- Arrest van 12 mei 2011

12/05/2011 - 70/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 215, § 2, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J. Spreutels en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 27 mei 2010 in zake G.R. en L.R. tegen M.R. en W.L., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 31 mei 2010, heeft de Vrederechter van het kanton Veurne-Nieuwpoort de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 215, § 2, B.W. de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet in die zin geïnterpreteerd dat

- in geval beide echtgenoten een woninghuurovereenkomst ondertekend hebben, beide echtgenoten, en dus ook de echtgenoot die de gezinswoning vrijwillig verlaat of moet verlaten, na echtscheiding gehouden blijven om de verplichtingen van de woninghuurovereenkomst ten overstaan van de verhuurder na te leven;

- in geval slechts één van de echtgenoten de woninghuurovereenkomst ondertekend heeft, de echtgenoot die de woninghuurovereenkomst niet ondertekend heeft en die wettelijke mede-huurder werd overeenkomstig artikel 215, § 2, B.W., na echtscheiding geen verplichtingen meer heeft ten overstaan van de verhuurder, wanneer hij de gezinswoning verlaat of moet verlaten ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 215, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 1 van de wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels en gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 20 februari 1991 houdende wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake huishuur, bepaalt :

« Het recht op de huur van het onroerend goed dat een der echtgenoten gehuurd heeft, zelfs voor het huwelijk, en dat het gezin geheel of gedeeltelijk tot voornaamste woning dient, behoort aan beide echtgenoten gezamenlijk, niettegenstaande enige hiermede strijdige overeenkomst.

De opzeggingen, kennisgevingen en exploten betreffende die huur moeten gezonden of betekend worden aan elk der echtgenoten afzonderlijk of uitgaan van beide echtgenoten gezamenlijk. Elk van de echtgenoten kan evenwel de nietigheid van deze documenten, die aan de andere echtgenoot worden toegezonden of van deze laatste uitgaan, slechts inroepen indien de verhuurder kennis heeft van hun huwelijk.

Elk geschil tussen de echtgenoten omtrent de uitoefening van dat recht wordt beslist door de vrederechter.

De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op handelshuurovereenkomsten, noch op pachtcontracten ».

B.2. De verwijzende rechter vraagt of die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, doordat, wanneer beide echtgenoten een woninghuurovereenkomst hebben gesloten, de echtgenoot die de gezinswoning vrijwillig verlaat of moet verlaten, na de echtscheiding de uit die overeenkomst voortvloeiende verbintenissen ten aanzien van de verhuurder dient na te leven, terwijl, wanneer slechts één van de echtgenoten een dergelijke overeenkomst heeft gesloten, de andere echtgenoot die de gezinswoning verlaat of moet verlaten, ofschoon hij op grond van de in het geding zijnde bepaling wettelijke medehuurder was, na de echtscheiding geen verbintenissen meer heeft ten aanzien van de verhuurder.

B.3.1. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever met artikel 215 van het Burgerlijk Wetboek « de omvang [wou bepalen] van de beperkingen die het huwelijk stelt aan het recht van vrije beschikking van de echtgenoten over hun goederen » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1974, nr. 683/2, bijlage, p. 20). De wetgever beoogde meer bepaald « de gezinswoning te beschermen, door niet toe te staan dat een der echtgenoten op eigen gezag de andere echtgenoot en de kinderen op straat zou kunnen zetten » (ibid., p. 21).

B.3.2. Wat de gehuurde gezinswoning betreft, vermeldt de parlementaire voorbereiding :

« De Subcommissie is per slot van oordeel dat de beste oplossing gelegen is in het scheppen van een wettelijk vermoeden dat de huur, door een der echtgenoten afgesloten, aan beiden behoort; in feite is de betaling van de huur een schuld van de huishouding, waarvan de last ook door beide echtgenoten moet worden gedragen » (ibid., p. 22).

B.3.3. De wetgever heeft bijgevolg de gehuurde gezinswoning willen beschermen door middel van een wettelijk vermoeden, inhoudende dat het recht op de huur aan beide echtgenoten toebehoort, ook al heeft slechts een van hen de huurovereenkomst gesloten. Dat vermoeden, dat primeert boven de juridische verhoudingen bepaald door de huurovereenkomst, kan volgens de parlementaire voorbereiding niet los worden gezien van het feit dat de betaling van de huur « een schuld van de huishouding [is], waarvan de last ook door beide echtgenoten moet worden gedragen ».

Artikel 222 van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen door de voormelde wet van 14 juli 1976, bepaalt daaromtrent :

« Iedere schuld die door een der echtgenoten wordt aangegaan ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen, verbindt de andere echtgenoot hoofdelijk.

Deze is echter niet aansprakelijk voor schulden die, gelet op de bestaansmiddelen van het gezin, buitensporig zijn ».

B.4.1. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd de vraag gesteld of in artikel 215 van het Burgerlijk Wetboek al dan niet een bepaling diende te worden opgenomen over het lot van de huur bij echtscheiding of bij scheiding van tafel en bed. Daarop werd geantwoord :

« De Subcommissie meent dat de toekenning van het recht op de huur, hetzij voorlopig gedurende het geding, hetzij voorgoed na het vonnis, thuishoort in het kader van de voorlopige maatregelen die volgens artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek genomen kunnen worden door de voorzitter van de rechtbank, of deel uitmaakt van de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel.

Het heeft dus geen nut daar iets over te zeggen in dit ontwerp. Daarentegen is het wel noodzakelijk te voorzien in de procedure die moet worden gevolgd in geval van geschil tussen de echtgenoten omtrent de uitoefening van hun gemeenschappelijk recht op de huur » (ibid., p. 36).

