- Arrest van 30 maart 2011

30/03/2011 - 45/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

In zoverre het de mogelijkheid om de termijn van hoger beroep tegen de door de rechtbank van eerste aanleg gewezen beslissing te doen ingaan uitsluitend voorbehoudt aan de procureur des Konings, schendt artikel 12bis, § 4, derde lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 25 maart 2010 in zake de procureur-generaal tegen F.K., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 maart 2010, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 12bis, § 4, derde lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, krachtens hetwelk het door de rechtbank van eerste aanleg gewezen vonnis aan de belanghebbende ter kennis wordt gebracht door toedoen van de procureur des Konings, terwijl de belanghebbende en de procureur des Konings, binnen 15 dagen na de kennisgeving, hoger beroep kunnen instellen tegen die beslissing, de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelet op het feit dat aan de procureur des Konings geen enkele termijn wordt opgelegd om over te gaan tot de kennisgeving, die hij dus langdurig of zelfs oneindig zou kunnen uitstellen, en dat bovendien de vreemdeling zelf niet het initiatief kan nemen om de termijn van hoger beroep te laten lopen door de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg aan de procureur des Konings te betekenen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit.

Die bepaling - waarvan enkel paragraaf 4, derde lid, in het geding is - luidt :

« § 1. De Belgische nationaliteit kunnen verkrijgen door een verklaring af te leggen overeenkomstig § 2 van dit artikel, indien zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt :

1° de in België geboren vreemdeling, die er sedert zijn geboorte zijn hoofdverblijf heeft;

2° de vreemdeling van wie een ouder of adoptant de Belgische nationaliteit bezit op het tijdstip van de verklaring, voor zover de adoptie gevolgen heeft voordat de geadopteerde de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is vóór die leeftijd. Indien de aangever zijn hoofdverblijfplaats in het buitenland heeft, moet hij aantonen werkelijke banden met zijn Belgische ouder of adoptant te hebben bewaard en moet deze ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats in België hebben op het tijdstip van de verklaring;

3° de vreemdeling die zich kan beroepen op zeven jaar hoofdverblijfplaats in België gedekt door een wettelijk verblijf en die op het tijdstip van de verklaring gemachtigd of toegelaten werd tot een verblijf van onbeperkte duur.

§ 2. De verklaring wordt tegen ontvangstbewijs afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de aangever zijn hoofdverblijf heeft. Uiterlijk binnen de vijf werkdagen die volgen op deze verklaring, wordt zodra het dossier volledig is, een afschrift hiervan, samen met een afschrift van het ontvangstbewijs, door de ambtenaar van de burgerlijke stand voor advies overgezonden aan het parket van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied. De procureur des Konings geeft hiervan onverwijld ontvangstmelding.

Op hetzelfde ogenblik dat de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de procureur des Konings een afschrift van het dossier overzendt, zendt hij eveneens een afschrift aan de dienst Vreemdelingenzaken en de Veiligheid van de Staat.

In het geval voorzien in § 1, 2°, en indien de aangever zijn hoofdverblijf in het buitenland heeft, wordt zijn verklaring afgelegd voor het hoofd van de diplomatieke zending of de Belgische beroepsconsulaire post van deze hoofdverblijfplaats. Uiterlijk binnen vijf werkdagen die volgen op deze verklaring, wordt een afschrift hiervan, samen met een afschrift van het ontvangstbewijs, door het hoofd van de diplomatieke zending of de beroepsconsulaire post van deze verblijfplaats voor advies overgezonden aan het parket van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

De procureur des Konings geeft hiervan onverwijld ontvangstmelding.

Op hetzelfde ogenblik dat het hoofd van de diplomatieke zending of de Belgische beroepsconsulaire post aan de procureur des Konings een afschrift van het dossier overzendt, zendt hij eveneens een afschrift aan de dienst Vreemdelingenzaken en de Veiligheid van de Staat.

