- Beslissing van 26 juli 2012

26/07/2012 - M10-7-1341/7834

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Beslissing - Integrale tekst

(...)

I. Feiten

Uit de stukken blijkt dat Willem, de zoon van verzoeker, in de nacht van 8 op 9 februari 2005 om het leven werd gebracht met talrijke slagen van vuist en voetzolen, hem toegediend op drie verschillende plaatsen in een winkelstraat te .... (Volgens verzoeker ging het om een daad van "zinloos geweld").

In het arrest dd. 9 juni 2010 van het Hof van Assisen is sprake van een doodsstrijd van betrekkelijk lange duur.

Omdat zijn aangezicht onherkenbaar was door de verwondingen, konden zijn ouders hem niet meer groeten.

II. Vervolging

II-1. Bij arrest dd. 9 juni 2010 van het Hof van Assisen van de Provincie ... werd de genaamde Raphaël Z. veroordeeld tot 25 jaar opsluiting wegens opzettelijke doodslag (en diefstal van sleutels, GSM, euro 2,30 en tabak) ten nadele van Willem X..

II-2. Bij arrest van het Hof van Assisen van zelfde datum, maar uitspraak doende over de burgerlijke belangen, werd Z. veroordeeld om volgende bedragen te betalen aan verzoeker en zijn echtgenote:

- euro 20.500,00 (moreel-materieel vermengd) aan elk, meer de intresten;

- euro 500 rechtsplegingsvergoeding aan elk.

In het arrest werd erop gewezen dat het slachtoffer zeer dicht stond bij zijn ouders en dat dit nog meer het geval was sinds het overlijden van zijn zuster.

II-3. Het cassatieberoep door de veroordeelde tegen beide arresten werd verworpen bij arrest dd. ../../2010 van het Hof van Cassatie.

III. Medische en/of psychische gevolgen

Bij de neerlegging van het verzoekschrift verstrekte de raadsman van verzoeker bijkomende informatie:

" Cliënten hadden 4 kinderen en 3 van die kinderen zijn in pijnlijke omstandigheden overleden: hun jongste zoon is overleden ten gevolge van inname van een overdosis drugs. Hun oudste dochter is overleden in Amerika door een agressieve kanker en hun oudste zoon Willem werd brutaal dood getrapt door Z. Raphaël (zinloos geweld).

In de drie tragische gevallen hebben ze geen afscheid kunnen nemen van hun kinderen.

Hun overblijvende dochter heeft het psychisch zeer moeilijk omdat haar broers en zus, met wie zij een zeer nauwe band had, overleden zijn.

Om redenen die volkomen vreemd zijn aan mijn cliënten heeft het proces zeer lang aangesleept. In februari e.k. is het zes jaar geleden dat Willem slachtoffer is geweest van zinloos geweld. Pas recent werd de strafprocedure voor de correctionele rechtbank (tegen 3 jongeren die aanwezig waren bij de feiten maar niet hebben ingegrepen) afgerond.

Mijn cliënten hebben een respectabele leeftijd en zijn natuurlijk geknakt door het gebeuren. Zij hebben het niet breed (mijnheer is gepensioneerd beroepsmilitair en mevrouw heeft altijd thuis gewerkt en ze hebben medische kosten).

Met de morele schade hopen zij wat extra warmte te kunnen bieden aan hun overblijvende dochter en hun kleinzoon (zoon van Willem) met wie zij nog veel contact hebben. "

IV. Begroting van de schade door verzoeker

Verzoeker vraagt een hulpbedrag van euro 21.000,00 conform het assisenarrest dd. 9 juni 2010, samengesteld als volgt:

- morele schade euro 20.000,00

- materiële kosten euro 500,00

- RPV euro 500,00

V. Financiële middelen en schadeloosstelling

V-1. Veroordeelde Z. heeft reeds de helft van zijn leven in gevangenissen doorgebracht en is compleet insolvabel. Zijn (gescheiden) ouders bezitten geen eigendommen. De veroordeelde zou bovendien ernstig ziek zijn.

V-2. Op 26 maart 2012 ging rechtsbijstandverzekeraar Providis over tot uitkering van een tussenkomst van euro 6.200, te verdelen tussen verzoeker en zijn echtgenote.

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen aan "erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad van een persoon die overleden is als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad of personen die in duurzaam gezinsverband samenleefden met de

overledene" (art. 31, 2°, W. 1.08.1985) voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 2, met name:

1° de morele schade;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten;

3° het verlies aan levensonderhoud voor personen die op het ogenblik van de gewelddaad ten laste waren van het slachtoffer;

4° de begrafeniskosten;

5° de procedurekosten;

6° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren.

‘Materiële kosten' zijn niet opgenomen in deze lijst en komen bijgevolg niet in aanmerking voor een financiële hulp vanwege de Commissie.

Verzoeker vraagt een rechtsplegingsvergoeding van euro 500. Er wordt vastgesteld dat hij over een rechtsbijstandverzekering beschikt.

Welnu, indien een advocaat tussenkomt voor een slachtoffer, voor wie hij zich burgerlijke partij stelde voor de correctionele rechtbank, in opdracht en op kosten van een verzekeringsmaatschappij dan komt de rechtsplegingsvergoeding, indien deze betaald zou worden, toe aan de maatschappij, die ook de ereloonstaat van de advocaat ten laste neemt (zoals trouwens bevestigd door Providis bij brief van 27/01/2010). Kortom, het bedrag dat voor de rechtsplegingsvergoeding betaald wordt, komt nooit het slachtoffer ten goede (hetgeen niet kadert binnen de filosofie van de wet van 1 augustus 1985).

Gelet op het subsidiariteitsbeginsel, dat vervat ligt in artikel 31bis, § 1, 5° van voormelde wet, dient de Commissie bij de toekenning van de hulpbedragen tevens rekening te houden met de tussenkomst van de verzekeraar.

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Het voorgaande impliceert dat de Commissie voor bepaalde schadeposten andere tarieven kan (mag) hanteren dan die waarvan de correctionele rechter zich bedient. Hierdoor kan de door de Commissie toegekende hulp in meerdere of mindere mate afwijken van de in gemeenrecht toegewezen schadevergoeding. Zo baseert de Commissie zich onder meer bij het toekennen van een hulpbedrag voor de schadepost ‘morele schade' op haar rechtspraak in gelijkaardige dossiers.

Rekening houdende enerzijds met de ernst en de zware psychische impact van de feiten op verzoeker en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten, meent de Commissie aan verzoeker in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op ex aequo et bono euro 10.000.

In deze context wenst de Commissie nog te benadrukken dat, naar haar oordeel, moreel leed, zoals pijn of smart, niet louter door een geldelijke tegemoetkoming kan gelenigd worden. Hooguit is de financiële hulp een erkenning van dit leed, een vorm van troost, een middel om het leed draaglijker te maken. Dienvolgens kan het toegekende bedrag slechts een abstracte begroting zijn.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 10.000.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 26 juli 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Vrije woorden

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 6 december 2010 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.