- Beslissing van 2 oktober 2012

02/10/2012 - M12-1-0306/8843

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Beslissing - Integrale tekst

(...)

I. Feiten

Verzoeker werd op 4 augustus 2009 in zijn hoedanigheid van veiligheidsagent geconfronteerd met een ontvluchting van verschillende gedetineerden uit het Justitiepaleis te ... . Twee van hen slaagden erin weg te lopen en kwamen gemaskerd en gewapend een zitting in één van de audiëntiezalen binnengestormd en bedreigden met pistolen de voorzitter van de rechtbank, de aanwezige magistraten, het administratief personeel en de leden van het veiligheidskorps. Daarbij uitten ze doodsbedreigingen.

Nadien slaagden de twee erin om, samen met drie andere kompanen, het justitiepaleis te ontvluchten.

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 3 maart 2011 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd onder meer de volgende tenlastelegging bewezen geacht in hoofde van de genaamde Oussama Z. (° 1981), Youssef W. (° 1982) en Abdelhalim V. (° 1982) en waarvoor zij veroordeelden werden tot respectievelijk 5, 4 en 4 jaar gevangenisstraf:

(vertaald uit de Franse taal)

"In het gerechtelijk arrondissement ... op 4 augustus 2009:

Zonder een bevel van het gestelde gezag en buiten de gevallen waarbij de wet de aanhouding of de gevangenhouding van bijzondere personen toelaat of voorschrijft, iemand te hebben aangehouden of doen aanhouden, gevangen houden, met de omstandigheid dat deze personen met de dood werden bedreigd, met name:

[...]

- X. Kris, veiligheidsassistent,

[...] "

Op burgerlijk vlak werden Z., W. en V. bij zelfde vonnis solidair veroordeeld tot betaling aan verzoeker de hoofdsom van euro 2.500 voor morele schade, meer de intresten en een RPV van euro 400.

Dit vonnis bekwam kracht van gewijsde (attest griffie) t.a.v. de drie veroordeelden en verzoeker.

Er werd verzet en hoger beroep aangetekend maar door andere veroordeelden dan de bovenstaanden en in andere zaken.

III. Gevolgen van de feiten

Voor de correctionele rechtbank legde verzoeker een attest neer waaruit een posttraumatische stressstoornis blijkt (niet gevoegd bij voorliggend dossier).

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. "Mijn cliënt heeft stappen ondernomen teneinde het bedrag te recupereren bij de daders. Zo werden de raadslieden van de daders aangeschreven met het verzoek tot betaling. De raadsman

van de heer W. meldde dat ze geen instructies meer heeft en dat de heer W. in de gevangenis van Nijvel verblijft. De raadsman van V. Abdelhalim meldde dat haar cliënt in de gevangenis zit, geen inkomsten heeft en aldus het verschuldigde bedrag niet kan betalen. De raadsman van de heer Z. Oussama huldigt zich in stilzwijgen.

Mijn cliënt heeft een sterk vermoeden dat de 3 daders momenteel in de gevangenis verblijven en een lange gevangenisstraf uitzitten voor meerdere feiten.

Na navraag bij de gerechtsdeurwaarder over een solvabiliteitsonderzoek voor de 3 daders, dient mijn cliënt vast te stellen dat de kosten van dergelijk onderzoek zeer hoog kunnen oplopen en dat deze kosten alleszins niet in verhouding staan tot het te recupereren bedrag.

Mijn cliënt ziet dan ook geen enkele mogelijkheid meer om bijkomende bewijzen betreffende de insolvabiliteit van de 3 daders. "

PS: volgens commissiedossier M 10-5-0123 zou Z. voortvluchtig zijn.

IV-2. Verzoeker verklaart op geen enkele verzekeringstussenkomst te kunnen beroep doen. Hij heeft enkel een hospitalisatieverzekering afgesloten.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 2.500 voor morele schade én een RPV van euro 400.

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Het voorgaande impliceert dat de Commissie voor bepaalde schadeposten andere tarieven kan (mag) hanteren dan die waarvan de correctionele rechter zich bedient. Hierdoor kan de door de Commissie toegekende hulp in meerdere of mindere mate afwijken van de in gemeenrecht toegewezen schadevergoeding. Zo baseert de Commissie zich onder meer bij het toekennen van een hulpbedrag voor de schadepost ‘morele schade' op haar rechtspraak in gelijkaardige dossiers: personen die een beroep uitoefenen waarbij een mogelijke kans om geconfronteerd worden met geweld inherent is en waarbij een zekere weerbaarheid mag verwacht worden, tevens rekening houdend met de relatief beperkte gevolgen ervan (geen blijvende ongeschiktheid).

Rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak, zoals hierboven geschetst, meent de Commissie aan verzoeker in billijkheid een globale hulp te kunnen toekennen begroot op ex aequo et bono euro 750.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 750.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 2 oktober 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Vrije woorden

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 27 maart 2012 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.