Binnen een termijn van vier maanden te rekenen van de verklaring afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand bedoeld in het eerste lid of binnen dezelfde termijn verlengd met vijftien dagen te rekenen van de verklaring afgelegd voor het hoofd van de diplomatieke zending of de Belgische beroepsconsulaire post, kan de procureur des Konings een negatief advies uitbrengen inzake de verkrijging van de Belgische nationaliteit wanneer er een beletsel is wegens gewichtige feiten, eigen aan de persoon, die hij in de motivering van zijn advies dient te omschrijven, of wanneer de grondvoorwaarden bedoeld in § 1, die hij moet vermelden, niet vervuld zijn.

Als bij miskenning van het eerste lid, de laattijdige overzending van de verklaring plaatsheeft in de loop van de laatste maand van de termijn, dan wordt deze van ambtswege verlengd met één maand te rekenen vanaf de overzending van het dossier aan het parket.

Indien hij meent geen negatief advies te moeten uitbrengen, zendt hij een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. De verklaring wordt onmiddellijk ingeschreven en vermeld zoals bepaald in artikel 22, § 4.

Bij het verstrijken van de termijn van vier maanden, eventueel verlengd overeenkomstig het zesde lid en bij ontstentenis van een negatief advies van de procureur des Konings of overzending van een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht, wordt de verklaring ambtshalve ingeschreven en vermeld zoals bepaald in artikel 22, § 4. Bij gebreke aan overzending bedoeld in het eerste lid, heeft er echter geen inschrijving plaats en brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand de belanghebbende daarvan onmiddellijk op de hoogte.

Van de inschrijving wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis gegeven aan de belanghebbende.

De verklaring heeft gevolg vanaf de inschrijving.

§ 3. Het negatieve advies moet met redenen zijn omkleed. Het wordt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en, bij een ter post aangetekende brief, aan de belanghebbende betekend door toedoen van de procureur des Konings.

De procureur des Konings, of de ambtenaar van de burgerlijke stand in het geval als bedoeld in § 2, achtste lid, laatste zin, deelt aan de belanghebbende mee, tenzij deze de aanhangigmaking bij de rechtbank vraagt overeenkomstig § 4, dat zijn dossier door de ambtenaar van de burgerlijke stand zal worden overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers, zodat de belanghebbende bij de griffie van de Kamer van volksvertegenwoordigers een memorie van antwoord kan indienen binnen een maand.

De ambtenaar van de burgerlijke stand zendt het dossier van de belanghebbende, alsook, desgevallend, het negatieve advies van de procureur des Konings, over aan de Kamer van volksvertegenwoordigers of, bij toepassing van § 4, aan de rechtbank van eerste aanleg. De overzending aan de Kamer van volksvertegenwoordigers geldt als naturalisatieaanvraag waarover de Kamer van volksvertegenwoordigers beslist overeenkomstig artikel 21, § 4.

§ 4. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van de informatie bedoeld in § 2, achtste lid, laatste zin, of het negatieve advies bedoeld in § 3, kan de belanghebbende bij een ter post aangetekende brief aan de ambtenaar van de burgerlijke stand vragen zijn dossier over te zenden aan de rechtbank van eerste aanleg.

De rechtbank van eerste aanleg doet, na de belanghebbende te hebben gehoord of opgeroepen, uitspraak over de gegrondheid van het negatieve advies of van de verklaring in geval van toepassing van § 2, achtste lid, laatste zin. De beslissing wordt met redenen omkleed.

De beslissing wordt aan de belanghebbende ter kennis gebracht door toedoen van de procureur des Konings. De belanghebbende en de procureur des Konings kunnen binnen vijftien dagen na de kennisgeving hoger beroep instellen tegen de beslissing, bij een aan het hof van beroep gericht verzoekschrift. De verlenging van de termijnen wegens de gerechtelijke vakantie geschiedt overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Dit hof doet uitspraak na het advies van de procureur-generaal te hebben ingewonnen en de belanghebbende te hebben gehoord of opgeroepen.

De dagvaardingen en kennisgevingen geschieden langs administratieve weg.

Het beschikkend gedeelte van de onherroepelijke beslissing waarbij het negatieve advies ongegrond wordt verklaard, wordt door toedoen van het openbaar ministerie aan de ambtenaar van de burgerlijke stand gezonden. De verklaring wordt onmiddellijk ingeschreven en vermeld zoals bepaald bij artikel 22, § 4. Paragraaf 2, vijfde en zesde lid is eveneens van toepassing ».

B.2. De verwijzende rechter vraagt aan het Hof of artikel 12bis, § 4, derde lid, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, « gelet op het feit dat aan de procureur des Konings geen enkele termijn wordt opgelegd om over te gaan tot de kennisgeving [van het door de rechtbank van eerste aanleg gewezen vonnis], die hij dus langdurig of zelfs oneindig zou kunnen uitstellen, en dat bovendien de vreemdeling zelf niet het initiatief kan nemen om de termijn van hoger beroep te laten lopen door de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg aan de procureur des Konings te betekenen ».

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.3.1. Het oorspronkelijke artikel 12bis is in het Wetboek van de Belgische nationaliteit ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 13 juni 1991 « tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van de artikelen 569 en 628 van het Gerechtelijk Wetboek ».

In de parlementaire voorbereiding worden het door de wetgever nagestreefde doel en de beginselen die hij inzonderheid met de aanneming van die bepaling in aanmerking heeft genomen als volgt toegelicht :

« Het ter bespreking liggende ontwerp voegt aan het Wetboek van de Belgische nationaliteit een aantal bepalingen toe waardoor migranten van de tweede en de derde generatie gemakkelijker de Belgische nationaliteit kunnen verwerven.

[...]

Voor de kinderen van de tweede generatie bleek het noodzakelijk aan het verkrijgen van de nationaliteit een verklaring te laten voorafgaan. Op die manier zal immers duidelijk blijken dat de ouders of het kind zelf zich in onze maatschappij wensen te integreren en bereid zijn niet alleen de met de nationaliteit verbonden rechten maar ook de daaruit voortvloeiende plichten te accepteren.

Hoofddoel blijft natuurlijk het vereenvoudigen van de procedure. Ook wil men voorkomen dat de toekenning door een rechterlijke instantie moet gebeuren, zoals dat nu voor de nationaliteitskeuze geldt.

Wel wordt in een mogelijkheid tot verzet voorzien. De nationaliteit mag immers niet worden verkwanseld. Er dient rekening te worden gehouden met het persoonlijk gedrag van de ouders of van het kind, indien het zelf de verklaring aflegt. Hun gedrag mag niet in tegenspraak zijn met het vermoeden van integratie » (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1314/7, pp. 2-3).

B.3.2. Paragraaf 3, derde lid, van artikel 12bis bepaalde reeds dat de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg - die destijds betrekking had op de gegrondheid van het verzet van het openbaar ministerie met betrekking tot een verklaring die met toepassing van paragraaf 1 van hetzelfde artikel werd afgelegd - door toedoen van de procureur des Konings ter kennis van de belanghebbende werd gebracht.

Tijdens de parlementaire voorbereiding werd de problematiek van de uitvoering, door het parket, van de ten laste van het parket gelegde verplichtingen herhaalde malen besproken, in het bijzonder met betrekking tot de termijnen :

« Amendement nr. 29 [...] (Stuk nr. 1314/6) wil degenen die de verklaring hebben afgelegd het recht verlenen om bij de ambtenaar van de burgerlijke stand zelf een initiatief te nemen, indien de kennisgeving door het openbaar ministerie uitblijft. Dit amendement komt tegemoet aan de bezorgdheid van een aantal practici.

Het wetsontwerp bepaalt immers dat de kennisgeving van de onherroepelijke beslissing waarbij het verzet wordt opgeheven door het openbaar ministerie moet gebeuren. Dit laatste is voor de uitvoering van deze verplichting evenwel aan geen enkele termijn gebonden, en men kan zich ook moeilijk enige sanctie bij niet-naleving ervan indenken. De ervaring leert evenwel dat kennisgeving door het parket vaak aanleiding geeft tot aanzienlijke vertraging.

De Minister herinnert eraan dat de Regering reeds diverse amendementen heeft ingediend, ten einde in het wetsontwerp de op de ambtenaar van de burgerlijke stand en het parket berustende verplichting tot inachtneming van de termijnen op te nemen. Het is wenselijk dat in alle bepalingen met betrekking tot de kennisgeving dezelfde verplichting wordt ingevoegd. Voorts wenst de Minister het aan het oordeel van de Commissie over te laten of op de nalatigheid van het parket een sanctie moet worden gesteld » (ibid., p. 36).

De minister haakte aldus in op de amendementen die door de Regering waren ingediend en door het Parlement waren goedgekeurd, en die ertoe strekten - zowel in artikel 2 als in het in het geding zijnde artikel 4 - te verduidelijken dat de verplichtingen die met name op het openbaar ministerie rusten, onmiddellijk en onverwijld moesten worden nagekomen. Dienaangaande werd verduidelijkt :

« Amendement nr. 32 van de Regering (stuk nr. 1314/...) wil in de tekst de precisering invoegen dat de verplichtingen die op de ambtenaar van de burgerlijke stand en de procureur des Konings rusten onmiddellijk, zonder uitstel, moeten worden nagekomen.

De Minister voegt eraan toe dat het woord ' onverwijld ' de weergave moet zijn van de wil van de wetgever om die procedure onmiddellijk te doen uitvoeren. Het zal in elk geval altijd heel moeilijk zijn om in een sanctie te voorzien » (ibid., p. 33).

« De Minister acht dit voorstel gegrond en dient uit naam van de Regering een amendement nr. 36 in, dat ertoe strekt in het eerste lid van § 7 het woord ' onverwijld ' in te voegen tussen de woorden ' Deze zendt haar ' en de woorden ' over aan het parket ' en het woord ' onmiddellijk ' tussen de woorden ' de procureur des Konings maakt hiervan ' en de woorden ' akte op ' » (ibid., p. 34).

« Evenals in artikel 2 wil amendement nr. 33 van de Regering (Stuk nr. 1314/...) nauwkeurig aangeven dat de kennisgeving en de inschrijving onmiddellijk dienen te gebeuren » (ibid., p. 38).

B.4.1. De wet van 1 maart 2000 wijzigt, zoals het opschrift ervan aangeeft, diverse bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit.

In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat het beginsel dat aan het ontwerp ten grondslag ligt, de integratie van vreemdelingen in onze samenleving is en dat de verkrijging van de Belgische nationaliteit wordt beschouwd als een bevoorrecht instrument om die integratie te bevorderen (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0292/001, p. 4).

Daarin wordt eveneens verduidelijkt dat de aard zelf van de nationaliteitsverklaring geenszins wordt gewijzigd door de overwogen wijzigingen en dat die verklaring een werkelijk subjectief recht tot verkrijging van de Belgische nationaliteit verleent, terwijl de naturalisatieaanvraag erin bestaat dat een gunst wordt gevraagd, die de Kamer in laatste aanleg toestaat of weigert te verlenen (ibid., p. 3).

Tot de met de nieuwe wet nagestreefde doelstellingen behoort de bekommernis van de wetgever om het verloop van de procedures - met name in het kader van het in het geding zijnde artikel 12bis - te versnellen.

B.4.2. Ingevolge de wet van 1 maart 2000 heeft de minister van Justitie op 25 april 2000 een omzendbrief uitgevaardigd « inzake de wet van 1 maart 2000 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit ». In de « algemene opmerkingen » die het slot van die omzendbrief vormen, wordt met name verduidelijkt :

« Ik vestig er eveneens de aandacht op dat voor de berekening van de termijn de algemene principes gelden en dat de termen ' onmiddellijk ' en ' onverwijld ' die in verschillende onderdelen van de artikelen 12bis, 15 en 21 WBN worden gebruikt een weergave van de wil van de wetgever zijn om de verplichtingen die op de ambtenaar van de burgerlijke stand en de procureur des Konings rusten zonder uitstel uit te voeren ».

B.5.1. Een wet van 27 december 2006 wijzigt opnieuw, bij de artikelen 379 tot 391 ervan, het Wetboek van de Belgische nationaliteit, en met name het in het geding zijnde artikel 12bis.

Aldus wordt bij artikel 382 van de genoemde wet de termijn verlengd waarbinnen het openbaar ministerie een negatief advies kan uitbrengen over de verkrijging van de Belgische nationaliteit. In het verslag namens de Commissie voor de Justitie wordt dat aspect van het wetsontwerp als volgt toegelicht :

« De termijn die het parket toebedeeld krijgt om het bestaan aan te geven van ernstige persoonlijke feiten die het verkrijgen van de Belgische nationaliteit kan verhinderen en die oorspronkelijk 4 maanden bedroeg, werd door de wet van 1 maart 2000 gebracht tot een maand.

De minister heeft snel vastgesteld dat die termijn moeilijk na te leven was rekening houdend met de werkoverlast waaraan de parketten het hoofd moeten bieden. De term ' onverwijld ' die thans gehanteerd wordt in het WBN wordt anders geïnterpreteerd met hetzelfde gevolg : de wettelijke termijn wordt in de praktijk haast nooit nageleefd.

De minister stelt dus enerzijds voor de termijn die de verschillende instanties toebedeeld krijgen om het bestaan aan te geven - in het kader van het verkrijgen van de nationaliteit - van een ernstig persoonlijk feit naar 4 maanden te brengen en om anderzijds deze termijn om te vormen tot een strikte termijn die ingaat op de datum dat de aangifte gedaan werd bij of gericht aan de ambtenaar van de burgerlijke stand of van de diplomatieke missie of de consulaire carrièrepost » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/033, p. 10).

B.5.2. Artikel 12bis, in zoverre het bepaalt dat het openbaar ministerie de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg die uitspraak doet over de gegrondheid van het negatieve advies, ter kennis van de belanghebbende brengt, is evenwel niet gewijzigd bij de wet van 27 december 2006.

De circulaire van 25 mei 2007 « met betrekking tot de wijzigingen aan het Wetboek van de Belgische nationaliteit die werden ingevoerd door de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen I » beperkt zich (punt 3.2) tot het overnemen van de bewoordingen van artikel 12bis, § 4, derde lid, eerste zin, waarbij tevens uitdrukkelijk wordt bepaald dat, « behoudens preciezere aanwijzingen [,] [...] de vorige circulaires van toepassing [blijven] voor zover zij niet onverenigbaar zijn met deze circulaire »; de nieuwe circulaire wijkt niet af van de in B.4.2 bedoelde ministeriële instructies, in zoverre zij van toepassing zijn op de verplichting tot kennisgeving die krachtens de in het geding zijnde bepaling op het parket rust.

Ten gronde

B.6. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de grondwettigheid van artikel 12bis, § 4, derde lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, in zoverre het de procureur des Konings geen termijn oplegt om kennis te geven van de beslissing van de rechtbank waarbij zij uitspraak doet over de gegrondheid van het door het parket uitgebrachte negatieve advies. Het wordt eveneens ondervraagd over het feit dat de vreemdeling zelf niet het initiatief kan nemen om de termijn van hoger beroep te doen ingaan door de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg aan de procureur des Konings te laten betekenen.

B.7.1. Uit de elementen van het dossier en uit de motieven van het door de verwijzende rechter gewezen arrest blijkt dat de prejudiciële vraag betrekking heeft op het geval waarin het door het parket uitgebrachte negatieve advies ongegrond wordt verklaard in het door de rechtbank gewezen vonnis en in dat vonnis daardoor bijgevolg, onder voorbehoud van een eventuele beslissing tot hervorming in hoger beroep, een subjectief recht op de Belgische nationaliteit aan de vreemdeling wordt toegekend.

B.7.2. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval waarin, zoals de verwijzende rechter opmerkt, het gebrek aan een aan de procureur des Konings toebedeelde termijn om kennis te geven van het vonnis, samen met de onmogelijkheid voor de vreemdeling om zelf de termijn van hoger beroep te doen ingaan, twee gevolgen kan hebben.

Ten eerste zal door dat gebrek aan een termijn de mogelijkheid ontstaan dat de procureur des Konings niet, of te laat, overgaat tot de kennisgeving van het voor de vreemdeling gunstige vonnis, hetgeen tot gevolg heeft dat wordt verhinderd dat een dergelijk vonnis definitief wordt of dat de datum waarop het definitief wordt, evenredig wordt uitgesteld en dat bijgevolg wordt verhinderd dat het uitwerking heeft door de overschrijving ervan in de registers, door de ambtenaar van de burgerlijke stand, binnen een redelijke termijn. De betrokkene wordt immers pas daadwerkelijk Belg vanaf de overschrijving.

