- Arrest van 13 januari 2011

13/01/2011 - 4/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

- vernietigt artikel 79/17, § 1, tweede lid, 3°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, zoals ingevoegd bij artikel 25 van het decreet van 18 maart 2010;

- handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling totdat de decreetgever nieuwe bepalingen aanneemt en dit uiterlijk tot 31 december 2011;

- onder voorbehoud van de in B.9.5 vermelde interpretatie, verwerpt de beroepen voor het overige.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter M. Melchior,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 9 juli 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 juli 2010, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 maart 2010 « tot wijziging van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, op het gebied van de inschrijvingen in het eerste jaar van het secundair onderwijs » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 april 2010) door de gemeente Villers-la-Ville, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, en door de hierna volgende personen, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van hun minderjarig(e) kind(eren) : Christian Carpentier en Véronique Brienne, wonende te 1495 Villers-la-Ville, rue Ernest Deltenre 91, Benoît Schaeck en Catherine Van Thielen, wonende te 1495 Villers-la-Ville, rue de la Croix 11, Axel Frennet, wonende te 1495 Villers-la-Ville, rue de la Croix 21, Annabelle Daussaint, wonende te 6223 Wagnelée, rue des Ecoles 11, Jacques Mayolle en Isabelle Niespodziany, wonende te 1495 Villers-la-Ville, rue de la Gare 33, Robert Rotseleur en Martine Callewaert, wonende te 7140 Morlanwelz, résidence du Pachy 55, Philippe Goeffoet en Martine Van Haudenhove, wonende te 1495 Villers-la-Ville, Chemin Depas 13, Bernard Bonjean en Marie-Lise Dive, wonende te 1495 Villers-la-Ville, rue de Dreumont 19, Jean-Michel Hendrick en Marie-France Detheux, wonende te 1495 Villers-la-Ville, rue de Suisse 16, Philippe Staes en Nathalie Poulet, wonende te 1495 Villers-la-Ville, rue de Suisse 10, Christophe Faelens en Rachida Zaoudi, wonende te 1800 Vilvoorde, Nijverheidstraat 103, Didier Pansaers en Caroline Hubrecht, wonende te 1780 Wemmel, Van Elewijckstraat 104, Thierry Fouat en Carine Galant, wonende te 1120 Brussel, Oorlogskruisenlaan 369, Jorge Carvalho en Manuela Marques, wonende te 1780 Wemmel, Nerviërslaan 78, Marie-Noëlle De Vos, wonende te 1140 Brussel, Haachtsesteenweg 1050, Joëlle Pierrard, wonende te 1932 Sint-Stevens-Woluwe, Kasteelgaarde 14, Alain Pirnay en Ariane Van der Elst, wonende te 1460 Itter, rue d'Hennuyères 13, Jean-Pol Chapelier en Martine Timsonet, wonende te 1180 Brussel, Eikenlaan 55, François de Voghel, wonende te 1050 Brussel, Maliestraat 19, en Nathalie Marchal, wonende te 1180 Brussel, Floridalaan 86, Eugène Jurado Moriana en Montserrat Moro Gonzales, wonende te 1080 Brussel, Levallois-Perretstraat 40, Murielle Motquin, wonende te 1080 Brussel, Alfred Duboisstraat 27, Christophe Godart, wonende te 1800 Vilvoorde, Romeinsesteenweg 268, en Montserrat Lopez Margolles, wonende te 1080 Brussel, Landmeterstraat 23, François Boon en Isabelle Gaudissart, wonende te 1332 Genval, avenue Gevaert 197, Werner Vergels en Rousseau, wonende te 1380 Lasne, route de l'Etat 58, Philippe Gerard en Virginie De Winde, wonende te 1332 Genval, Fontaine Fontenoy 2, Jacopo Giola en Isabelle Leloup,

wonende te 1410 Waterloo, avenue des Constellations 18, Candy Saulnier, wonende te 1030 Brussel, Koninklijke Sinte-Mariastraat 239, Sylvie Paumen, wonende te 1020 Brussel, Stevens-Delannoystraat 79, Miguel Marques Gomez en Maria Cristina Peten De Pina Prata, wonende te 1330 Rixensart, rue du Moulin 12, en Daniel Rahier en Fabienne Van Frachen, wonende te 1380 Lasne, rue du Printemps 96.

De vordering tot schorsing van hetzelfde decreet, ingesteld door dezelfde verzoekende partijen, is verworpen bij het arrest nr. 97/2010 van 29 juli 2010, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 oktober 2010.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 juli 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 juli 2010, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 79/17, § 1, tweede lid, 2°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, zoals dat artikel werd ingevoegd bij artikel 25 van voormeld decreet van 18 maart 2010, door Annabelle Daussaint, wonende te 6223 Wagnelée, rue des Ecoles 11, Jacques Fils en Sylvie Druez, wonende te 1495 Tilly, rue de Strichon 58, Karina Cheron, wonende te 1495 Villers-la-Ville, drève du Tumulus 15, en Benoît Schaeck, wonende te 1495 Marbais, rue de la Croix 11.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5002 en 5010 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. De beroepen tot vernietiging zijn gericht tegen het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 maart 2010 « tot wijziging van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, op het gebied van de inschrijvingen in het eerste jaar van het secundair onderwijs ».

B.1.2. Dat decreet strekt ertoe de inschrijvingen te organiseren van de leerlingen in het eerste jaar van het secundair onderwijs, vanaf het schooljaar 2010-2011 en voor de volgende jaren. Het vervangt de bepalingen met hetzelfde onderwerp die in het decreet van 24 juli 1997 waren ingevoegd bij het decreet van 8 maart 2007 « houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs » en bij het decreet van 18 juli 2008 « tot regeling van de inschrijvingen van de leerlingen in de eerste graad van het secundair onderwijs en tot bevordering van de sociale gemengdheid binnen de schoolinrichtingen ». Tijdens de parlementaire voorbereiding heeft de minister van Leerplichtonderwijs van de Franse Gemeenschap het bestreden decreet als volgt voorgesteld :

« Op pragmatisch vlak stelt het objectieve regels vast om zo nodig een keuze uit de aanvragen te maken. Tot tweemaal toe zijn systemen uitgeprobeerd : het open register vanaf een bepaalde datum en de lottrekking als ultiem criterium. De wachtrijen naar aanleiding van het eerste systeem zijn op menselijk vlak onaanvaardbaar gebleken. De lottrekking, die in sommige opzichten nochtans billijk is, is door de publieke opinie niet goed onthaald : gezinnen hebben de indruk gehad dat het lot van hun kind(eren) afhing van een soort loterij waarop zij geen vat hadden. Vandaag [wordt voorgesteld] een ander systeem aan te nemen dat steunt op de berekening van een samengesteld indexcijfer met het oog op de rangschikking van de aanvragen en de daaruit te maken keuze volgens de beschikbare plaatsen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2009-2010, nr. 82/3, p. 4).

B.1.3. Het decreet regelt een inschrijvingsprocedure in het eerste jaar van het secundair onderwijs die gedeeltelijk wordt uitgevoerd door de inrichtingshoofden en de inrichtende machten, en voor het overige door de netoverschrijdende inschrijvingscommissie (« Commission Interréseaux des inscriptions », in het kort « CIRI »). Het behoudt in elke inrichting voor secundair onderwijs 20,4 pct. van de beschikbare plaatsen voor aan de zogeheten « ZSEI-leerlingen » (zwakke sociaaleconomische index), die afkomstig zijn van een minder begunstigde school of vestiging voor basis- of lager onderwijs in de zin van artikel 3, 4°, ervan. Het legt de voorrang vast die sommige leerlingen genieten vanwege hun familiale of persoonlijke situatie. Om een keuze te maken uit de inschrijvingsaanvragen ingediend in de onderwijsinstellingen die niet al die aanvragen kunnen aanvaarden omdat zij niet over voldoende plaatsen beschikken, wordt een rangschikking opgemaakt op basis van een « samengesteld indexcijfer » dat aan iedere leerling wordt toegekend. Dat indexcijfer wordt verkregen door de vermenigvuldiging van een basisindexcijfer dat overeenstemt met de door de ouders geuite voorkeuren, met enkele bij het decreet bepaalde factoren. Die factoren hangen onder andere af van de afstand tussen de woonplaats van de leerling en de lagere school of basisschool waar hij onderwijs volgde, de woonplaats van de leerling en de gekozen instelling voor secundair onderwijs, en de afstand tussen die laatste en de lagere school of basisschool waar de leerling onderwijs volgde. Het samengestelde indexcijfer wordt eveneens beïnvloed door de keuze om in het secundair onderwijs verder een taalbadonderwijs te volgen dat in de loop van het lager onderwijs was aangevat, alsook door de partnerschapsovereenkomsten die tussen inrichtingen voor lager en secundair onderwijs kunnen bestaan.

