- Arrest van 18 mei 2011

18/05/2011 - 83/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

In zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Belgische Staat kan worden gelegd wanneer het arbeidsauditoraat in het ongelijk wordt gesteld bij zijn rechtsvordering ingesteld op grond van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, schendt artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 17 juni 2010 in zake de arbeidsauditeur tegen de vennootschap naar Frans recht « Ségula Ingénierie et Maintenance S.A.S. », in aanwezigheid van Didier Limelette en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 juni 2010, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (vóór de wijziging ervan bij de wet van 21 februari 2010) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Belgische Staat kan worden gelegd wanneer het arbeidsauditoraat in het ongelijk wordt gesteld bij zijn op grond van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek ingestelde rechtsvordering, terwijl op grond van artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering geen enkele rechtsplegingsvergoeding van de Belgische Staat kan worden geëist wanneer het openbaar ministerie een strafvordering instelt die eindigt met een buitenvervolgingstelling of een vrijspraak ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.

Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met :

- de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;

- de complexiteit van de zaak;

- de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;

- het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.

Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij ».

Artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« Voor overtredingen op de wetten en verordeningen die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten en die het geheel of een deel van de werknemers van een onderneming betreffen, kan de arbeidsauditeur, ambtshalve, overeenkomstig de vormvoorschriften van dit Wetboek, een rechtsvordering instellen bij de arbeidsrechtbank teneinde de inbreuken op voormelde wetten en verordeningen te laten vaststellen.

Ingeval van samenloop of samenhang van de genoemde overtredingen met één of meer overtredingen van andere wetsbepalingen die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten zendt de arbeidsauditeur een afschrift van het dossier aan de procureur des Konings met het oog op de uitoefening van de strafvordering voor de laatst vermelde overtredingen.

De in het eerste lid bedoelde rechtsvordering kan niet meer worden aangewend zo de strafvordering werd ingesteld of zo overeenkomstig artikel 7, § 4, tweede lid, van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, de kennisgeving van het bedrag van de administratieve geldboete heeft plaatsgehad ».

B.2. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de wijziging ervan bij de wet van 21 februari 2010, in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Belgische Staat kan worden gelegd wanneer het arbeidsauditoraat in het ongelijk wordt gesteld bij zijn op grond van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek ingestelde rechtsvordering.

De verwijzende rechter vergelijkt die situatie met die welke voortvloeit uit artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, volgens hetwelk geen enkele rechtsplegingsvergoeding van de Belgische Staat kan worden geëist wanneer het openbaar ministerie een strafvordering instelt die eindigt met een buitenvervolgingstelling of een vrijspraak.

B.3.1. Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering bepaalt :

« Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis ».

B.3.2. In zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 met betrekking tot de beroepen tot vernietiging van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat heeft het Hof zich uitgesproken over het verschil in behandeling ten nadele van de buiten vervolging gestelde inverdenkinggestelde of de vrijgesproken beklaagde wanneer de strafvordering op gang is gebracht door het openbaar ministerie of door een onderzoeksgerecht.

Het heeft geoordeeld dat :

« [de wetgever,] wegens de opdracht die aan het openbaar ministerie is toegewezen, vermocht [...] ervan uit te gaan dat een regeling volgens welke een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd zou zijn telkenmale de vordering van het openbaar ministerie zonder gevolg blijft, niet tot de laatstgenoemde diende te worden uitgebreid.

De wetgever zou weliswaar ten laste van de Staat, ten behoeve van wie het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot vrijspraak of buitenvervolgingstelling, een vergoedingsregeling kunnen invoeren die rekening houdt met de specifieke kenmerken van het strafrechtelijk contentieux ».

B.4.1. Bij de wet van 21 februari 2010 « tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering en tot opheffing van artikel 6 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties » wordt in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek een achtste lid ingevoegd dat bepaalt :

« Geen enkele vergoeding is verschuldigd ten laste van de Staat :

1° wanneer het openbaar ministerie bij wege van rechtsvordering in burgerlijke procedures tussenkomt overeenkomstig artikel 138bis, § 1;

2° wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten overeenkomstig artikel 138bis, § 2 ».

Krachtens artikel 6 van de wet van 21 februari 2010, zal die nieuwe bepaling in werking treden op een datum die de Koning zal bepalen.

B.4.2. Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat de wetgever een aantal tekortkomingen van de voormelde wet van 21 april 2007, die aanleiding geven tot een aantal onbillijke situaties, heeft willen rechtzetten (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2313/004, p. 4), en dat hij rekening heeft willen houden met het voormelde arrest nr. 182/2008. Hij heeft onder meer in twee nieuwe vrijstellingen voorzien « om het openbaar ministerie [en het arbeidsauditoraat] toe te staan [hun] rechtsvordering uit te oefenen in volle onafhankelijkheid, zonder rekening te houden met het financieel risico verbonden aan het proces » (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2313/001, p. 6).

Luidens artikel 5 van de wet van 21 februari 2010, zal het nieuwe achtste lid van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn op de zaken die hangende zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan.

