- Beslissing van 26 juli 2012

26/07/2012 - M12-1-0228/8797

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Beslissing - Integrale tekst

(...)

I. Feiten

Verzoeker bestuurde op 26 december 2006 zijn voertuig en poogde een voorligger, die zeer onregelmatig reed, voorbij te steken. De voorligger verhinderde dit door sneller te gaan rijden.

Toen beide voertuigen aan een kruispunt dienden te stoppen, stapte de bestuurder van het voorliggend voertuig uit. De man trok verzoeker uit zijn wagen en sloeg hem in elkaar.

Verzoeker liep hierbij diverse verwondingen op.

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 20 november 2007 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd de genaamde Patrick Z. (° 1971) veroordeeld tot 6 maanden hoofdgevangenisstraf voor de volgende bewezen geachte tenlastelegging:

" Te ..., op 23 december 2006

Opzettelijke verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan X. Jean, de slagen of verwondingen hebbende een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge gehad. "

Op burgerlijk vlak werd Z. bij zelfde vonnis veroordeeld tot betaling aan verzoeker de hoofdsom van euro 8.433,31 meer de intresten.

III. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 8.433,31 conform het vonnis van 20/11/2007:

- administratie en verplaatsingskosten euro 108,25

- kledijschade euro 30,00

- medische kosten euro 147,56

- TWO moreel euro 762,50

- esthetische schade euro 500,00

- inkomstenverlies euro 6.885,00

IV. Beoordeling door de Commissie

Artikel 31bis, § 1, 4°, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen luidt als volgt:

" 4° Indien de dader bekend is, moet de verzoeker schadevergoeding nastreven door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank.

Het verzoek kan slechts worden ingediend, naargelang het geval, na een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering of na een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de burgerlijke rechtbank over de toerekening van of over de vergoeding van de schade.

Het verzoek is binnen drie jaar ingediend.

De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de dag waarop er definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing door een onderzoeks- of vonnisgerecht, de dag waarop een strafrechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak heeft gedaan over de burgerlijke belangen na de beslissing over de strafvordering,

of de dag waarop uitspraak is gedaan door een burgerlijke rechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de toerekening van of over de vergoeding van de schade. "

In het voorliggend dossier dateert het vonnis van de correctionele rechtbank te ... van 20 november 2007. Het verzoekschrift is evenwel pas op 6 maart 2012 bij de Commissie ingediend, d.i. méér dan drie jaar na het vonnis. Aldus moet vastgesteld worden dat het verzoek laattijdig ingediend werd.

Het hierboven geciteerd wetsartikel is duidelijk: voor de beoordeling van het al of niet tijdig indienen van de hulpverzoeken bij de Commissie dient men uit te gaan van de datum van de desbetreffende uitspraak, niet de dag waarop de betrokken beslissing in kracht van gewijsde is getreden (Arrest Raad van State, nr. 3714 van 6 januari 2009 inzake G/A 190.722).

Dit ontvankelijkheidsprobleem werd zowel opgemerkt in de ontvangstmelding dd. 13 maart 2012 aan de (raadsman van) verzoeker als in het verslag van de verslaggever. (De raadsman van) verzoeker heeft hierop niet gereageerd. De Minister van Justitie adviseert om het verzoek af te wijzen als niet ontvankelijk.

Aangezien in het verslag van de verslaggever reeds opgemerkt werd dat het verzoek kennelijk onontvankelijk is, doet, overeenkomstig artikel 30, § 3, tweede lid, van de wet en artikel 16bis van het K.B. van 18 december 1986, de voorzitter van de kamer als enig lid uitspraak over de onontvankelijkheid.

De Commissie wenst evenwel te beklemtonen dat de afwijzing van voorliggend verzoekschrift evident geen afbreuk doet aan het leed van verzoeker, waarvoor de Commissie alle begrip betoont. Als administratief rechtscollege heeft de Commissie zich evenwel te houden aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die haar werking regelen.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De voorzitter,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek onontvankelijk.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 26 juli 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Vrije woorden

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 6 maart 2012, waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.