B.1.4. Hoewel de verzoekende partijen in de zaak nr. 5002 de vernietiging vorderen van de artikelen 1 tot 42 van het bestreden decreet, beogen de middelen slechts enkele van die bepalingen. Het Hof onderzoekt de bepalingen van het decreet ten aanzien waarvan vernietigingsmiddelen worden aangevoerd.

Ten aanzien van het belang

B.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

B.3.1. De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 5002 is de gemeente Villers-la-Ville. Zij treedt op als inrichtende macht van twee gemeentescholen. Zij voert aan dat het bestreden decreet tot gevolg heeft dat de leerlingen die in die inrichtingen onderwijs volgen, benadeeld worden bij hun inschrijving in het eerste jaar van het secundair onderwijs, zodat het, in de toekomst, de ouders ervan zou kunnen doen afzien hun kinderen in die scholen in te schrijven.

In tegenstelling tot wat de Franse Gemeenschapsregering aanvoert, doet het gegeven dat die verzoekende partij geen secundair onderwijs inricht, geen afbreuk aan haar belang om de vernietiging te vorderen van de door haar bestreden bepalingen. Die bepalingen regelen immers de mogelijkheden met betrekking tot de inschrijving in de eerste graad van het secundair onderwijs waarbij met name gebruik wordt gemaakt van een criterium om de inschrijvingsaanvragen te rangschikken volgens de ligging van de inrichting voor lager onderwijs van herkomst ten opzichte van de ligging van de gekozen inrichting voor secundair onderwijs. Indien dat criterium ongunstig blijkt voor sommige lagere scholen, zou het een rechtstreekse en ongunstige weerslag hebben op de aantrekkingskracht van die scholen en dus op termijn op hun leerlingenaantal.

B.3.2. De tweede tot de eenendertigste verzoekende partijen in de zaak nr. 5002 zijn ouders van leerlingen die zijn ingeschreven in een door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde basisschool, die handelen uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun kinderen die, op het ogenblik van de indiening van het beroep, onderwijs volgen in verschillende jaren van het lager onderwijs.

De situatie van die verzoekende partijen zou rechtstreeks en ongunstig kunnen worden geraakt door het bestreden decreet, dat de voorwaarden vaststelt voor de inschrijving van de leerlingen in de eerste cyclus van een door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde instelling voor secundair onderwijs.

B.3.3. Hetzelfde geldt voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 5010.

B.4. De beroepen zijn ontvankelijk.

Ten aanzien van de middelen

B.5. Het eerste tot het vijfde middel aangevoerd door de verzoekende partijen in de zaak nr. 5002 en de twee middelen aangevoerd in de zaak nr. 5010 hebben betrekking op de factoren voor de berekening van het samengestelde indexcijfer aan de hand waarvan de leerlingen kunnen worden gerangschikt met het oog op hun inschrijving in de inrichtingen voor secundair onderwijs waar het aantal inschrijvingsaanvragen groter is dan het aantal plaatsen dat zij kunnen aanbieden. Het tweede subonderdeel van het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 5002 bekritiseert daarnaast één van de criteria inzake de prioriteit bij de inschrijving. Het zesde middel in de zaak nr. 5002 betreft de wijze waarop een keuze wordt gemaakt uit de leerlingen met hetzelfde samengestelde indexcijfer, waarbij wordt uitgegaan van het sociaaleconomische indexcijfer van hun wijk van herkomst, en het zevende middel in die zaak heeft betrekking op het criterium van onderscheid van de zogeheten « ZSEI »-leerlingen (zwakke sociaaleconomische index).

Het Hof onderzoekt eerst dat laatste middel (B.6). Vervolgens onderzoekt het het deel van het middel met betrekking tot de prioriteit die het decreet aan sommige leerlingen verleent (B.7), de middelen in verband met de berekening van het samengestelde indexcijfer van de leerlingen (B.8 tot B.16), en het middel betreffende het maken van een keuze uit de leerlingen met hetzelfde sociaaleconomische indexcijfer (B.17).

Wat het « ZSEI »-criterium betreft (zevende middel in de zaak nr. 5002)

B.6.1. Het zevende middel in de zaak nr. 5002 is gericht tegen artikel 28 van het bestreden decreet, in zoverre het een artikel 79/19 invoegt in het decreet van 24 juli 1997. Die bepaling verplicht het inrichtingshoofd of de inrichtende macht, wanneer zij de plaatsen toekennen die zij moeten toekennen - de andere plaatsen worden immers toegekend door de « CIRI » -, ertoe 20,4 pct. van de erkende plaatsen, voor zover dat percentage kan worden bereikt, voor te behouden aan zogeheten « ZSEI »-leerlingen in de volgorde van hun rangschikking volgens het samengestelde indexcijfer en in geval van een ex aequo in opklimmende volgorde van het sociaaleconomische indexcijfer van hun wijk van herkomst. De overige plaatsen worden vervolgens toegekend aan de leerlingen die met toepassing van het nieuwe artikel 79/10 van het decreet van 24 juli 1997 een prioriteit genieten. Ten slotte worden de overblijvende plaatsen toegekend aan de niet-prioritaire leerlingen, al dan niet « ZSEI »-leerlingen, in de volgorde van hun rangschikking volgens het samengestelde indexcijfer en in geval van ex aequo in opklimmende volgorde van het sociaaleconomische indexcijfer van hun wijk van herkomst. Het met die maatregel nagestreefde doel past in een « algemeen plan voor de democratisering van de school », waarbij met name « een grotere sociale mobiliteit » wordt beoogd (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2009-2010, nr. 82/1, p. 3).

B.6.2. Uit de bewoordingen van het middel blijkt dat de verzoekende partijen niet het beginsel bekritiseren volgens hetwelk een percentage van de in elke inrichting beschikbare plaatsen wordt voorbehouden aan leerlingen met een zwak sociaaleconomisch indexcijfer. De grief heeft betrekking op het criterium dat het bestreden decreet hanteert om een onderscheid te maken tussen de zogeheten « ZSEI »-leerlingen en de andere leerlingen. Luidens het nieuwe artikel 79/1, 4°, van het decreet van 24 juli 1997 is een « ZSEI »-leerling een leerling die afkomstig is uit « een minder begunstigde school of vestiging voor basis- of lager onderwijs », namelijk « één van de vestigingen voor het basis- of lager onderwijs die, in de rangschikking van de vestigingen van het basis- of lager onderwijs, opgemaakt door de administratie met toepassing van artikel 4, vierde lid, van het decreet van 30 april 2009 houdende organisatie van een gedifferentieerde omkadering binnen de schoolinrichtingen van de Franse Gemeenschap om alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te bieden in een kwaliteitsvolle pedagogische omgeving, de minst begunstigde zijn en die samen 40 % van de leerlingen ontvangen ».

De verzoekende partijen zijn van mening dat het criterium van onderscheid tussen de zogeheten « ZSEI » -leerlingen, die in die hoedanigheid een prioriteit genieten bij de inschrijving ten belope van 20,4 pct. van de in elke inrichting beschikbare plaatsen, en de andere leerlingen, die geen « ZSEI »-leerlingen zijn, criterium dat niet afhangt van de persoonlijke situatie van de leerlingen maar van de situatie van hun inrichting voor lager onderwijs van herkomst, een discriminatie tot stand brengt die in strijd is met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet.

B.6.3. Met toepassing van artikel 4, vierde lid, van het voormelde decreet van 30 april 2009 worden de onderwijsvestigingen om de vijf jaar gerangschikt waarbij rekening wordt gehouden met een aan elke vestiging toegekend indexcijfer dat overeenstemt met het gemiddelde van de sociaaleconomische indexcijfers van de daarin ingeschreven leerlingen. Het indexcijfer van elke leerling wordt bepaald door het indexcijfer dat, met toepassing van artikel 3 van hetzelfde decreet, aan zijn verblijfplaats is toegekend door een interuniversitaire studie. Hieruit vloeit voort dat de rangschikking van de vestigingen voor lager onderwijs aan de hand waarvan kan worden bepaald of een leerling al dan niet een « ZSEI »-leerling is, afhankelijk is van het gemiddelde van de sociaaleconomische indexcijfers van de wijken van herkomst van alle leerlingen die in de vestiging onderwijs volgen.

B.6.4. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft zich afgevraagd of « sommige voorgestelde criteria adequaat zijn in het licht van » de door het decreet nagestreefde doelstellingen en heeft met name opgemerkt :

« Aldus zou een leerling met een hoog individueel indexcijfer die evenwel afkomstig is uit een basis- of lagere school die beantwoordt aan het aldus vermelde, collectief bepaalde criterium, worden beschouwd als een 'ZSEI-leerling', terwijl een leerling met een laag indexcijfer die evenwel afkomstig is uit een basis- of lagere school die niet aan dat criterium voldoet, die kwalificatie niet zou hebben, waarbij de eerstgenoemde bijgevolg, in tegenstelling tot de laatstgenoemde, de regel van de prioriteit zou genieten. Omgekeerd zou een leerling met een laag indexcijfer die evenwel afkomstig is uit een basis- of lagere school die niet aan het voorgestelde criterium beantwoordt, de regel van de prioriteit niet genieten » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2009-2010, nr. 82/1, p. 53).

