- Beslissing van 21 mei 2012

21/05/2012 - M12-1-0037/8693

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Beslissing - Integrale tekst

(...)

I. Feiten

Op 29 april 2007 bevond verzoeker zich samen met enkele vrienden in een pizzeria te ... . Toen een vriend een opmerking maakte over een verdwenen wijnfles, ontstond een discussie met andere aanwezigen.

Plots werden aan verzoeker slagen toegediend, zijnde een slag op het gelaat en een stamp of slag in de linkerzij door een voor hem onbekend persoon.

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 14 mei 2008 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd onder meer de volgende tenlastelegging bewezen verklaard in hoofde van de genaamde Albertus Z. (° 1961):

"Bij samenhang te ..., in het gerechtelijk arrondissement ..., op 29 april 2007:

Opzettelijke verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan X. Mathieu die voor deze hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hadden, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge hebben."

Ter afhandeling van de burgerlijke belangen werd bij arrest dd. 12 februari 2009 van het Hof van Beroep te ... Z. veroordeeld tot betaling aan verzoeker de hoofdsom van euro 11.974,80 meer de intresten en een RPV van euro 1.000 in eerste aanleg en euro 1.000 in hoger beroep.

- morele schade euro 657,04

- materiële kosten euro 1.135,00

- medische kosten euro 3.370,85

- tijdelijke en/of blijvende invaliditeit euro 6.250,00

- inkomstenverlies euro 561,40

Dit arrest bekwam kracht van gewijsde (attest griffie).

III. Gevolgen van de feiten

Het dossier bevat diverse beknopte medische attesten (geen samenvattend) waaruit kan worden opgemaakt:

- een orbitabodemfractuur werd vastgesteld;

- 100% werkonbekwaamheid van 30 april tot 8 mei 2007;

- heelkundige ingreep op 7 januari 2008: "submuceuze neusseptumcorrectie met bilaterale thermische resectie van de onderste neusschelpen- en staarten en bilaterale antrostomie met reiniging van de maxillaire sinusholten";

- verzoeker op 7 oktober 2008 nog steeds in behandeling was als gevolg van het neustrauma.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. De instrumenterende gerechtsdeurwaarder deelt mee dat de veroordeelde noch in België, noch in Nederland traceerbaar is.

IV-2. Verzoeker heeft een rechtsbijstandverzekering afgesloten bij FORTIS. Op grond van de clausule ‘onvermogen van derden' werd hem een tussenkomst van euro 6.200 uitgekeerd.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 15.242,14, zijnde de hoofdsom van

euro 11.974,80 toegekend bij arrest dd. 12/02/2009, meer 2 x RPV van telkens euro 1.000, meer de intresten.

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade :

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

‘Intresten' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor een hulp. Het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt is hier niet van toepassing; immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. De zienswijze van de Commissie ten aanzien van de intresten werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

Terzake de gevorderde ‘rechtsplegingsvergoeding' merkt de Commissie het volgende op. Uit de dossierstukken blijkt dat de raadsman van verzoeker optrad in de gerechtelijke procedure in opdracht van verzekeringsmaatschappij FORTIS. Welnu, indien een advocaat tussenkomt voor een slachtoffer, voor wie hij zich burgerlijke partij stelde voor de correctionele rechtbank, in opdracht en op kosten van een verzekeringsmaatschappij, dan komt de rechtsplegingsvergoeding, indien deze betaald zou worden, toe aan de maatschappij (die ook de ereloonstaat van de advocaat ten laste neemt).

Kortom, het bedrag dat voor de rechtsplegingsvergoeding betaald wordt, komt nooit het slachtoffer ten goede. In die omstandigheden een hulp toekennen voor de rechtsplegingsvergoeding zou indruisen tegen de filosofie van de wet van 1 augustus 1985.

Gelet op het subsidiariteitsbeginsel, dat vervat ligt in artikel 31bis, § 1, 5° van voormelde wet, dient de Commissie bij de toekenning van een hulpbedrag tevens rekening te houden met de door de verzoeker genoten verzekeringstussenkomst (in casu euro 6.200). Er is geen beletsel om deze verzekeringstussenkomst grotendeels toe te rekenen op de schadeposten die, zoals hierboven vermeld, niet in aanmerking komen voor een financiële hulp.

Rekening houdende enerzijds met de ernst van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten, meent de Commissie aan verzoeker in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op euro 8.225.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 8.225.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 21 mei 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Vrije woorden

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 11 januari 2012 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.