worden deze verwerkingen aangehaald.

10. Het betreft gegevens die bij de FOD Sociale Zekerheid zullen bewaard worden: de beslissing over de medische geschiktheid om welbepaalde voertuigen (zoals bijvoorbeeld bussen) te mogen besturen die door de onderzoekende geneesheer is genomen, de geldigheidsdatum ervan en de voorwaarden, beperkingen en aanpassingen aan het voertuig die verband houden met de medische geschiktheid (artikel 7, 2° van het ontwerp).

11. Een verwerking van persoonsgegevens betreffende de gezondheid is in principe verboden (artikel 7, § 1, WVP), behalve in de gevallen die in artikel 7, § 2, WVP, zijn opgesomd. Eén van die uitzonderingsgevallen betreft bijvoorbeeld de situatie waarin de verwerking verplicht is gesteld door een wet om redenen van zwaarwegend algemeen belang. Een andere uitzondering betreft de verwerking die noodzakelijk is voor het voorkomen van een concreet gevaar of voor de beteugeling van een bepaalde strafrechtelijke inbreuk (artikel 7, § 2 e) en g)). De Commissie ziet vooral in laatstgenoemde uitzondering een rechtsgrond om de verwerking van medische gegevens in onderhavige context te rechtvaardigen.

12. Daarnaast kan worden opgemerkt dat de regelgeving specifieke voorwaarden oplegt bij de verwerking van medische gegevens2:

 de gegevens dienen bij de betrokkene (in casu bij de burger die een rijbewijs aanvraagt) zelf te worden verzameld;

 de verantwoordelijke voor de verwerking dient een lijst bij te houden van categorieën van personen die de gegevens mogen raadplegen. Deze personen moeten gebonden zijn aan een vertrouwelijkheidsplicht;

 bij de informatieverstrekking aan de betrokkenen of in de aangifte bij de Commissie dienen bijkomende punten te worden vermeld, waaronder de wettelijk basis die de verwerking van gezondheidsgegevens in dergelijke gevallen toelaat;

 de verwerking dient in principe onder de verantwoordelijkheid van een "beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg" te gebeuren;

 voor bepaalde mededelingen van gezondheidsgegevens is een voorafgaande machtiging van de afdeling gezondheid van het Sectoraal Comité Sociale Zekerheid en Gezondheid vereist.

13. De Commissie onderstreept dat de nodige maatregelen moeten genomen worden opdat al deze voorwaarden in de praktijk zouden nageleefd worden.

14. Verder wijst de Commissie op een onzorgvuldigheid in het Verslag aan de Koning: "Voor de medische getuigschriften die elektronisch werden afgegeven (...) dient het eHealth-platform als authentieke bron". Het eHealth-platform is een dienstenintegrator en geen authentieke bron. Wellicht zal laatstgenoemde rol in deze context door de FOD Sociale Zekerheid worden vervuld (cf. artikel 7 van het ontwerp). Het strekt tot aanbeveling om de tekst in die zin te verbeteren.

c) Artikel 13

15. Artikel 13 van het ontwerp stipuleert dat de KBR toegangs-, invoer-, wijzigings- en annulatierechten heeft voor alle gegevens waarvoor het zelf als authentieke bron optreedt. De Commissie is van oordeel dat dit artikel weinig toegevoegde waarde biedt, aangezien het juist eigen is aan de rol van een authentieke bron dat deze instaat voor het beheer van de gegevens en dat zij er over waakt dat de gegevens nauwkeurig en up to date zijn. De toegekende rechten zijn dus al inherent aan het takenpakket van een authentieke bron.

d) Artikel 14

16. In artikel 14 van het ontwerp worden een aantal instanties opgesomd die niet onderworpen zijn aan de plicht om een machtiging te bekomen bij het Sectoraal Comité voor de Federale Overheid vooraleer zij gegevens via de KBR kunnen raadplegen. Het betreft bijvoorbeeld de politiediensten en de gerechtelijke overheden.

17. Hoewel de Commissie in beginsel geen bezwaren heeft tegen het feit dat voornoemde instanties zonder machtiging toegang kunnen krijgen tot de kwestieuze gegevens, heeft zij een opmerking bij de volgende passage die in dit verband in het verslag aan de Koning is opgenomen: "Voor deze diensten bestaan immers voldoende ex ante controlestructuren met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer." Teneinde een optimale transparantie te bewerkstelligen, is het aangewezen om in dit verslag aan te geven welke deze "ex ante controlestructuren" zijn.

e) Artikel 27

18. De Commissie stelt vast dat in dit artikel uitvoering wordt gegeven aan de informatieplicht in de zin van artikel 9, WVP. Hoewel laatstgenoemd artikel letterlijk in het ontwerp wordt vermeld, worden een aantal elementen (bv. het feit dat de betrokkene over een recht van verzet beschikt) die verplicht ter informatie van de betrokkenen moeten worden medegedeeld, uit het oog verloren.

f) Artikel 30

19. Dit artikel voorziet in een overgangsregeling voor de centra die bevoegd zijn om de examens betreffende het rijbewijs en de vakbekwaamheid af te nemen. Dergelijke centra krijgen met name tot 1 januari 2013 de tijd om een machtiging te bekomen bij het Sectoraal Comité voor de Federale Overheid om verder gegevens via de KBR te kunnen opvragen.

20. De Commissie heeft alle begrip voor een dergelijke overgangsmaatregel. Anders dreigen de bestaande gegevensverwerkingen tussen voornoemde centra en de KBR vanaf de datum van de inwerkingtreding van de wet KBR illegaal te verlopen. Ze stelt zich tegelijk ook de vraag waarom de overgangsmaatregel werd beperkt tot deze centra. De kwestieuze gegevens worden immers nog door tal van andere instanties geraadpleegd.

21. Gelet op het voorgaande, pleit de Commissie er voor om de overgangsmaatregel die wordt voorzien in artikel 30 uit te breiden tot alle andere instanties die toegang nodig hebben tot de KBR.

C. Slotbemerking

22. De Commissie stelt vast dat er zowel in de wet KBR als in het ontwerp kennelijk wordt van uit gegaan dat enkel gegevensstromen vanuit de KBR moeten worden gemachtigd. Nu het evenwel duidelijk is (wat ten tijde van advies nr. 14/2010 van 31 maart 2010 niet het geval was) dat de KBR slechts voor een deel van de gegevens als authentieke bron zal fungeren en voor alle andere gegevens als een dienstenintegrator zal optreden (cf. supra) - en in laatstgenoemde hoedanigheid de gegevens dus zal opvragen uit andere authentiek bronnen zoals de FOD Binnenlandse Zaken en de FOD Sociale Zekerheid - dient te worden opgemerkt dat deze visie niet strookt met de principes die de Commissie en haar Sectorale Comités hanteren bij de behandeling van machtigingsaanvragen.

23. De Commissie is met name van oordeel dat het haaks staat op de natuur van dienstenintegratoren om deze apart te machtigen om gegevens mede te delen, zonder dat er duidelijkheid bestaat over de gegevensstroom van bron tot eindbestemmeling (end-to-end)3. In de context van de KBR impliceert dit dat voor gegevens die bijvoorbeeld door de FOD Binnenlandse Zaken worden ter beschikking gesteld (artikel 5 van het ontwerp), er een machtiging zal moeten verleend worden om deze gegevens via de KBR aan bepaalde bestemmeling(en) te kunnen doorsturen. Er kan dus geen machtiging verleend worden louter voor de flux vanuit de KBR, maar enkel voor de volledige gegevensstroom vanuit de FOD Binnenlandse Zaken, via de KBR, naar de eindbestemmeling (end-to-end).

24. De artikelen 14 en 15 van het ontwerp staan op gespannen voet met het principe om gegevensstromen steeds end-to-end te machtigen. Deze bepalingen geven immers de indruk dat er machtigingen kunnen verleend worden voor gegevens die bij de KBR worden opgevraagd. De Commissie is van oordeel dat deze benadering enkel correct is in de gevallen waarin de KBR zelf als authentieke bron ageert. Voor alle gevallen waarin de KBR de gegevens uit andere authentieke bronnen opvraagt en vervolgens in zijn rol als dienstenintegrator wil doorgeven aan bepaalde bestemmelingen, is dit geen correcte aanpak aangezien er enkel een afzonderlijk stukje (met name de flux KBR - bestemmeling) van de totale gegevensstroom (met name de flux Authentieke bron - KBR - bestemmeling) ter beoordeling van een Sectoraal Comité zou voorgelegd worden.