B.6.5. In de memorie van toelichting van het bestreden decreet wordt uitgelegd waarom de gemeenschapswetgever het criterium voor het bepalen van de zogeheten « ZSEI »-leerlingen gekoppeld aan de onderwijsvestiging van herkomst, heeft behouden :

« Die keuze om gebruik te maken van het gemiddelde sociaaleconomische indexcijfer van de scholen (gelijk aan het gemiddelde van de sociaaleconomische indexcijfers van de wijken van herkomst van de leerlingen) past in de eerste plaats in het kader van de coherentie met alle door de Franse Gemeenschap gemaakte beleidskeuzes inzake differentiatie (gedifferentieerde financiering van de inrichtingen, beleid inzake positieve discriminatie geleidelijk vervangen door de gedifferentieerde begeleiding, gedifferentieerde begeleiding van de PMS-centra), die allemaal uitgaan van het sociaaleconomische indexcijfer van de scholen en van de centra.

Het sociaaleconomische indexcijfer van een school, ook al is het niet perfect, geeft wellicht het werkelijke sociaaleconomische indexcijfer van de kinderen die er onderwijs volgen, beter weer dan het indexcijfer van de wijk. Men kan immers afkomstig zijn van een mindere begunstigde wijk en toch op sociaal vlak begunstigd zijn, en omgekeerd. Bovendien is de kans jammer genoeg groot dat de meest begunstigde kinderen van minder begunstigde wijken onderwijs volgen in veeleer begunstigde scholen.

Bovendien is het voor de nieuwkomers, grensbewoners die in sommige scholen een niet onaanzienlijk deel van de leerlingen vertegenwoordigen, niet mogelijk het sociaaleconomische indexcijfer van de wijk van herkomst te bepalen » (ibid., pp. 9-10).

B.6.6. De keuze van de decreetgever voor een criterium dat steunt op de sociaaleconomische rangschikking van de basis- of lagere school van herkomst van de leerling, en niet van de wijk waar hij verblijft, is niet kennelijk onredelijk. De plaats van de lagere school in de sociaaleconomische rangschikking van de scholen geeft immers de gemiddelde sociaaleconomische situatie weer van de leerlingen die er onderwijs volgen, en staat dus niet los van het persoonlijke sociaaleconomische indexcijfer van iedere leerling. Hoewel het vaststaat dat sommige leerlingen een sociaaleconomisch indexcijfer hebben dat hoger of, naar gelang van het geval, lager is dan het gemiddelde van de leerlingen die in dezelfde inrichting onderwijs volgen, zou een vergelijkbare situatie kunnen worden waargenomen wanneer het sociaaleconomische indexcijfer werd bepaald op basis van de wijk waar de leerling verblijft. Immers, aangezien het sociaaleconomische indexcijfer van de wijk eveneens steunt op het gemiddelde van de resultaten van de inwoners van de wijk voor elke in aanmerking genomen factor, hebben sommige bewoners een hoger of, naar gelang van het geval, lager sociaaleconomisch indexcijfer dan het gemiddelde van de bewoners van de wijk, zodat geen enkele van die twee oplossingen het mogelijk maakt het aan een leerling toegekende sociaaleconomische indexcijfer volledig af te stemmen op zijn persoonlijke situatie. Ten slotte past de inaanmerkingneming van de sociaaleconomische rangschikking van de school in het kader van de continuïteit van de regeling ingevoerd bij het voormelde decreet van 30 april 2009.

B.6.7. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat het onderscheid tussen de zogeheten « ZSEI »-leerlingen en de andere, verbonden aan de sociaaleconomische rangschikking van de lagere school van herkomst, niet zonder redelijke verantwoording is.

B.6.8. Het middel is niet gegrond.

Wat betreft de prioriteit die wordt toegekend aan de kinderen van wie een ouder een functie uitoefent in de gekozen inrichting voor secundair onderwijs (eerste middel, tweede subonderdeel van het eerste onderdeel, in de zaak nr. 5002)

B.7.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 5002 vorderen de vernietiging van artikel 79/10, § 1, 6°, ingevoegd in het decreet van 24 juli 1997 bij artikel 16 van het bestreden decreet, dat bij de inschrijving een prioriteit toekent aan de leerlingen « van wie ten minste één van de ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent het geheel of een deel van zijn ambt binnen de inrichting voor secundair onderwijs uitoefent ». Zij zijn van mening dat die bepaling een discriminatie tot stand brengt onder de kinderen, naargelang een van hun ouders een functie uitoefent in de lagere school waar zij onderwijs hebben gevolgd of in de inrichting voor secundair onderwijs waar zij zich willen laten inschrijven. Zij voegen eraan toe dat het eveneens discriminerend is alleen rekening te houden met de arbeidsplaats van de ouders die hun functie in een inrichting voor secundair onderwijs uitoefenen, en niet met de arbeidsplaats van de andere ouders.

B.7.2. Door bij de inschrijving in een inrichting voor secundair onderwijs een prioriteit toe te kennen aan de kinderen van personen die een functie in die inrichting uitoefenen, wil de decreetgever de organisatie van het gezin vergemakkelijken en de verplaatsingen van de gezinnen die zich in die bijzondere situatie bevinden, rationaliseren, vermits het kind de verplaatsing tussen zijn woonplaats en de onderwijsinrichting zal kunnen maken samen met zijn ouder die die verplaatsing hoe dan ook maakt. Die prioriteit wordt dus verantwoord door overwegingen in verband met het welzijn van de leerling of met gedeelde voordelen voor het gezin. Die verantwoording kan niet gelden voor een kind van wie een ouder een functie uitoefent in de inrichting voor lager onderwijs waarin het was ingeschreven en waar het, per hypothese, geen onderwijs meer zal volgen.

Het verschil in behandeling tussen de kinderen wier ouders een functie in een inrichting voor secundair onderwijs uitoefenen en diegenen wier ouders een functie in een inrichting voor basis- of lager onderwijs uitoefenen, is niet zonder redelijke verantwoording. Dat subonderdeel van het middel is niet gegrond.

B.7.3. De grief in verband met het niet in aanmerking nemen van de arbeidsplaats van de andere ouders, zal worden behandeld tijdens het onderzoek van de factor voor het bepalen van het samengestelde indexcijfer gekoppeld aan de afstand tussen de woonplaats van het kind en de gekozen inrichting voor secundair onderwijs.

Wat de factoren voor de berekening van het samengestelde indexcijfer betreft

B.8. Om een keuze te maken uit de inschrijvingsaanvragen in het eerste jaar van het secundair onderwijs in de inrichtingen die worden geconfronteerd met een te hoog aantal aanvragen in verhouding tot het aantal plaatsen dat zij kunnen aanbieden, legt het decreet een rangschikking van die aanvragen op volgens een voor iedere leerling berekend samengesteld indexcijfer.

« [Dat indexcijfer] wordt verkregen door aan iedereen een waarde ' 1 ' toe te kennen, eerst vermenigvuldigd met een factor die op degressieve wijze van 1,5 tot 1,1 varieert met stappen van ' -0,1 ' van de eerste tot de vijfde voorkeur en vervolgens vermenigvuldigd met aan criteria verbonden factoren. Die weging op basis van de voorkeuren stemt overeen met de wil om zoveel mogelijk voorrang te geven aan de eerste voorkeuren van de ouders » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2009-2010, nr. 82/1, p. 5).

De vermenigvuldigingsfactoren die het mogelijk maken het samengestelde indexcijfer te bepalen, zijn bij het decreet opgelegd. Zij hangen af van de volgende criteria :

« 1° De lagere school of de basisschool van herkomst was, op het ogenblik van de inschrijving in die school, of is op het ogenblik van de inschrijving in het eerste gemeenschappelijke jaar, onder die van hetzelfde net, een van de vijf scholen die het dichtst bij de woonplaats van de leerling of van een van beide ouders gelegen zijn. Dat criterium wordt vastgelegd door een degressieve weging toe te kennen van de eerste dichtstbijzijnde naar de vijfde dichtstbijzijnde. Die waarden zijn 2 voor de eerste dichtstbijzijnde, 1,81 voor de tweede dichtstbijzijnde, 1,61 voor de derde dichtstbijzijnde, 1,41 voor de vierde dichtstbijzijnde, 1,21 voor de vijfde dichtstbijzijnde en 1 voor de scholen die verder gelegen zijn. [...]

