- Arrest van 24 februari 2011

24/02/2011 - 29/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- Artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu schendt de bevoegdheidverdelende regels niet.

- Artikel 1 van dezelfde wet, in samenhang gelezen met artikel 194 van het Gemeentedecreet van het Vlaamse Gewest van 15 juli 2005, schendt de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet niet.

- De artikelen 1 en 3 van dezelfde wet schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 16 maart 2010 in zake de stad Hasselt en Johan Verhelst tegen de nv « Alva Immo » en de nv « Alva Verse Vruchten », en mede in zake het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 maart 2010, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Schendt artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu juncto artikel 194 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 de artikelen 10 en 11 (gelijkheid en niet-discriminatie), artikel 23 (recht op juridische bijstand) van de Grondwet en het grondwettelijk beginsel van de bijstand door een vrij gekozen advocaat, in die zin dat inwoners van een gemeente een milieustakingsvordering zouden kunnen instellen namens de gemeente terwijl de gemeente niet de mogelijkheid heeft om zich in die procedure te laten bijstaan door een zelf gekozen advocaat ? »;

2. « Schendt artikel 1, lid 1, van de milieustakingswet van 12 januari 1993 artikel 134 van de Grondwet in samenhang met artikel 6 I, 1°, van de bijzondere wet op de hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 doordat het de mogelijkheid biedt aan een overheid om ten allen tijde een herstelvordering in te leiden, terwijl de Vlaamse decreetgever uitdrukkelijk voor dergelijke vorderingen een verjaringstermijn kan en heeft voorzien op grond van zijn grondwettelijke gewaarborgde bevoegdheid inzake stedenbouw ?

Schendt artikel 1, lid 1, van de milieustakingswet van 12 januari 1993 artikel 134 van de Grondwet in samenhang met artikel 6 I, 1°, van de bijzondere wet op de hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980 doordat zij de mogelijkheid biedt aan een overheid om een herstelvordering in te leiden die vergelijkbaar is met degene voorzien in artikel 149 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, terwijl het Vlaamse Gewest bevoegd is om de voorwaarden en modaliteiten van dergelijke vordering uit te werken ?

Schendt artikel 1, lid 1, van de milieustakingswet van 12 januari 1993 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat via deze bepaling een particulier kan gedagvaard worden tot het nemen van een herstelmaatregel zonder enige voorafgaande vormelijke voorwaarde die geldt voor de bevoegde overheid, terwijl hij op grond van artikel 149 van het decreet ruimtelijke ordening minstens een voorafgaande administratieve rechtshandeling heeft en een verplicht voorafgaand advies vanwege de Hoge Raad voor het handhavingsbeleid ? »;

3. « Schenden de artikelen 1 en 3 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat een gedaagde in de stakingsprocedure, op grond van deze wet geen tegenvordering zou kunnen stellen, terwijl het Gerechtelijk Wetboek dit recht in het algemeen aan iedere gedaagde toekent ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De artikelen 1 en 3 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu bepalen :

« Artikel 1. Onverminderd de bevoegdheid van andere rechtscolleges op basis van andere wetsbepalingen, stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, op verzoek van de procureur des Konings, van een administratieve overheid of van een rechtspersoon zoals omschreven in artikel 2, het bestaan vast van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling, die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu.

Hij kan de staking bevelen van handelingen waarvan de uitvoering reeds is begonnen of maatregelen opleggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu. Voor elk debat over de grond van de zaak moet een verzoeningspoging plaatshebben.

De voorzitter kan aan de overtreder een termijn toestaan om aan de opgelegde maatregelen te voldoen ».

« Art. 3. De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding overeenkomstig de artikelen 1035 tot 1038, 1040 en 1041 van het Gerechtelijk Wetboek.

Zij kan eveneens ingesteld worden bij verzoekschrift. Dit wordt in vier exemplaren neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg of aan deze griffie verzonden bij een ter post aangetekende brief.

De griffier van de rechtbank verwittigt onverwijld de tegenpartij bij gerechtsbrief en nodigt haar uit te verschijnen ten vroegste drie dagen en ten laatste acht dagen na het verzenden van de gerechtsbrief, waarbij een exemplaar van het inleidend verzoekschrift is gevoegd.

Op straffe van nietigheid vermeldt het verzoekschrift :

1. de dag, de maand en het jaar;

2. de benaming en de zetel van de vereniging;

3. de naam en het adres van de rechtspersoon of van de natuurlijke persoon tegen wie de vordering wordt ingesteld;

4. het onderwerp en de uiteenzetting van de middelen van de vordering;

5. de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.

Over de vordering wordt uitspraak gedaan niettegenstaande enige strafvervolging uitgeoefend wegens dezelfde feiten.

De uitspraak over de strafvordering die betrekking heeft op feiten waartegen een vordering tot staking is ingesteld, wordt uitgesteld totdat inzake de vordering tot staking een beslissing is gewezen die in kracht van gewijsde is gegaan.

Tijdens het uitstel wordt de verjaring van de strafvordering geschorst.

Er kan ook uitspraak worden gedaan over een tegenvordering wegens tergend en roekeloos geding ».

B.1.2. Artikel 194 van het Gemeentedecreet van het Vlaamse Gewest van 15 juli 2005, zoals gewijzigd bij artikel 5 van het decreet van 14 maart 2008 « houdende wijziging van het gemeentedecreet wat betreft de bevoegdheid van een gemeentelijk beslissingsorgaan om in rechte op te treden », bepaalt :

« Als het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad niet in rechte optreden, kunnen een of meer inwoners in rechte optreden namens de gemeente, mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken.

Dit recht staat ook open voor de rechtspersonen waarvan de maatschappelijke zetel in de gemeente is gevestigd.

De gemeente kan over het geding geen dading aangaan of er afstand van doen zonder instemming van degene die het geding in haar naam heeft gevoerd ».

B.2.1. Aan het Hof worden meerdere prejudiciële vragen gesteld waarvan sommige betrekking hebben op de overeenstemming van de in het geding zijnde bepalingen met de bevoegdheidverdelende regels, en andere op de bestaanbaarheid ervan met de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 2°, die deel uitmaken van titel II, van de Grondwet.

B.2.2. Het onderzoek van de overeenstemming van een wetskrachtige bepaling met de bevoegdheidverdelende regels moet in beginsel dat van de bestaanbaarheid ervan met de bepalingen van titel II en met de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet voorafgaan.

Het Hof beantwoordt derhalve eerst de vragen betreffende de bevoegdheidverdelende regels.

Ten aanzien van de bevoegdheidverdelende regels

B.3.1. Met de eerste twee onderdelen van de tweede prejudiciële vraag beoogt het verwijzende rechtscollege te vernemen of artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 in overeenstemming is met artikel 134 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, § 1, I, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, doordat, enerzijds, een administratieve overheid te allen tijde een « herstelvordering » kan inleiden, terwijl de Vlaamse decreetgever voor dergelijke vorderingen heeft voorzien in een verjaringstermijn op grond van zijn bevoegdheid inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening (eerste onderdeel), en anderzijds, een administratieve overheid een vordering kan inleiden die vergelijkbaar waarin is voorzien in artikel 149 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (thans artikel 6.1.41 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009), terwijl het Vlaamse Gewest bevoegd is om de voorwaarden en de modaliteiten van een dergelijke vordering nader te regelen (tweede onderdeel).

B.3.2. Het verwijzende rechtscollege wenst van het Hof bijgevolg te vernemen of artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 een schending inhoudt van de bevoegdheidverdelende regels doordat die bepaling het handhavingsbeleid van de gewesten inzake ruimtelijke ordening doorkruist.

De bepaling moet worden getoetst aan de bevoegdheidverdelende regels zoals die van toepassing waren op het tijdstip waarop zij werd aangenomen.

B.4.1. Artikel 107quater, tweede en derde lid, (thans artikel 39) van de Grondwet bepaalde :

« De wet draagt aan de gewestelijke organen welke zij opricht en welke samengesteld zijn uit verkozen mandatarissen de bevoegdheid op om de aangelegenheden te regelen welke zij aanduidt met uitsluiting van die bedoeld in de artikelen 23 en 59bis en dit binnen de omschrijving en op de wijze die zij bepaalt.

Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid van stemmen in elke taalgroep van elke Kamer, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en voor zover het totaal van de ja-stemmen in beide taalgroepen de tweederde van de uitgebrachte stemmen bereikt ».

Artikel 26bis (thans artikel 134) van de Grondwet bepaalde :

« De wetten genomen in uitvoering van artikel 107quater bepalen de rechtskracht van de regelen die de organen, welke zij oprichten, nemen in de aangelegenheden, welke zij aanduiden.

Zij kunnen aan deze organen de bevoegdheid toekennen om decreten met kracht van wet te nemen binnen de omschrijving en op de wijze die zij bepalen ».

B.4.2. Artikel 6, § 1, I, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalde :

« De aangelegenheden bedoeld in artikel 107quater van de Grondwet zijn :

I. Wat de ruimtelijke ordening betreft :

1° De stedenbouw en de ruimtelijke ordening ».

Artikel 11 van dezelfde bijzondere wet bepaalde :

« Binnen de grenzen van de bevoegdheden van de Gewesten en de Gemeenschappen kunnen de decreten de niet-naleving van hun bepalingen strafbaar stellen en de straffen wegens de niet-naleving bepalen overeenkomstig Boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van de criminele straffen bepaald in artikel 7 van dat Wetboek ».

B.4.3. Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. Behoudens andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het gehele beleid inzake de door hem toegewezen aangelegenheden aan de gemeenschappen en gewesten overgedragen.

B.4.4. Artikel 19, § 1, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalde evenwel, vóór de wijziging ervan bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 :

« Het decreet regelt de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 4 tot 11, onverminderd de bevoegdheden die door de Grondwet aan de wet zijn voorbehouden ».

Hieruit vloeide voort dat de decreetgever, behoudens het geval waarin een bijzondere en uitdrukkelijke machtiging was verleend bij de wetten tot hervorming der instellingen, de aangelegenheden die hem waren toegewezen, slechts vermocht te regelen op voorwaarde dat hij geenszins inbreuk zou maken op de bevoegdheden die de Grondwet aan de wet voorbehoudt.

Vóór de wijziging, bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, van artikel 19, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, kon de mogelijkheid die de decreetgevers bij artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, gewijzigd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, is geboden en die erin bestaat dat hun decreten, indien dit noodzakelijk is voor het uitoefenen van de gemeenschaps- of gewestbevoegdheden, rechtsbepalingen kunnen bevatten in aangelegenheden waarvoor zij niet bevoegd zijn, geen toepassing vinden op bevoegdheden die de Grondwet aan de wet voorbehoudt.

B.5.1. Artikel 94 (thans artikel 146) van de Grondwet bepaalde :

« Geen rechtbank, geen met eigenlijke rechtspraak belast orgaan kan worden ingesteld dan krachtens een wet. [...] ».

B.5.2. De omschrijving van de bevoegdheden van de rechtbanken behoorde - op grond van artikel 19, § 1, eerste lid, van voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals dat artikel was gesteld op het tijdstip waarop de in het geding zijnde bepaling was aangenomen, in samenhang gelezen met het toen geldende artikel 94 van de Grondwet - tot de uitsluitende bevoegdheid van de federale wetgever. Het vaststellen van procedureregels voor de rechtscolleges komt in beginsel aan de federale wetgever toe op grond van zijn residuaire bevoegdheid.

B.5.3. Daaruit volgt dat de federale wetgever, op het tijdstip waarop de in het geding zijnde bepaling werd aangenomen, vermocht te bepalen dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is om het bestaan vast te stellen van een handeling die een kennelijke inbreuk is - of een ernstige dreiging daarvan - op de regelgeving inzake de bescherming van het leefmilieu. Hetzelfde geldt voor de daarop van toepassing zijnde verjaringstermijn.

B.6.1. Artikel 1, tweede lid, van de wet van 12 januari 1993 verleent de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ook de bevoegdheid om de staking te bevelen van handelingen waarvan de uitvoering reeds is begonnen of maatregelen op te leggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu.

Uit de feiten en de motivering van zijn arrest blijkt dat het verwijzende rechtscollege die bepaling aan het Hof voorlegt in de interpretatie dat zij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg bevoegd maakt om herstelmaatregelen en exploitatieverboden op te leggen.

B.6.2. De uitoefening door de gewesten van hun bevoegdheid inzake ruimtelijke ordening en leefmilieu veronderstelt dat zij in die aangelegenheden de nodige handhavingsmaatregelen kunnen bepalen.

Het verwijzende rechtscollege stelt in dat verband vast dat het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (thans Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009) het instellen van een herstelvordering onderwerpt aan bepaalde voorwaarden en modaliteiten, waaronder een voorafgaande advisering door de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid en termijnen waarbinnen die vordering dient te worden ingeleid.

B.6.3. Uit de bewoordingen van artikel 1, tweede lid, van de wet van 12 januari 1993 blijkt evenwel dat de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg inzonderheid erop is gericht manifeste milieuovertredingen te doen ophouden of te voorkomen. De wet voorziet aldus in een snel en efficiënt handhavingsinstrument dat aanvullend is ten aanzien van de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke middelen ter handhaving van de wetgeving inzake leefmilieu en ruimtelijke ordening.

Hoewel het bepalen van de maatregelen die een rechter vermag te bevelen in beginsel toekomt aan de overheid die bevoegd is voor de aangelegenheid waarop die maatregel betrekking heeft, kan het doen ophouden of voorkomen van onwettige handelingen in het algemeen worden geacht tot de essentie van de bevoegdheden van de rechtbanken te behoren, waarvoor de federale wetgever bevoegd is. Bij wijze van gevolgtrekking is de federale wetgever, op grond van de hiervoor uiteengezette bevoegdheidsverdeling, eveneens bevoegd om te bepalen wie de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg om dergelijke maatregelen kan verzoeken en op welke wijze de vordering wordt ingesteld en behandeld.

In de uitoefening van zijn bevoegdheid dient de federale wetgever evenwel het evenredigheidsbeginsel, dat inherent is aan elke bevoegdheidsuitoefening, te eerbiedigen.

B.6.4. Nu het opleggen van herstelmaatregelen, wat de reeds voltrokken overtredingen betreft die geen verdere schade aan het leefmilieu veroorzaken, aan de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ontsnapt, laat zijn optreden de beoordelingsruimte die de bevoegde gewestelijke overheden genieten inzake de keuze van de herstelmaatregelen, onaangetast.

Bovendien bepaalt de in het geding zijnde wet uitdrukkelijk dat de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van andere rechtscolleges op basis van andere wetsbepalingen.

Uit hetgeen voorafgaat volgt dat artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. Het optreden van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg lijkt integendeel het handhavingsbeleid van de gewesten inzake leefmilieu en ruimtelijke ordening slechts te kunnen versterken.

B.7. De eerste twee onderdelen van de tweede prejudiciële vraag dienen ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet

Wat de eerste prejudiciële vraag betreft

B.8. Met de eerste prejudiciële vraag beoogt het verwijzende rechtscollege te vernemen of artikel 1 van de wet van 12 januari 1993, in samenhang gelezen met artikel 194 van het Gemeentedecreet, bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet en met het « beginsel van de bijstand door een vrij gekozen advocaat », doordat, wanneer een inwoner van een gemeente een vordering zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 inleidt namens de gemeente, de gemeente niet de mogelijkheid heeft om zich in die procedure te laten bijstaan door een zelf gekozen advocaat.

B.9. Artikel 194 van het Gemeentedecreet gaat terug op artikel 271, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet.

Volgens de parlementaire voorbereiding van artikel 150 van de Gemeentewet van 30 maart 1836 beoogde die bepaling het geval waarbij de gemeente weigert op te treden en inbreuken laat geschieden ten koste van bepaalde inwoners (Pasin., 1836, p. 388). Aldus worden de belangen van de gemeente beschermd tegen het stilzitten van haar eigen bestuur.

B.10. Een inwoner van een gemeente die op grond van artikel 194 van het Gemeentedecreet in rechte optreedt, treedt niet op uit eigen naam, maar enkel uit naam en als vertegenwoordiger van de gemeente. De vordering dient te steunen op een recht van de gemeente en heeft tot doel een collectief belang te verdedigen. Bijgevolg vermag een inwoner van een gemeente slechts namens haar in rechte op te treden voor zover de gemeente in kwestie zelf een ontvankelijke vordering kan instellen.

B.11. Artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993 verleent een vorderingsrecht inzake de bescherming van het leefmilieu aan onder meer een « administratieve overheid ». Tot de administratieve overheden bedoeld in artikel 1 van de wet behoren de gemeenten. Bijgevolg kan een gemeente op grond van die bepaling een vordering tot staking instellen ter bescherming van het leefmilieu of ter voorkoming van een ernstige dreiging voor het leefmilieu op haar grondgebied voor zover die bescherming van dat aspect van het leefmilieu tot haar bevoegdheid behoort (Cass., 14 februari 2002, Arr. Cass., 2002, nr. 104).

B.12. Uit de combinatie van de in het geding zijnde bepalingen volgt dat een inwoner een vordering tot staking namens de gemeente kan instellen, als het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad nalaten dat te doen. Vermits die vordering « namens de gemeente » wordt ingesteld, treedt die inwoner in dat geval op als vertegenwoordiger van de gemeente en komt het hem toe een raadsman te kiezen om de gemeente te laten bijstaan in de procedure. De in het geding zijnde bepalingen beperken daarbij niet de mogelijkheid van de door een inwoner vertegenwoordigde gemeente om zich in de procedure te laten bijstaan door een zelf gekozen advocaat.

B.13. Het feit dat een vordering is ingeleid namens de gemeente door een inwoner, belet evenwel niet dat het college van burgemeester en schepenen het recht heeft om zelf een raadsman te kiezen en aan te stellen.

B.14. De in het geding zijnde bepalingen beperken bijgevolg het recht van de gemeente om vrij een raadsman te kiezen niet.

B.15. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Wat het derde onderdeel van de tweede prejudiciële vraag betreft

B.16. Met het derde onderdeel van de tweede prejudiciële vraag beoogt het verwijzende rechtscollege te vernemen of artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat een verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen private personen ten aanzien van wie een administratieve overheid een « herstelmaatregel » vordert, naargelang dit gebeurt op grond van artikel 149 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (thans artikel 6.1.41 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009), dan wel op grond van de in het geding zijnde bepaling : terwijl de vordering in het eerste geval een administratieve rechtshandeling is, die bijgevolg moet voldoen aan de voor zulke handelingen geldende voorwaarden en bovendien is onderworpen aan een voorafgaand advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, is de vordering in het tweede geval niet onderworpen aan soortgelijke vormelijke voorwaarden.

B.17. Bij het onderzoek van de prejudiciële vragen betreffende de overeenstemming van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 met de bevoegdheidverdelende regels is gebleken, enerzijds, dat de federale wetgever, op het tijdstip waarop de in het geding zijnde bepaling werd aangenomen, de erin bedoelde procedure vermocht in te voeren, alsmede de modaliteiten ervan vermocht te regelen, en anderzijds, dat de gewesten in het kader van hun bevoegdheid inzake ruimtelijke ordening en leefmilieu handhavingsmaatregelen kunnen bepalen.

B.18. Het in de prejudiciële vraag bedoelde verschil in behandeling vindt bijgevolg zijn oorsprong in de toepassing van normen van verschillende bevoegde wetgevers in verschillende aangelegenheden.

Een zodanig verschil kan op zich niet worden geacht strijdig te zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. De autonomie die aan de federale wetgever is toegekend bij het regelen van de in de wet van 12 januari 1993 bedoelde procedure, zou geen betekenis hebben indien in analoge aangelegenheden een verschil in behandeling tussen adressaten van, enerzijds, federale regels en, anderzijds, gewestelijke regels als zodanig strijdig zou worden geacht met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

B.19. Het derde onderdeel van de tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Wat de derde prejudiciële vraag betreft

B.20. Met de derde prejudiciële vraag beoogt het verwijzende rechtscollege te vernemen of de artikelen 1 en 3 van de wet van 12 januari 1993 bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de verweerder in een stakingsprocedure geen tegenvordering kan instellen, behoudens die wegens tergend en roekeloos geding, terwijl het Gerechtelijk Wetboek dat recht in het algemeen aan iedere verweerder toekent.

B.21.1. De Vlaamse Regering betwist de stelling dat geen andere tegenvordering dan die wegens tergend en roekeloos geding zou kunnen worden ingesteld in de procedure bedoeld in de wet van 12 januari 1993. Zij is van oordeel dat, ofschoon de memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de voormelde wet, vermeldt dat « de voorzitter [...] onmogelijk [...] een tegenvordering ontvankelijk [kan] verklaren » (Parl. St., Senaat, 1990-1991, nr. 1232/1, p. 5), in de bevoegde commissie van de Senaat afstand werd genomen van dat standpunt (Parl. St., Senaat, 1990-1991, nr. 1232/2, pp. 63-64).

B.21.2. Indien de in het geding zijnde bepalingen in die zin zouden moeten worden geïnterpreteerd dat ook andere tegenvorderingen dan die wegens tergend en roekeloos geding ontvankelijk kunnen worden ingeleid in de in de wet van 12 januari 1993 bedoelde procedure, zouden die bepalingen het in de prejudiciële vraag aangehaalde verschil in behandeling niet in het leven roepen en zou die vraag ontkennend moeten worden beantwoord.

B.22. Het staat evenwel in de regel aan de verwijzende rechter om de bepalingen die hij toepast, te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van die bepalingen, wat, rekening houdend met het bepaalde in artikel 3, laatste lid, van de wet van 12 januari 1993, met de aard van de desbetreffende procedure en met het feit dat de parlementaire voorbereiding niet eenduidig blijkt te zijn, te dezen niet het geval is.

B.23. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.24. De omstandigheid dat geen andere tegenvordering dan die wegens tergend en roekeloos geding kan worden ingesteld in de in de wet van 12 januari 1993 geregelde procedure, brengt geen onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen met zich mee. Zij kunnen hun vordering immers alsnog aanhangig maken bij de bevoegde rechtsinstanties volgens de gemeenrechtelijke procedureregels. Rekening houdend met het feit dat de wetgever met de in de wet van 12 januari 1993 geregelde procedure een snel en efficiënt handhavingsinstrument heeft beoogd, is het overigens niet kennelijk onredelijk dat de debatten voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg worden beperkt tot de vraag of er al dan niet sprake is van een kennelijke inbreuk of van een ernstige dreiging voor een inbreuk op de regelgeving betreffende de bescherming van het leefmilieu, de maatregelen die dientengevolge moeten worden genomen en, in voorkomend geval, de daarmee samenhangende vraag of de vordering al dan niet als tergend en roekeloos dient te worden beschouwd.

B.25. De derde prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu schendt de bevoegdheidverdelende regels niet.

- Artikel 1 van dezelfde wet, in samenhang gelezen met artikel 194 van het Gemeentedecreet van het Vlaamse Gewest van 15 juli 2005, schendt de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet niet.

- De artikelen 1 en 3 van dezelfde wet schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 24 februari 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over de artikelen 1 en 3 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Grondwettelijk recht

  • 1. Bevoegdheden van de gewesten

  • Leefmilieu en ruimtelijke ordening

  • a. Handhavingsbeleid

  • b. Herstelmaatregelen

  • 2. Federale bevoegdheden

  • Bevoegdheden van de rechtscolleges

  • Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg

  • Manifeste milieuovertredingen

  • a. Vorderingsrecht

  • b. Evenredigheidsbeginsel. # Leefmilieu

  • Bescherming van het leefmilieu

  • Vordering tot staking

  • 1. Bijstand van een raadsman

  • Inwoner van een gemeente die namens die gemeente in rechte optreedt

  • 2. Rechtspleging. # Rechten en vrijheden

  • Economische, sociale en culturele rechten

  • Recht op juridische bijstand.