- Beslissing van 4 mei 2012

04/05/2012 - M11-7-0843/8363

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Beslissing - Integrale tekst

(...)

I. Feiten

Op 13 november 2006 overleed mevrouw Diana X. (° 1953), schoonmoeder van verzoekster.

Uit het medicolegaal onderzoek, in het bijzonder het letselpatroon, en het sporenonderzoek, inclusief DNA, hebben de feiten, volgens de meest plausibele hypothese, zich als volgt voorgedaan:

- Een ruzie met handgemeen waarbij X. Diana talrijke klappen, zeer

waarschijnlijk meerdere slagen met de sierpook (waarop DNA van X. Diana en

Z. Mathias), op het gelaat heeft gekregen, en waarbij talrijke slagen werden

geïncasseerd door de beschermend opgeheven armen, en dit vermoedelijk minstens voor

een deel in liggende houding;

- Het slachtoffer heeft, op de grond gelegen met het hoofd voor de sierschouw, liggen

bloeden, vermoedelijk als gevolg van een bloedneus; er werd ook met de sierpook

'gestoken' naar het onderbeen;

- Het slachtoffer werd eveneens gewurgd, waarschijnlijk nog in het salon;

- Het slachtoffer werd, zeer vermoedelijk na overlijden en dus na het stoppen van de

bloeding (vanwege ontbreken van hartslag), op de rug bij de enkels (DNA van Z.

Mathias op de linker enkel) de keldertrap afgesleurd (schaafwonden en cementafzetting,

vooral op de bovenrug).

II. Vervolging

Verzoekster stelde zich op 22 december 2006 burgerlijke partij lastens de genaamde Mathias Z. bij de onderzoeksrechter te ... .

Bij arrest dd. 30 september 2008 van de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te ... werd Mathias Z. (° 1945), in verdenking gesteld van "opzettelijk, met het oogmerk om te doden en met voorbedachten rade, X. Diana, geboren te Vliermaalroot op 25 juni 1953, gedood te hebben", verwezen naar het Hof van Assisen van de Provincie ....

Op 20 juli 2009 overleed de inverdenkinggestelde.

De zaak was nog niet vastgesteld voor het Hof van Assisen te .... Als reden wordt opgegeven dat een 5 tal dikke Engelse kaften op dat ogenblik nog niet vertaald waren.

III. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster, niet-inwonende schoondochter van het slachtoffer, vraagt om de toekenning van een hulp van euro 2.675.

IV. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd.

Verzoekster is de niet-inwonende schoondochter van wijlen het slachtoffer.

Overeenkomstig artikel 31, 2° van de wet van 1 augustus 1985, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009, kan de Commissie een financiële hulp toekennen aan "erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad van een persoon die overleden is als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad of personen die in duurzaam gezinsverband samenleefden met de overledene".

Artikel 731 B.W. luidt als volgt: "De erfenissen komen toe aan de kinderen en afstammelingen van de overledene, aan zijn noch uit de echt noch van tafel en bed gescheiden echtgenoot, aan zijn bloedverwanten in de opgaande lijn (aan zijn bloedverwanten in de zijlijn en aan zijn wettelijk samenwonende binnen de grenzen van de rechten die hem zijn toegekend), in de orde en overeenkomstig de regels die hierna worden bepaald."

Schoonfamilie kan niet ondergebracht worden in de hierboven geciteerde omschrijving. Het voorliggend verzoekschrift wordt derhalve als onontvankelijk afgewezen.

Aangezien de verslaggever in het verslag reeds opmerkte dat het verzoek kennelijk onontvankelijk is, doet, overeenkomstig artikel 30, § 3, tweede lid, van de wet en artikel 16bis van het K.B. van 18 december 1986, de voorzitter van de kamer als enig lid uitspraak over de onontvankelijkheid.

De Commissie wenst evenwel te beklemtonen dat de afwijzing van voorliggend verzoekschrift evident geen afbreuk doet aan het grote leed van verzoekster, waarvoor de Commissie alle begrip betoont. Als administratief rechtscollege heeft de Commissie zich evenwel te houden aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die haar werking regelen.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De voorzitter,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek onontvankelijk.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 4 mei 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Vrije woorden

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 9 augustus 2011 waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.