2° De gekozen secundaire school is, onder die van hetzelfde net, een van de vijf inrichtingen die het dichtst bij de woonplaats van de leerling of van een van beide ouders gelegen zijn. Dat criterium wordt vastgelegd door een degressieve weging toe te kennen van de eerste dichtstbijzijnde naar de vijfde dichtstbijzijnde. Die waarden zijn 1,98 voor de eerste dichtstbijzijnde, 1,79 voor de tweede dichtstbijzijnde, 1,59 voor de derde dichtstbijzijnde, 1,39 voor de vierde dichtstbijzijnde, 1,19 voor de vijfde dichtstbijzijnde en 1 voor de scholen die verder gelegen zijn. [...]

3° De gekozen secundaire school is gelegen in een straal van 4 km rondom de lagere school of de basisschool van herkomst. Dat criterium is 1,54 waard als het vervuld is, en 1 als het niet vervuld is.

[...]

4° Vanaf het schooljaar 2011-2012 is de lagere school of de basisschool van herkomst een van de lagere scholen waarvan het inrichtingsproject voorziet in ten minste vijf prioritaire acties inzake pedagogisch partnerschap met de secundaire school die in haar eigen inrichtingsproject dezelfde acties heeft opgenomen, [...].

5° Eveneens vanaf het schooljaar 2011-2012 is de basisschool of de lagere school van herkomst een school die geen verbindingsovereenkomst of geen partnerschapsovereenkomst heeft. [...]

6° De secundaire school biedt de mogelijkheid om in dezelfde taal een taalbadonderwijs verder te volgen aan leerlingen die dat onderwijs sedert ten minste het derde leerjaar lager onderwijs hebben genoten. Dat criterium is 1,18 waard als het vervuld is en 1 als het niet vervuld is » (ibid., pp. 5-6).

De weging van de drie criteria inzake afstand en de combinatie ervan hebben tot doel « niemand te bestraffen bij zijn keuze » (ibid., p. 16).

Artikel 79/7, § 3, van het decreet van 24 juli 1997, ingevoegd bij het bestreden decreet, preciseert dat de ouders de mogelijkheid hebben de woonplaats aan te geven die volgens hen in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de vereiste afstanden voor het bepalen van het samengestelde indexcijfer. Die woonplaats is de woonplaats van een van beide ouders, tenzij een derde de ouderlijke macht uitoefent.

Wat de factor in verband met de afstand tussen de lagere school van herkomst en de woonplaats betreft (eerste middel in de zaak nr. 5002)

B.9.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 5002 vorderen de vernietiging van artikel 79/17, § 1, tweede lid, 1°, ingevoegd in het decreet van 24 juli 1997 bij artikel 25 van het bestreden decreet, dat, onder de criteria voor de berekening van het samengestelde indexcijfer van de kinderen, de factor vaststelt die is afgeleid uit de afstand tussen de lagere of basisschool van herkomst en de woonplaats van de leerling of van een van beide ouders. Zij zijn van mening dat het in aanmerking nemen van dat criterium leidt tot een verschil in behandeling dat met name in strijd is met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, tussen de kinderen die, tijdens hun schooljaren, een nieuwe school hebben zien oprichten dichter bij hun woonplaats dan waar de school is gevestigd waar zij onderwijs volgden, en de andere kinderen, alsook tussen de kinderen die onderwijs hebben gevolgd in een lagere school die ver was verwijderd van hun woonplaats omdat één van hun ouders er een functie uitoefende, en de andere kinderen.

B.9.2. Tijdens de besprekingen in de commissie heeft de minister uitgelegd dat de criteria zijn gekozen « om een groter gewicht te geven aan de nabijheid van de lagere school ten opzichte van de woonplaats » en dat de « factor van de nabijheid een factor is waarin de meeste ouders zich kunnen vinden » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2009-2010, nr. 82/3, p. 19). Het belang van de weging die aan die factor is toegekend, wordt evenwel gerelativeerd door de combinatie ervan met de twee andere factoren inzake afstanden : de afstand tussen de woonplaats en de gekozen inrichting voor secundair onderwijs en de afstand tussen de lagere school en de inrichting voor secundair onderwijs.

In de memorie van toelichting wordt gepreciseerd :

« Het belangrijke gewicht dat aan die factor wordt toegekend, wordt met name verantwoord door de wil van de wetgever :

- om de ouders ertoe aan te moedigen hun kind onderwijs te laten volgen in hun wijk teneinde de maatschappelijke band te bevorderen;

- niet de ouders te bestraffen die voor de nabijheid hebben gekozen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2009-2010, nr. 81/1, p. 5).

B.9.3. De verzoekende partijen klagen in de eerste plaats een verschil in behandeling aan tussen de kinderen die wonen op een plaats waar het schoollandschap sinds hun eerste inschrijving in de lagere of basisschool niet is veranderd en diegenen die wonen in de nabijheid van een nieuwe onderwijsinrichting, opgericht na hun eerste inschrijving, zodat de lagere school waar zij onderwijs volgden één rang zakt in de lijst van de scholen die het dichtst bij hun woonplaats zijn gevestigd, waardoor zij een lager samengesteld indexcijfer verkrijgen dan indien die nieuwe school niet op die plaats was opgericht, zonder dat dit op enigerlei wijze voortvloeit uit de keuze van hun ouders.

B.9.4. De bestreden bepaling stelt het criterium van de afstand tussen de woonplaats en de lagere school van herkomst als volgt vast :

« de lagere school of de basisschool van afkomst is, op het ogenblik van de inschrijving in het eerste gemeenschappelijke jaar of op het ogenblik van de inschrijving in het lager onderwijs van die school, onder die van het net waartoe de lagere school of de basisschool van afkomst behoort, één van de vijf scholen die het dichtst bij de woonplaats van de leerling of van één van beide ouders gelegen zijn. Dat criterium wordt vastgelegd door een degressieve weging toe te kennen van de 1ste dichtstbijzijnde naar de vijfde dichtstbijzijnde. Die waarden zijn : 2, voor de eerste dichtstbijzijnde, 1,81, voor de tweede dichtstbijzijnde, 1,61, voor de derde dichtstbijzijnde, 1,41, voor de vierde dichtstbijzijnde, 1,21, voor de vijfde dichtstbijzijnde en 1 voor de scholen die verder gelegen zijn ».

Zelfs indien het in aanmerking nemen van de relatieve nabijheid van de woonplaats ten opzichte van de lagere school op het ogenblik van de inschrijving in die lagere school in de eerste plaats beantwoordt aan de zorg van de decreetgever om de kinderen niet te bestraffen die tijdens hun schooljaren zijn verhuisd, zonder daarom van school te zijn veranderd, laat de formulering van die bepaling toe de factor « afstand lagere school - woonplaats » te berekenen op het ogenblik van de inschrijving in de basis- of lagere school, zonder rekening te houden met een vestiging die later dichterbij zou zijn opgericht en een negatieve invloed zou hebben op de berekening van het samengestelde indexcijfer van een kind wiens ouders hadden gekozen voor de nabijheid, zonder rekening te kunnen houden met een school die op het ogenblik van die keuze niet bestond.

B.9.5. De bestreden bepaling moet in die zin worden geïnterpreteerd dat zij het mogelijk maakt om bij de berekening van de factor « afstand woonplaats - lagere school » geen rekening te houden met een nieuwe onderwijsvestiging die op het ogenblik van de eerste inschrijving in een inrichting voor basis- of lager onderwijs niet bestond, zodat de kinderen die wonen op een plaats waar het schoollandschap na hun inschrijving in hun lagere school van herkomst is geëvolueerd, niet anders worden behandeld dan de andere kinderen die zich niet in die situatie bevinden.

B.10.1. De verzoekende partijen verwijten die factor in de samenstelling van het samengestelde indexcijfer ook dat hij de kinderen benadeelt van wie een ouder een functie uitoefent in de inrichting voor lager onderwijs waar zij, om die reden, onderwijs hebben gevolgd en die mogelijk ver is verwijderd van hun woonplaats. Zij verwijten die factor eveneens geen rekening te houden met andere wettige motieven waarom de ouders hadden kunnen kiezen voor een lagere school die ver verwijderd is van de woonplaats, zoals de nabijheid ten opzichte van de arbeidsplaats van een van de ouders.

B.10.2. De decreetgever, die geconfronteerd was met de noodzaak een procedure in te voeren om een keuze te maken uit de overtallige inschrijvingsaanvragen in de inrichtingen voor secundair onderwijs die te veel aanvragen krijgen, heeft gekozen voor een systeem waarbij die aanvragen worden gerangschikt op basis van verschillende factoren, waaronder een factor die de kinderen bevoordeelt wier ouders voor het lager onderwijs hebben gekozen voor de nabijheid ten opzichte van de wijk van herkomst. Die factor van de nabijheid speelt geen rol bij het bepalen van de prioriteiten, maar wel van het samengestelde indexcijfer dat « ertoe strekt het doel van de nabijheid te verzoenen met het beginsel van de vrije keuze van de ouders » (ibid. ) in de in B.9.2 gepreciseerde mate.