De wetgever heeft die toepassing verantwoord vanuit een bekommernis om gelijkheid :

« Met het oog op gelijkheid en niet-discriminatie dient er inderdaad voorzien te worden in een identieke behandeling van de partijen met betrekking tot de verhaalbaarheidskwestie » (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2313/001, p. 7).

B.5.1. Luidens artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, strekt de rechtsvordering van de arbeidsauditeur ertoe de overtredingen op de wetten en verordeningen die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten door de arbeidsrechtbank te laten vaststellen.

B.5.2. Bovendien bepaalt artikel 20bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 3 december 2006 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het sociaal strafrecht :

« De strafvordering vervalt eveneens door de uitoefening door het openbaar ministerie van de rechtsvordering voor de arbeidsgerechten op grond van artikel 138bis, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek ».

B.5.3. Ofschoon de arbeidsrechtbank niet bevoegd is om de vervolgde strafrechtelijk te veroordelen, is de rechtsvordering van de arbeidsauditeur op grond van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek in die twee opzichten vergelijkbaar met de strafvordering die het openbaar ministerie, met inbegrip van de arbeidsauditeur, instelt voor de strafrechter.

B.6.1. De Raad van State heeft in zijn advies bij het voorontwerp dat de wet van 3 december 2006 « tot wijziging diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het sociaal strafrecht » is geworden, beklemtoond dat de vordering van de arbeidsauditeur op grond van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek dient te worden onderscheiden van de vordering die een burgerlijke partij instelt. De Raad overweegt met name het volgende :

« Het verdient overigens geen aanbeveling de term ' burgerlijke rechtsvordering ' te gebruiken, enerzijds, omdat de vordering van het openbaar ministerie waarvan de invoering wordt beoogd, de louter burgerrechtelijke belangen van de betrokkenen overstijgt en, anderzijds, omdat door het gebruik van die term verwarring zou kunnen ontstaan met de burgerlijke rechtsvordering als onder meer bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering.

De stellers van het ontwerp doen er derhalve goed aan om naar een meer adequate benaming te zoeken voor de in het ontworpen artikel 138, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vordering van het openbaar ministerie » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-1610/001, p. 25, Raad van State, afdeling wetgeving, verenigde kamers, advies van 13 mei 2004).

B.6.2. In antwoord hierop worden in artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek « de woorden ' burgerlijke vordering ' niet meer gebruikt om elke verwarring te vermijden » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-1610/008, p. 5).

B.6.3. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 december 2006 tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het sociaal strafrecht werd eveneens beklemtoond dat « het [...] er hier niet om [gaat] een rechtsvordering uit te voeren uitsluitend in het voordeel van de werknemers » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-1610/008, p. 8, en Senaat, 2006-2007, nr. 3-1755/2, p. 6).

B.6.4. Hieruit blijkt genoegzaam dat de vordering van de arbeidsauditeur op grond van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek het algemeen belang nastreeft.

B.7. In het voormelde arrest nr. 182/2008 heeft het Hof geoordeeld dat de fundamentele verschillen tussen het openbaar ministerie en de burgerlijke partij kunnen verantwoorden dat de in de wet van 21 april 2007 bedoelde forfaitaire vergoedingsregeling niet wordt toegepast ten laste van de Staat. Door het openbaar ministerie en de burgerlijke partij verschillend te behandelen, heeft de wetgever de regels van gelijkheid en niet-discriminatie bijgevolg niet geschonden.

B.8. Bij de totstandkoming van de wet van 21 april 2007 heeft de wetgever echter de rechtsvordering van de arbeidsauditeur op grond van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek uit het oog verloren. De regels van gelijkheid en niet-discriminatie vereisen dat die rechtsvorderingen, die in naam van het algemeen belang en in alle onafhankelijkheid door een publiek orgaan zijn ingesteld, op dezelfde wijze worden behandeld als de strafvorderingen. Het is om die gelijke behandeling te herstellen dat artikel 2, 3°, van de wet van 21 februari 2010 tot stand is gekomen. Vanuit een bekommernis om gelijkheid heeft de wetgever bovendien gewild dat die wijziging van toepassing zou zijn op de zaken die hangende zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet (artikel 5 van de wet van 21 februari 2010).

B.9. In zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Belgische Staat kan worden gelegd wanneer de arbeidsauditeur die de rechtsvordering bedoeld in artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek instelt, in het ongelijk wordt gesteld, is artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van artikel 2, 3°, van de wet van 21 februari 2010, niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

In zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Belgische Staat kan worden gelegd wanneer het arbeidsauditoraat in het ongelijk wordt gesteld bij zijn rechtsvordering ingesteld op grond van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, schendt artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 18 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in de versie van vóór de wijziging ervan bij de wet van 21 februari 2010, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Gerechtelijk recht

  • Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat

  • Toepassingsgebied

  • Arbeidsauditoraat

  • Rechtsvordering op basis van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek.