- Beslissing van 9 oktober 2012

09/10/2012 - M10-7-1420/7875

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Beslissing - Integrale tekst

(...)

I. Feiten

De feiten deden zich voor te ... op 14 maart 2005. Verzoekster was toen 15 jaar oud. Zij vat hetgeen haar overkwam samen als volgt:

" Toen ik in de tunnel liep van het station werd ik langs achter vastgegrepen door een man die mijn hoofd naar beneden duwde om hem te pijpen.

Toen ik mij verzette sloeg hij mij met mijn hoofd tegen de muur. "

Vonnis 30/06/2005, f° 6: "Tegenover Tineke V. en Raisa X. diende beklaagde, ingevolge het hevige verzet van deze meisjes, zijn perverse handelingen te staken. "

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 30 juni 2005 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd onder meer (lange rist slachtoffers van soortgelijke feiten) de volgende tenlastelegging bewezen geacht in hoofde van de genaamde Martino Z. (° 1971), die zich in staat van wettelijke herhaling bevond en waarvoor deze veroordeeld werd tot 7 jaar gevangenisstraf:

"Te ... op 14 maart 2005:

G. Aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd te hebben op de persoon van een minderjarige, geen volle zestien jaar oud op het ogenblik van de feiten, namelijk op de persoon van X. Raisa, geboren op ../../1991, de aanranding bestaande van zodra er een begin van uitvoering is. "

Op burgerlijk vlak werd Z. bij zelfde vonnis veroordeeld tot betaling aan de gescheiden ouders van verzoekster, elkeen optredend q.q. in hun hoedanigheid van wettelijk beheerder over de persoon en goederen van hun minderjarige dochter, de hoofdsom van euro 4.000 voor morele schade, verdeeld als volgt:

- de heer X. q.q. verzoekster euro 1.500

- mevrouw Y. q.q. verzoekster euro 2.500

(aangezien verzoekster bij haar moeder woonde)

Zowel Z. als het Openbaar Ministerie tekenden hoger beroep aan tegen de strafrechtelijke beschikkingen van het vonnis.

Bij eindarrest dd. 31 januari 2006 van het Hof van Beroep te ... werd de gevangenisstraf verhoogd tot 10 jaar.

Op burgerlijk gebied werd geen hoger beroep aangetekend.

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

III-1. Uit de dossiers die andere slachtoffers van Z. bij de Commissie indienden, blijkt duidelijk dat bij de man niets te rapen valt. Hij is nog steeds gedetineerd en geniet geen inkomsten. Zijn adres is hetzelfde als dat van zijn ouders alwaar hij niets op eigen naam bezit.

III-2. De familiale verzekeraar van de moeder van verzoekster betaalde de vergoeding van euro 2.500 uit die haar toegewezen was qualitate qua.

Volgens verklaring van zijn raadsman heeft de gescheiden wonende vader van verzoekster nooit getracht de resterende vergoeding in te vorderen.

Verzoekster heeft pas na haar meerderjarigheid een eigen familiale verzekering afgesloten die om evidente redenen geen tussenkomst verleent.

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een hulp van euro 2.015,83, bestaande uit euro 1.500 voor morele schade (het resterend nog onvergolden deel van de civielrechtelijk toegewezen hoofdsom) meer de intresten.

V. Beoordeling door de Commissie

V-1. Inzake de ontvankelijkheid

Zoals reeds opgemerkt in het verslag van 21 februari 2012 stelt zich in het voorliggend dossier een ontvankelijkheidsprobleem.

Artikel 31bis, § 1, 4° van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, zoals in voege op datum van indiening van het verzoekschrift, luidt als volgt:

"4° Indien de dader bekend is, moet de verzoeker schadevergoeding nastreven door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank.

Het verzoek kan slechts worden ingediend, naargelang het geval, na een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering of na een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de burgerlijke rechtbank over de toerekening van of over de vergoeding van de schade.

Het verzoek is binnen drie jaar ingediend.

De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de dag waarop er definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing door een onderzoeks- of vonnisgerecht, de dag waarop een strafrechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak heeft gedaan over de burgerlijke belangen na de beslissing over de strafvordering, of de dag waarop uitspraak is gedaan door een burgerlijke rechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de toerekening van of over de vergoeding van de schade. "

In het voorliggend dossier dateert het arrest van het Hof van Beroep te ... van 31 januari 2006. Het verzoekschrift werd evenwel pas op 31 december 2010 bij de Commissie ingediend, d.i. méér dan drie jaar na het arrest.

Verzoekster, geboren op ../../1991, was op het ogenblik van het verstrijken van de driejarige vervaltermijn, nl. op 31 januari 2009, nog steeds minderjarig en derhalve de jure handelingsonbekwaam om zelf rechtsgeldig een verzoekschrift in te dienen. Dit kon zij pas vanaf

haar meerderjarigheid, te weten 3 oktober 2009.

Wat voordien al dan niet is gebeurd, lag buiten haar kunnen.

Verzoekster heeft haar verzoek ingediend binnen de drie jaar te rekenen vanaf haar meerderjarigheid. In die omstandigheden aanvaardt de Commissie overmacht en verklaart het verzoek ontvankelijk.

V-2. Ten gronde

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade:

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

‘Intresten' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor een financiële hulp. Het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt is hier niet van toepassing; immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. De zienswijze van de Commissie ten aanzien van de intresten werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

Gelet op het subsidiariteitsbeginsel, dat vervat ligt in artikel 31bis, § 1, 5° van voormelde wet, dient de Commissie bij de toekenning van het hulpbedrag rekening te houden met de door de verzoekster genoten verzekeringstussenkomst.

De familiale verzekeraar van de moeder van verzoekster betaalde de vergoeding van euro 2.500 uit die haar toegewezen was qualitate qua.

Op rechtszitting dd. 21 juni 2012 verklaarde verzoekster dat haar moeder deze som aan haar doorgestort heeft.

Rekening houdende enerzijds met de ernst van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten, meent de Commissie aan verzoekster in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op euro 1.500.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoekster een hulp toe van euro 1.500.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 9 oktober 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Vrije woorden

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 31 december 2010 waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.