Ten tweede heeft, volgens de verwijzende rechter, het gebrek aan kennisgeving, door de procureur des Konings, van een dergelijk vonnis ook tot gevolg dat die laatste zelf de datum kan kiezen waarop de termijn van hoger beroep ingaat en dus « een veel langere termijn van hoger beroep [kan] genieten dan die welke de vreemdeling geniet, die slechts beschikt over vijftien dagen vanaf de kennisgeving van het vonnis door de procureur des Konings ».

B.8. Artikel 12bis, §§ 1 en 2, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit voorziet in een procedure van administratieve aard waarvoor specifieke regels gelden, die onder meer betrekking hebben op de termijnen binnen welke een nationaliteitsverklaring wordt behandeld.

Het in het geding zijnde artikel 12bis, § 4, voorziet, na de administratieve fase, in een gerechtelijke behandeling van een aanvraag die, zoals het Hof in B.4.1 in herinnering brengt, betrekking heeft op een subjectief recht.

B.9. De in B.3.2 vermelde parlementaire voorbereiding van de wet van 13 juni 1991 toont de bekommernis van de wetgever aan om de aan het openbaar ministerie toevertrouwde taken zo snel mogelijk uitgevoerd te zien, in het belang van de vreemdeling die een nationaliteitsverklaring heeft afgelegd.

Aan die bekommernis kon evenwel in de praktijk blijkbaar niet worden tegemoetgekomen. Uit de parlementaire voorbereiding met betrekking tot de later doorgevoerde wetswijzigingen, met name die welke in het Wetboek zijn ingevoerd bij de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I), blijkt aldus dat de aan het parket toevertrouwde opdrachten in de procedures tot verkrijging van de nationaliteit de oorzaak waren van aanzienlijke vertragingen wegens de overmaat aan werk waarmee het werd geconfronteerd. Om die reden moesten bepaalde termijnen worden verlengd.

B.10. Op zichzelf beschouwd brengt de omstandigheid dat de termijn van hoger beroep pas begint te lopen op de datum van de kennisgeving van de beslissing door de procureur des Konings, geen verschil in behandeling teweeg dat nadelig is voor de vreemdeling, aangezien die termijn dezelfde is voor die vreemdeling en voor de procureur des Konings. In dat opzicht worden de twee partijen in het geding dus op dezelfde wijze behandeld.

Om dezelfde reden is het gebrek aan een aan het parket opgelegde termijn om over te gaan tot de kennisgeving op zichzelf beschouwd niet in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien de vreemdeling over de mogelijkheid beschikt om kennis te nemen van het vonnis dat op hem betrekking heeft, en eventueel een ongezegeld afschrift ervan ter griffie te verkrijgen zonder daarvoor te moeten wachten op de kennisgeving die hem daarvan moet worden gedaan.

B.11. Door daarentegen in geen mogelijkheid te voorzien voor de vreemdeling op wie het vonnis betrekking heeft waarin het negatieve advies van de procureur des Konings ongegrond wordt verklaard, om zelf de termijn van hoger beroep te doen ingaan, zodat de datum waarop het vonnis definitief wordt, uitsluitend afhangt van het optreden van het parket, kan de in het geding zijnde bepaling de in B.7.2 beschreven onevenredige gevolgen voor de vreemdeling met zich meebrengen, die bovendien in strijd zijn met het door de wetgever nagestreefde doel van een snelle behandeling.

B.12. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

In zoverre het de mogelijkheid om de termijn van hoger beroep tegen de door de rechtbank van eerste aanleg gewezen beslissing te doen ingaan uitsluitend voorbehoudt aan de procureur des Konings, schendt artikel 12bis, § 4, derde lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 30 maart 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 12bis, § 4, derde lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals aangevuld bij artikel 30 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Grondwettelijk recht

  • Nationaliteit

  • Procedure van nationaliteitsverklaring

  • Termijn voor hoger beroep

  • Aanvang

  • Kennisgeving van de beslissing door de procureur des Konings.