25. Gelet op het voorgaande, adviseert de Commissie om in de artikelen 14 en 15 van het ontwerp niet alleen de KBR te vermelden, maar ook de andere authentieke bronnen die in het ontwerp aan bod komen (FOD Binnenlandse Zaken, enz.) en die via de KBR gegevens zullen ter beschikking stellen.

26. Zij verzoekt ook om er over te waken dat in toekomstige machtigingsaanvragen de volledige gegevensstroom die wordt beoogd, wordt weergegeven (authentieke bron - KBR - bestemmeling(en)). Wanneer het bevoegde Sectorale comité geen duidelijk beeld heeft van de volledige gegevensstroom (end-to-end) zal het immers geen machtiging kunnen verlenen.

27. Het principe om steeds end-to-end te machtigen heeft in de context van de KBR bovendien tot gevolg dat het Sectoraal Comité voor de Federale Overheid niet altijd het bevoegde comité zal zijn om gegevensstromen die via de KBR verlopen, te machtigen. Gegevensstromen die bijvoorbeeld vanuit de FOD Sociale Zekerheid worden gevoerd (artikel 7 van het ontwerp) zullen onder de bevoegdheid van het Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en de Gezondheid vallen. Het feit dat er een tussenkomst van de KBR plaatsvindt vooraleer de gegevens van de FOD Sociale Zekerheid bij een bepaalde bestemmeling terecht komen, impliceert dus niet dat deze flux tot de bevoegdheid van het Sectoraal Comité voor de Federale Overheid behoort. De KBR treedt in een dergelijke situatie immers louter als dienstenintegrator op en de FOD Sociale Zekerheid vormt de authentieke bron. Aangezien deze bron een instelling van sociale zekerheid betreft, is de afdeling sociale zekerheid van het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid bevoegd4.

28. De Commissie stelt vast dat er in de wet KBR reeds is bepaald dat het Sectoraal Comité voor de Federale Overheid in onderhavige context bevoegd is (cf. artikel 4, 12° wet KBR). De wet KBR dient evenwel te worden samen gelezen met artikel 36bis WVP. Uit laatstgenoemd artikel volgt dat het Sectoraal Comité voor de Federale Overheid slechts over een residuaire bevoegdheid beschikt. Dit comité is met andere woorden slechts bevoegd wanneer er geen enkel ander sectoraal comité bevoegd is.

29. Gelet op het principe dat machtigingen end-to-end worden verleend en gelet op artikel 36bis WVP, adviseert de Commissie om de volgende wijzigingen aan te brengen:

 in artikel 15, in fine, van het ontwerp "het sectoraal comité" vervangen door "het bevoegde sectoraal comité"

 in het verslag aan de Koning bij het ontwerp verduidelijken dat het Sectoraal Comité voor de Federale Overheid krachtens artikel 36bis WVP een residuaire bevoegdheid heeft en dat het derhalve mogelijk is dat andere Sectorale Comités die in de schoot van de Commissie zijn opgericht, bevoegd zijn om in onderhavige context machtigingen te verlenen.

OM DEZE REDENEN,

Brengt de Commissie een gunstig advies uit over het ontwerp van koninklijk besluit betreffende de kruispuntbank van de rijbewijzen, mits rekening wordt gehouden met haar opmerkingen (cf. in het bijzonder randnummers 7, 8, 12, 14, 17, 18, 21, 25, 26 en 29)

Voor de Administrateur m.v., De Voorzitter,

(get.) Patrick Van Wouwe (get.) Willem Debeuckelaere

Vrije woorden

  • Ontwerp van koninklijk besluit betreffende de kruispuntbank van de rijbewijzen (CO-A/2011/016)