De decreetgever, die zich ervan bewust was dat andere keuzes mogelijk zijn, om redenen die evenzeer gewettigd zijn, heeft de factor van de nabijheid tussen de woonplaats en de lagere school overigens gecombineerd met andere factoren inzake nabijheid, zodat de kinderen wier ouders een andere keuze hebben gemaakt dan die van de nabijheid voor het bepalen van de lagere school, zoals de keuze om het kind in te schrijven in de school waar een van de ouders een functie uitoefent, of nog, in een school in de nabijheid van de arbeidsplaats van een van de ouders, een samengesteld indexcijfer kunnen hebben dat gunstig wordt beïnvloed door de andere factoren inzake nabijheid die dat indexcijfer samenstellen. De invloed van die factor op de mogelijkheden om zich in de inrichting voor secundair onderwijs in te schrijven, moet eveneens worden bekeken in de context van het volledige proces van de rangschikking van de aanvragen, alsook van het werk van de netoverschrijdende inschrijvingscommissie die ernaar streeft iedere leerling zo dicht mogelijk bij zijn eerste keuze onderwijs te laten volgen.

B.10.3. De keuze van de decreetgever om de kinderen te bevoordelen wier ouders bij de inschrijving in de basis- of lagere school hebben gekozen voor de nabijheid, « stemt overeen met een feitelijke toestand », « getuigt van een zeker gezond verstand, beantwoordt aan ecologische bekommeringen en druist niet in tegen de doelstellingen inzake sociale mobiliteit » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2009-2010, nr. 82/3, p. 5). Die keuze is niet kennelijk onredelijk in het licht van de doelstelling die wordt nagestreefd met de factoren voor het bepalen van het samengestelde indexcijfer en heeft, om de hiervoor geformuleerde redenen, geen onevenredige gevolgen.

Ook al waren andere keuzes mogelijk, zoals bijvoorbeeld die voor de nabijheid van de gekozen lagere school ten opzichte van de arbeidsplaats van één van de ouders, vermocht de decreetgever ervan uit te gaan dat dat criterium, hoewel het relevant is, te moeilijk was om in te voeren en aanleiding kon geven tot fraude en betwistingen (ibid., p. 22).

B.10.4. Onder voorbehoud dat artikel 79/17, § 1, tweede lid, 1°, van het decreet van 24 juli 1997 in de in B.9.5 aangegeven zin wordt geïnterpreteerd, is het middel niet gegrond.

B.10.5. De grief, die eveneens wordt aangevoerd in het eerste middel door de verzoekende partijen in de zaak nr. 5002, met betrekking tot het niet in aanmerking nemen van de arbeidsplaats van de ouders die geen functie uitoefenen in het onderwijs voor de keuze van de inrichting voor secundair onderwijs, zal worden behandeld tijdens het onderzoek van de factor in verband met de « afstand woonplaats - inrichting voor secundair onderwijs ».

B.11.1. In het tweede onderdeel van het eerste middel verwijten de verzoekende partijen het bestreden decreet en inzonderheid artikel 79/17, § 1, tweede lid, 1°, dat het in het decreet van 24 juli 1997 invoegt, enerzijds, op formele wijze terugwerkende kracht te hebben tot een datum vóór de bekendmaking ervan en, anderzijds, situaties te wijzigen die definitief vorm hebben gekregen, namelijk de keuze van de ouders voor de lagere of basisschool waarin hun kind zijn eerste cyclus heeft voltooid.

B.11.2. De datum van inwerkingtreding van het decreet, vastgesteld in artikel 45 op 15 februari 2010, heeft, hoewel die voorafgaat aan de datum van de bekendmaking ervan op 9 april 2010, geen enkele rechtsonzekerheid kunnen teweegbrengen, daar de periode die is vastgesteld voor het opnemen van de inschrijvingsaanvragen op grond van artikel 38, 3°, van het decreet is ingegaan op 26 april 2010.

B.11.3. Elke wettelijke norm, ongeacht of die al dan niet een retroactieve werking heeft, voert overigens, door een datum vast te stellen waarop de bepalingen ervan in werking treden, een onderscheid in tussen de personen op wie rechtstoestanden betrekking hebben die onder de vroegere regel vallen, en de personen op wie rechtstoestanden betrekking hebben die onder de nieuwe regel vallen. Een dergelijk onderscheid schendt in beginsel de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Door te beslissen bij de berekening van het samengestelde indexcijfer rekening te houden met een factor die is verbonden aan de keuze die de ouders hebben gemaakt op een ogenblik dat zij niet konden weten dat die keuze de mogelijkheden zou beïnvloeden voor de inschrijving van het kind in een inrichting voor secundair onderwijs, heeft de decreetgever de rechtmatige verwachtingen van de ouders niet kunnen schenden, vermits die laatsten geen enkele verwachting konden gronden op die keuze. Het loutere feit dat de keuze voor de lagere school heeft plaatsgehad op een ogenblik dat de ouders geen kennis konden hebben van de bepalingen die de inschrijving van hun kind in een inrichting voor secundair onderwijs zouden regelen, kon de decreetgever niet verbieden gebruik te maken van de factor verbonden aan de « afstand woonplaats - lagere school », onder andere factoren en volgens diverse wegingen, om een keuze te maken uit te talrijke aanvragen in sommige inrichtingen.

B.11.4. Dat onderdeel van het middel is niet gegrond.

Wat betreft de factor in verband met de afstand tussen de gekozen inrichting voor secundair onderwijs en de woonplaats (eerste en tweede middel in de zaak nr. 5010; eerste middel, partim, in de zaak nr. 5002)

B.12.1. De twee middelen in de zaak nr. 5010 hebben betrekking op het tweede criterium van de nabijheid dat wordt gehanteerd bij de berekening van het samengestelde indexcijfer van de leerlingen, dat als volgt wordt uiteengezet in het nieuwe artikel 79/17, § 1, tweede lid, 2°, van het decreet van 24 juli 1997 :

« de gekozen inrichting voor secundair onderwijs is, onder die van het net waartoe de gekozen inrichting voor secundair onderwijs behoort, één van de vijf inrichtingen die het dichtst bij de woonplaats van de leerling of van één van beide ouders gelegen zijn. Dat criterium wordt vastgelegd door een degressieve weging toe te kennen van de 1ste dichtstbijzijnde naar de vijfde dichtstbijzijnde. Die waarden zijn : 1,98, voor de eerste dichtstbijzijnde, 1,79, voor de tweede dichtstbijzijnde, 1,59, voor de derde dichtstbijzijnde, 1,39, voor de vierde dichtstbijzijnde, 1,19, voor de vijfde dichtstbijzijnde en 1 voor de scholen die verder gelegen zijn ».

Het ene middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het andere uit de schending van die bepalingen in samenhang gelezen met artikel 24 van de Grondwet. Beide verwijten de bestreden bepaling leerlingen op soortgelijke wijze te behandelen die zich in een fundamenteel verschillende situatie bevinden, naargelang hun woonplaats zich al dan niet bevindt in de nabijheid van een inrichting voor secundair onderwijs waarin zij zich zouden kunnen laten inschrijven. De verzoekende partijen in de zaak nr. 5010, samen met de verzoekende partijen in de zaak nr. 5002, verwijten het decreet eveneens geen rekening te houden met andere rechtmatige keuzecriteria die de ouders ertoe zouden kunnen brengen hun kind te laten inschrijven in een inrichting voor secundair onderwijs, zoals de nabijheid ten opzichte van de arbeidsplaats van één van de ouders, de nabijheid ten opzichte van de woonplaats van een persoon die belast is met de naschoolse opvang van het kind, of nog, de mogelijkheden van het openbaar vervoer.

B.12.2. Volgens de memorie van toelichting is het belangrijke gewicht van de factor van de afstand tussen de gekozen inrichting voor secundair onderwijs en de woonplaats « op dezelfde wijze verantwoord als het gewicht van de nabijheid van de lagere school van herkomst », namelijk « de wil van de wetgever om de ouders ertoe aan te moedigen hun kind onderwijs te laten volgen in hun wijk teneinde de maatschappelijke band te bevorderen », en « niet de ouders te bestraffen die voor de nabijheid hebben gekozen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2009-2010, nr. 82/1, pp. 5-6). In de commissie heeft de minister evenwel uitgelegd dat de « bijzondere weging van de eerste voorkeuren het aan de nabijheid toegekende gewicht relativeert » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2009-2010, nr. 82/3, p. 19).

B.12.3. De keuzevrijheid van de ouders inzake onderwijs, gewaarborgd bij artikel 24, § 1, van de Grondwet, impliceert niet dat zij een onvoorwaardelijk recht genieten om voor hun kind een inschrijving in de inrichting voor secundair onderwijs van hun keuze te verkrijgen. Zo heeft de Raad van State opgemerkt :

« De wetgever beschikt weliswaar over een ruime beoordelingsbevoegdheid wanneer hij, zoals te dezen, een systeem regelt voor de toegang tot diensten dat rekening moet houden met de verscheidenheid van de situaties en wanneer die laatste leiden tot soms tegengestelde belangen van de betrokken gebruikers, met daarbovenop objectieve beperkingen, zoals te dezen de opvangcapaciteit van de onderwijsinrichtingen, zodat het verwezenlijken van een mathematische gelijkheid onder de gebruikers concreet onmogelijk is » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2009-2010, nr. 82/1, p. 52).

De decreetgever, die diende tegemoet te komen aan de noodzaak om een reglementering aan te nemen teneinde een keuze te kunnen maken uit de overtallige inschrijvingsaanvragen in het eerste jaar van het secundair onderwijs in sommige inrichtingen, en die ernaar streefde bij die gelegenheid de sociale gemengdheid te bevorderen, heeft, onder de mogelijke criteria, gekozen voor een combinatie van factoren die ertoe strekken de keuze voor het volgen van onderwijs in de nabijheid van de woonplaats van het kind te bevorderen. Een dergelijke keuze, die rekening houdt met praktische, milieugebonden en sociale overwegingen, is niet zonder pertinentie. De keuzevrijheid van de ouders wordt bovendien zoveel mogelijk gevrijwaard door de mogelijkheid die hun wordt geboden om de inrichtingen van hun voorkeur aan te geven, in de door hen gekozen volgorde, door de berekening van de toekenning van de plaatsen op basis van het samengestelde indexcijfer dat met die voorkeuren rekening houdt, en door het feit dat het belang van de criteria van de nabijheid wordt gerelativeerd door het in aanmerking nemen van een factor die steunt op het partnerschap tussen de inrichtingen voor secundair onderwijs en de lagere scholen. Ten slotte maakt het algoritme voor de berekening van de plaats van iedere leerling in de inschrijvingslijsten, algoritme waarvan gebruik wordt gemaakt in de meeste landen die de voorkeuren optimaliseren op basis van een rangschikking van de leerlingen, het de leerlingen mogelijk in de rangschikking op te klimmen, zodat iedere leerling zo dicht mogelijk bij zijn voorkeuren terechtkomt (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2009-2010, nr. 82/3, p. 42).

B.12.4. Hoewel het juist is dat de geografische verspreiding van de schoolinrichtingen niet uniform is in de Franse Gemeenschap en dat de situatie aanzienlijk kan verschillen tussen de steden en de landelijke gebieden, vloeit hieruit niet voort dat het decreet fundamenteel verschillende situaties op soortgelijke wijze zou behandelen in zoverre het doel van de nabijheid niet in een landelijke omgeving zou kunnen worden nagestreefd. Immers, aangezien de voor de berekening van die factor van het samengestelde indexcijfer in aanmerking genomen afstand een relatieve en geen absolute afstand is, kan de door het decreet aangemoedigde nabijheid worden gerealiseerd ongeacht de afstand, in absolute waarde, tussen de woonplaats van de leerling en de dichtstbijzijnde inrichting. Overigens, aan de keuze voor één van de vijf dichtstbijzijnde schoolinrichtingen wordt een vermenigvuldigingsfactor van het samengestelde indexcijfer toegekend, op degressieve wijze, waardoor het mogelijk is de ouders die voor de nabijheid hebben gekozen zonder daarom voorrang te hebben gegeven aan de dichtstbijzijnde inrichting, niet te bestraffen, zodat ook hier de decreetgever erover heeft gewaakt de keuzevrijheid van de ouders te vrijwaren en tegelijk zijn doel na te streven om voorrang te geven aan de nabijheid met de wijk van herkomst.

B.12.5. Ten slotte, in verband met de door alle verzoekende partijen geformuleerde grief volgens welke de decreetgever rekening had moeten houden met andere keuzecriteria van de ouders en met name de nabijheid van de school ten opzichte van de arbeidsplaats van een van hen, heeft de minister tijdens de besprekingen in de commissie uitgelegd dat dat criterium « niet irrelevant was », maar dat de uitvoering ervan ingewikkeld was en zou leiden tot rechtsonzekerheid (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2009-2010, nr. 82/3, p. 22). Hetzelfde geldt voor andere keuzecriteria, zoals dat met betrekking tot de woonplaats van de persoon die belast is met de buitenschoolse opvang van het kind. Gelet op die moeilijkheden kon de decreetgever voorrang geven aan het criterium van de nabijheid ten opzichte van de woonplaats van het kind zonder de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet te schenden.

B.12.6. De grief afgeleid uit het feit dat het decreet geen rekening houdt met het aanbod van het openbaar vervoer, zal samen met de door het decreet gekozen wijze voor de berekening van de afstanden worden onderzocht.

Wat betreft de wijze waarop de afstand wordt berekend tussen de gekozen inrichting voor secundair onderwijs en de woonplaats (derde en vierde middel, derde onderdeel, in de zaak nr. 5002 en eerste middel, partim, in de zaak nr. 5010)

B.13.1. Het derde middel in de zaak nr. 5002 is gericht tegen artikel 79/2, ingevoegd in het decreet van 24 juli 1997 bij artikel 4 van het bestreden decreet, alsook tegen artikel 79/17, ingevoegd in het decreet van 24 juli 1997 bij artikel 25 van het bestreden decreet. De verzoekende partijen zijn van mening dat de wijze waarop de verschillende afstanden in vogelvlucht voor het bepalen van de factoren in de samenstelling van het samengestelde indexcijfer worden berekend, op basis van waarden bepaald door het programma « Google Maps », een verschil in behandeling teweegbrengt dat onbestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet.

B.13.2. Artikel 79/2 van het decreet van 24 juli 1997 preciseert dat « voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling, onder afstand, wordt verstaan de kortste afstand, dit is de afstand in vogelvlucht ». Het decreet geeft niet aan hoe de gegevens met betrekking tot de verschillende afstanden zullen worden ingewonnen of berekend voor de uitvoering ervan. Tijdens de besprekingen in de commissie is gewezen op, en kritiek geuit op, het gebruik van de informaticatoepassing « Google Maps » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2009-2010, nr. 82/1, p. 13, en nr. 82/3, pp. 26 en volgende), maar de tekst zelf van het decreet legt het gebruik van die toepassing of een andere niet op. Hieruit vloeit voort dat de kritiek van de verzoekers ten aanzien van het gebruik van die software en van de vergissingen waartoe het volgens hen leidt, niet zijn gericht tegen het decreet, maar wel tegen de tenuitvoerlegging ervan en dat het Hof bijgevolg niet bevoegd is om daarvan kennis te nemen.

B.13.3. Door aan te geven dat de afstanden die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de drie factoren inzake afstand in de samenstelling van het samengestelde indexcijfer, de kortste afstanden moeten zijn, namelijk de afstanden in vogelvlucht, geeft de bestreden bepaling daarentegen voorrang aan die berekeningswijze ten opzichte van andere mogelijke manieren om afstanden te berekenen, zoals de kortste afstand over de weg, de kortste afstand met het openbaar vervoer, of nog, een combinatie van beide berekeningen. De verzoekende partijen bekritiseren eveneens het feit dat de decreetgever niet heeft gekozen voor die manieren om de afstanden te berekenen en uitsluitend de afstand in vogelvlucht in aanmerking heeft genomen.

B.13.4. Uit de memorie van toelichting van het decreet blijkt dat de administratie van de Franse Gemeenschap de decreetgever heeft laten weten dat de afstand in vogelvlucht « de enige onbetwistbare en repetitieve afstand » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2009-2010, nr. 82/1, p. 11) was, zodat het met de bestaande middelen waarover de administratie beschikt niet mogelijk blijkt te overwegen dat andere berekeningen van de afstand, over de weg of met het openbaar vervoer bijvoorbeeld, worden gebruikt om het samengestelde indexcijfer van iedere leerling te bepalen.

B.13.5. Zelfs indien de geografische werkelijkheid onvermijdelijk leidt tot verschillen naar gelang van de plaats waar de berekening wordt uitgevoerd, heeft het gebruik van het criterium van de afstand in vogelvlucht overigens geen onevenredige gevolgen, in zoverre de factoren in de samenstelling van het samengestelde indexcijfer dat steunt op berekeningen van afstanden, moeten worden gecombineerd met andere factoren die met name betrekking hebben op de door de ouders geuite voorkeuren.

B.13.6. Het middel is niet gegrond.

Wat betreft de factor van de afstand tussen de lagere school van herkomst en de gekozen inrichting voor secundair onderwijs (tweede middel in de zaak nr. 5002)

B.14.1. Het tweede middel in de zaak nr. 5002 is hoofdzakelijk gericht tegen artikel 79/17, § 1, tweede lid, 3°, ingevoegd in het decreet van 24 juli 1997 bij artikel 25 van het bestreden decreet, dat het derde criterium van de nabijheid waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van het samengestelde indexcijfer van iedere leerling, als volgt vaststelt :

« de gekozen inrichting voor secundair onderwijs is gelegen in een straal van 4 km rondom de lagere school of de basisschool van afkomst. Dat criterium is 1,54 waard, indien dit vervuld is, en 1, als dit niet vervuld is ».

De verzoekende partijen zijn van mening dat het in aanmerking nemen van die factor bij de berekening van het samengestelde indexcijfer leidt tot een verschillende behandeling die met name strijdig is met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, tussen de leerlingen die onderwijs volgen in een basis- of lagere school waarbij zich geen enkele inrichting voor secundair onderwijs bevindt in een straal van 4 km rond die basis- of lagere school, en de leerlingen die onderwijs volgen in een basis- of lagere school waarbij zich een of meer inrichtingen voor secundair onderwijs bevinden in een straal van 4 km rond die basis- of lagere school, alsook tot een discriminatie onder de lagere scholen naargelang zij behoren tot de eerste of de tweede van die categorieën.

B.14.2. Het derde criterium van de nabijheid strekt ertoe « tegemoet te komen aan de situatie van de ouders die gemakshalve zouden hebben gekozen voor een lagere school die zich bevindt op een plaats (op de weg van en naar het werk, dicht bij de arbeidsplaats, dicht bij de woonplaats van een ouder, tussen de woonplaats van gescheiden ouders, enz.), en die om dezelfde of andere redenen een secundaire school in dezelfde omgeving kiezen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2009-2010, nr. 82/1, p. 6).

B.14.3. Het in aanmerking nemen, onder de factoren die het samengestelde indexcijfer van iedere leerling beïnvloeden, van een factor in verband met de afstand tussen de lagere of basisschool waar de leerling onderwijs volgt en de gekozen inrichting voor secundair onderwijs, moet het mogelijk maken het effect te matigen van de twee andere criteria van de afstand verbonden aan de nabijheid van de schoolinrichtingen ten opzichte van de woonplaats van het kind, en niet de ouders te bestraffen die voor een andere organisatie hebben gekozen wanneer het kind op de lagere school zat en die voor het secundair onderwijs bij die keuze van organisatie wensen te blijven. Het gaat bijvoorbeeld om ouders die kiezen voor schoolvestigingen in de nabijheid van hun arbeidsplaats of van de woning van een derde die het kind buiten de schooluren opvangt. Voor het evenwicht van het hele systeem is het dus gewettigd en noodzakelijk om met een criterium verbonden aan de afstand tussen de twee bezochte scholen rekening te houden, zodat de ouders niet worden gestraft voor de keuze die zij maken.

Het feit dat met dat criterium rekening wordt gehouden op cumulatieve wijze met de twee andere criteria verbonden aan de afstand, maakt het evenwel niet mogelijk op adequate wijze tegemoet te komen aan het nagestreefde doel, vermits het eveneens ten goede komt aan de leerlingen die schoolinrichtingen bezoeken die beide dicht bij hun woonplaats zijn gevestigd. Door de drie vermenigvuldigingsfactoren van het samengestelde indexcijfer te cumuleren, genieten die kinderen bijgevolg een hoger samengesteld indexcijfer dan de kinderen wier ouders een andere keuze hebben gemaakt en die door dat criterium precies moesten worden bevoordeeld. Om zijn doel op adequate wijze te bereiken, zou dat criterium dus alleen ten goede mogen komen aan de kinderen die de decreetgever wenste te beogen, namelijk diegenen die, zowel in het lager als in het secundair onderwijs, een school bezoeken die ver van hun woonplaats is verwijderd.

B.14.4. In die mate is het middel gegrond. Artikel 79/17, § 1, tweede lid, 3°, dient te worden vernietigd.

Om te vermijden dat de door die bepaling nagestreefde doelstellingen niet worden bereikt, hetgeen andere discriminaties zou teweegbrengen, dienen de gevolgen van de vernietigde bepaling evenwel te worden gehandhaafd zoals aangegeven in het beschikkend gedeelte.

Wat betreft de ligging van de onderwijsinrichtingen ten opzichte van de andere inrichtingen die tot hetzelfde net behoren (vierde middel in de zaak nr. 5002)

B.15.1. Het vierde middel in de zaak nr. 5002 is gericht tegen de artikelen 79/2 en 79/17 van het decreet van 24 juli 1997, respectievelijk ingevoegd bij de artikelen 4 en 25 van het decreet van 18 maart 2010. De verzoekende partijen zijn van mening dat de eerste twee criteria bepaald in artikel 79/17, § 1, tweede lid, van het decreet van 24 juli 1997 ertoe strekken de nabijheid tussen de woonplaats van de leerling en de gekozen inrichtingen voor lager en secundair onderwijs te bevorderen, maar enkel indien die inrichtingen tot hetzelfde net behoren, hetgeen met name in strijd zou zijn met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet.

B.15.2. Het systeem voor de berekening van het samengestelde indexcijfer volgens twee factoren « afstand woonplaats - onderwijsinrichting » berust op een weging van de factoren die is verbonden aan de relatieve nabijheid van de betrokken inrichting en de woonplaats. Die relatieve nabijheid wordt berekend ten opzichte van de onderwijsinrichtingen die tot hetzelfde net behoren, zodat de door de ouders gemaakte keuze voor een net wordt gerespecteerd, vermits de waarde van de nabijheid van een onderwijsinrichting van een bepaald net alleen wordt aangetast wanneer een andere inrichting van hetzelfde net dichterbij is gelegen, maar nooit wanneer inrichtingen die tot andere netten behoren, dichterbij zijn gelegen. Met andere woorden, wanneer de ouders kiezen voor een net op grond van hun filosofische voorkeuren, houdt het door het decreet nagestreefde doel van de nabijheid alleen rekening met de aanwezigheid in de omgeving van de onderwijsinrichtingen die met die keuze overeenstemmen. Overigens, de twee factoren « afstand woonplaats - onderwijsinrichting » worden los van elkaar berekend, en volgens het net waartoe elk van de betrokken inrichtingen behoort, zodat niets de ouders die voor het lager onderwijs een bepaald net hebben gekozen, ertoe verplicht voor het secundair onderwijs dezelfde keuze te maken. Evenzo houdt de factor in verband met de afstand tussen de lagere of basisschool en de gekozen inrichting voor secundair onderwijs geen rekening met het net van elk van die inrichtingen, waardoor van het ene net naar het andere kan worden overgestapt zonder dat een en ander gevolgen heeft voor de berekening van het samengestelde indexcijfer.

Hoewel het juist is dat de dichtheid van de onderwijsinrichtingen van net tot net verschilt, heeft het ingevoerde systeem precies tot doel, gelet op die vaststelling, niet de ouders te bestraffen die hebben gekozen voor een net dat minder inrichtingen telt. De bestreden bepaling heeft bijgevolg niet tot doel, noch tot gevolg de ouders ertoe te verplichten voor een bepaald net te kiezen, noch hen te verhinderen van net te veranderen tussen het lager onderwijs en het secundair onderwijs.

B.15.3. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat het middel berust op een verkeerde lezing van de bestreden bepalingen.

Het middel is niet gegrond.

Wat betreft de factor in verband met de mogelijkheid om het taalbadonderwijs voort te zetten (vijfde middel in de zaak nr. 5002)

B.16.1. Het vijfde middel in de zaak nr. 5002 is gericht tegen artikel 79/17, § 1, tweede lid, 6°, ingevoegd in het decreet van 24 juli 1997 bij artikel 25 van het bestreden decreet. Die bepaling voorziet erin dat het samengestelde indexcijfer wordt vermenigvuldigd met factor 1,18 indien « de secundaire school [...] de mogelijkheid [biedt] om in dezelfde taal een taalbadonderwijs verder te volgen aan leerlingen die dat onderwijs sedert ten minste het derde leerjaar lager onderwijs hebben genoten ». De verzoekende partijen zijn van mening dat het decreet, door te voorzien in een vermenigvuldigingsfactor van het samengestelde indexcijfer die relatief laag is ten opzichte van de andere factoren in verband met de afstanden, tot gevolg zal hebben dat sommige leerlingen het pedagogische continuüm zullen moeten onderbreken waarin zij op grond van een bepaald educatief project waren ingeschreven, hetgeen met name een schending zou inhouden van de vrijheid van onderwijs gewaarborgd bij artikel 24 van de Grondwet.