Met betrekking tot een feitelijke scheiding vermeldt de parlementaire voorbereiding :

« Een ander lid stelt de vraag of de bescherming van de gezinswoning blijft gelden wanneer er geen gezin meer is, bv. in geval van feitelijke scheiding. Daarop wordt geantwoord dat in zulk geval vooreerst toepassing kan gemaakt worden van het nieuwe artikel 223.

Na het scherper stellen van de vraag, nl. of er nog een gezinswoning is wanneer bv. één van de echtgenoten er uit trekt, is de Commissie van oordeel dat in dat geval de gezinswoning tot nader order blijft bestaan.

Anders zou een echtgenoot van de feitelijke scheiding gebruik kunnen maken om de gezinswoning te vervreemden.

Veelal zal na verloop van tijd hetzij een regeling worden getroffen op grond van artikel 223 B.W. (waarbij dan b.v. een verbod van vervreemding kan worden opgelegd), hetzij een vordering tot scheiding worden ingesteld » (Parl. St., Kamer, 1975-1976, nr. 869/3, p. 7).

B.4.2. Vermits artikel 215 van het Burgerlijk Wetboek dient te worden beschouwd, zoals blijkt uit de in B.3.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding, als een beperking die « het huwelijk » stelt aan het recht op vrije beschikking van de echtgenoten, geldt het in paragraaf 2 van dat artikel vervatte vermoeden in beginsel zolang het huwelijk duurt. Uit de in B.4.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt, enerzijds, dat de bescherming van de voornaamste gezinswoning in beginsel ook geldt bij een feitelijke scheiding, en anderzijds, dat de wetgever met die bepaling op geen enkele wijze de rechtstoestand van de echtgenoten na het huwelijk heeft willen regelen.

B.5. De bewoordingen van de in het geding zijnde bepaling, alsmede de parlementaire voorbereiding, doen ook ervan blijken dat de wetgever met die bepaling enkel « het recht op de huur » van de voornaamste gezinswoning tijdens de duur van het huwelijk heeft willen regelen en bijgevolg niet de huurverbintenissen die na de ontbinding van het huwelijk op de uit de echt gescheiden echtgenoten rusten, naargelang de huurovereenkomst werd gesloten met een van beide of met beide uit de echt gescheiden echtgenoten.

B.6. Het in de prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling heeft betrekking op de huurverbintenissen van de uit de echt gescheiden echtgenoten, en is bijgevolg vreemd aan artikel 215, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, in de in B.5 vermelde interpretatie, zodat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft.

B.7.1. Indien de in het geding zijnde bepaling niettemin wordt geïnterpreteerd in die zin dat zij ook de verbintenissen van de echtgenoten regelt, wordt het in de prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling redelijkerwijze verantwoord door de wezenlijk verschillende juridische situatie waarin beide - in de prejudiciële vraag bedoelde - categorieën zich bevinden.

Wanneer beide echtgenoten een huurovereenkomst ondertekenen, blijft elk van hen na de echtscheiding door die overeenkomst gebonden zolang ze niet overeenkomstig de ter zake geldende regels wordt beëindigd. De echtgenoot die de gezinswoning vrijwillig verlaat of moet verlaten, is dus ertoe gehouden de verplichtingen van de woninghuurovereenkomst ten opzichte van de verhuurder na te leven, zolang hij zich ten opzichte van die laatste niet van die verplichtingen heeft bevrijd.

Wanneer een huurovereenkomst slechts door een van de echtgenoten is ondertekend, wordt de andere echtgenoot op grond van de in het geding zijnde bepaling wettelijke medehuurder, zij het slechts tijdens de duur van het huwelijk en zolang de desbetreffende woning kan worden gekwalificeerd als « voornaamste gezinswoning ». De echtgenoot die de huurovereenkomst niet heeft ondertekend, verliest na de echtscheiding het statuut van wettelijke medehuurder, maar dit betekent niet dat hij niet meer zou kunnen worden aangesproken om zijn huurverbintenissen betreffende de gezinswoning na te komen, zij het slechts in zoverre het gaat om verbintenissen die verband houden met de periode waarin de echtgenoten waren gehuwd en waarin die woning kon worden gekwalificeerd als « voornaamste gezinswoning ».

B.7.2. Noch uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag, noch uit de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid in welke zin de in het geding zijnde bepaling onbestaanbaar zou zijn met artikel 23 van de Grondwet. In zoverre de verwijzende rechter het in artikel 23, derde lid, 3°, van de Grondwet gewaarborgde recht op behoorlijke huisvesting zou hebben beoogd, doet de in het geding zijnde bepaling, in de in B.7.1 aangehaalde interpretatie ervan, op geen enkele wijze afbreuk aan dat recht.

B.8. In de in B.7.1 aangehaalde interpretatie van de in het geding zijnde bepaling, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 215, § 2, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 12 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 215, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Vrederechter van het kanton Veurne-Nieuwpoort. Burgerlijk recht

  • Verbintenissenrecht

  • Huurovereenkomsten

  • Woninghuurovereenkomst

  • 1. Voornaamste gezinswoning

  • 2. Door een der echtgenoten gesloten huurovereenkomst

  • Wettelijk vermoeden dat het recht op de huur aan beide echtgenoten toebehoort tijdens de duur van het huwelijk. # Rechten en vrijheden

  • Recht op een behoorlijke huisvesting.