B.16.2. De decreten van 8 maart 2007 en 18 juli 2008 die vroeger de inschrijvingen in het eerste jaar van het secundair onderwijs regelden, voorzagen erin dat het verder volgen van een taalbadonderwijs een prioriteit inhield bij de inschrijving in de inrichtingen voor secundair onderwijs die die mogelijkheid boden en met de inrichting voor lager onderwijs een partnerschapsakkoord hadden gesloten. Het bestreden decreet wijzigt het systeem in die zin dat de mogelijkheid om een taalbadonderwijs voort te zetten, niet langer een prioriteit is. Daartegenover « heeft de lichte weging van dat criterium tot doel rekening te houden met de wens van sommige ouders dat hun kind verder een taalbadonderwijs kan volgen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2009-2010, nr. 82/1, p. 6).

B.16.3. De voorwaarden voor de toekenning van een prioriteit onder de vroegere regeling kunnen niet de rechtmatige verwachting doen ontstaan dat die definitief zijn verworven voor alle toekomstige inschrijvingsregelingen. De decreetgever vermocht ervan uit te gaan dat een wijziging van het beleid nodig was inzake de toegang tot het taalbadonderwijs in het secundair onderwijs, met name rekening houdend met het beperkte aantal plaatsen dat in dat soort van onderwijs kan worden aangeboden. Hij was derhalve niet ertoe gehouden aan de kinderen die in het lager onderwijs een taalbadonderwijs hebben gevolgd, een prioriteit te waarborgen voor de toegang tot de inrichtingen die die mogelijkheid in het secundair onderwijs bieden.

B.16.4. Door te bepalen dat de aanvraag tot inschrijving in een inrichting die de mogelijkheid biedt om op het niveau van de eerste graad van het secundair onderwijs een taalbadonderwijs verder te volgen dat de leerling in het lager onderwijs is begonnen, het samengestelde indexcijfer van de betrokken leerling vermenigvuldigt met factor 1,18, hetgeen tot gevolg heeft het samengestelde indexcijfer lichtjes te verhogen en de leerling dus gunstiger te rangschikken dan indien hij dat taalbadonderwijs niet had gevolgd, kent de decreetgever een relatief belang toe aan de keuze van de ouders voor een bepaald pedagogisch continuüm.

B.16.5. Het staat niet aan het Hof te bepalen of de waarde van de factor voor het taalbadonderwijs groter zou moeten zijn. In dat opzicht staat het aan de decreetgever, die over de werking van de bij het bestreden decreet opgelegde inschrijvingsprocedure verduidelijkingen zal moeten krijgen vanwege de netoverschrijdende inschrijvingscommissie en de begeleidingscommissie die is opgericht bij het decreet van 27 maart 2002 betreffende de begeleiding van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap, met toepassing van artikel 37 van het bestreden decreet, te evalueren of de factor 1,18 voldoende is om het doel te bereiken dat erin bestaat aan de leerlingen die sinds het derde leerjaar van het lager onderwijs een taalbadonderwijs hebben gevolgd, voor zover mogelijk de kans te bieden dat onderwijs verder te volgen in het secundair onderwijs.

B.16.6. Het middel is niet gegrond.

Wat betreft het criterium voor het maken van een keuze uit de leerlingen met eenzelfde samengesteld indexcijfer (zesde middel in de zaak nr. 5002)

B.17.1. Het zesde middel in de zaak nr. 5002 is gericht tegen artikel 79/18 van het decreet van 24 juli 1997, ingevoegd bij artikel 26 van het bestreden decreet, dat bepaalt :

« Wanneer verschillende leerlingen, voor de toekenning van de beschikbare plaatsen, hetzelfde samengestelde indexcijfer hebben, worden ze gerangschikt in opklimmende volgorde van het sociaal-economische indexcijfer van hun wijk van afkomst. Wanneer het onmogelijk is om het sociaal-economische indexcijfer van de wijk van afkomst van een leerling te bepalen, kent de administratie hem het gemiddelde sociaal-economische indexcijfer toe van de wijk van afkomst van de leerlingen die hetzelfde samengestelde indexcijfer hebben.

[...] ».

De verzoekende partijen zijn van mening dat die bepaling een verschil in behandeling teweegbrengt dat strijdig is met de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, in zoverre de administratie van de Franse Gemeenschap in de onmogelijkheid zou verkeren het sociaaleconomische indexcijfer te bepalen van de wijken van herkomst in het Vlaamse Gewest, zodat alle leerlingen die hun woonplaats in het Vlaamse Gewest hebben en hun onderwijs willen voortzetten in een inrichting voor secundair onderwijs die door de Franse Gemeenschap is ingericht of gesubsidieerd, automatisch een gemiddeld sociaaleconomisch indexcijfer zouden krijgen dat volkomen losstaat van hun persoonlijke sociaaleconomische indexcijfer.

B.17.2. Artikel 79/1, 5°, ingevoegd bij artikel 3 van het bestreden decreet, geeft aan dat het sociaaleconomische indexcijfer van de wijk van herkomst van de leerling datgene is dat is « toegekend aan de statistische sector van de woonplaats van de leerling bepaald in artikel 3 van het [...] decreet van 30 april 2009 [houdende organisatie van een gedifferentieerde omkadering binnen de schoolinrichtingen van de Franse Gemeenschap om alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te bieden in een kwaliteitsvolle pedagogische omgeving] ».

B.17.3. Artikel 3 van het decreet van 30 april 2009 geeft aan dat de berekening van het sociaaleconomische indexcijfer van elke wijk steunt op een interuniversitaire studie die tot doel heeft dat indexcijfer te bepalen volgens een door de Regering gedefinieerde formule op basis van statistische sectoren die overeenstemmen met elke kleinste territoriale onderverdeling bepaald door de algemene directie Statistiek en Economische Informatie van de Federale Overheidsdienst Economie, Kleine en Middelgrote Ondernemingen, Middenstand en Energie.

B.17.4. Zoals de Franse Gemeenschapsregering bevestigt, beschikt zij derhalve over de statistische gegevens van het hele grondgebied en is zij in staat het sociaaleconomische indexcijfer te bepalen van de wijk van herkomst van leerlingen die hun woonplaats in het Vlaamse Gewest hebben. Voor het overige is het Hof niet bevoegd om kennis te nemen van het eventuele, door de verzoekende partijen aangeklaagde « onvermogen van de administratie ».

B.17.5. Het middel is niet gegrond.

Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen

B.18. Een retroactieve vernietiging van de bepalingen van het bestreden decreet zou een rechtsonzekerheid tot stand brengen ten aanzien van de gevolgen ervan sinds de aanvang van het schooljaar op 1 september 2010. De gevolgen die het decreet op die datum heeft doen ontstaan, dienen bijgevolg definitief te worden gehandhaafd.

Bovendien zou de vernietiging met onmiddellijke ingang de discriminatie waaraan zij een einde wil maken, verergeren indien het decreet zou worden toegepast vooraleer de decreetgever de gelegenheid heeft gehad daaraan tegemoet te komen door nieuwe bepalingen aan te nemen. Bijgevolg dienen de gevolgen van de vernietigde bepaling te worden gehandhaafd totdat de decreetgever nieuwe bepalingen aanneemt en dit uiterlijk tot 31 december 2011.

Om die redenen,

het Hof

- vernietigt artikel 79/17, § 1, tweede lid, 3°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, zoals ingevoegd bij artikel 25 van het decreet van 18 maart 2010;

- handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling totdat de decreetgever nieuwe bepalingen aanneemt en dit uiterlijk tot 31 december 2011;

- onder voorbehoud van de in B.9.5 vermelde interpretatie, verwerpt de beroepen voor het overige.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 13 januari 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

M. Melchior

Vrije woorden

  • Beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 maart 2010 « tot wijziging van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, op het gebied van de inschrijvingen in het eerste jaar van het secundair onderwijs », ingesteld door de gemeente Villers-la-Ville en anderen en door Annabelle Daussaint en anderen. Publiek recht

  • Onderwijs

  • Franse Gemeenschap

  • Secundair onderwijs

  • Eerste graad

  • Inschrijving

  • 1. Percentage van de plaatsen voorbehouden aan de leerlingen met een zwakke sociaaleconomische index

  • Criterium

  • 2. Prioriteit

  • Ouder die een functie in de onderwijsinrichting uitoefent

  • 3. Rangschikking van de overtallige aanvragen

  • Samengesteld indexcijfer

  • a. Factoren voor de berekening

  • i. Afstand tussen de lagere school van herkomst en de woonplaats

  • Inwerkingtreding

  • ii. Afstand tussen de gekozen inrichting voor secundair onderwijs en de woonplaats

  • iii. Afstand tussen de lagere school van herkomst en de gekozen inrichting voor secundair onderwijs

  • Inachtneming van de inrichtingen die tot hetzelfde net behoren

  • iv. Voortzetting van het taalbadonderwijs

  • b. Wijze waarop de afstanden worden berekend

  • Afstand in vogelvlucht

  • c. Maken van een keuze in geval van gelijkwaardige samengestelde indexcijfers

  • Sociaal-economisch indexcijfer van de wijk van herkomst. # Rechten en vrijheden

  • Vrijheid van onderwijs

  • Keuzevrijheid van de ouders.