- Arrest van 31 mei 2011

31/05/2011 - 101/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 4 maart 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 maart 2011, zijn een beroep tot vernietiging en een vordering tot schorsing ingesteld van artikel 18 (wijziging van artikel 1675/19, § 2, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek) van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I) (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2010, derde editie) door de Orde van Vlaamse balies, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 148, en Monique den Dulk, wonende te 3061 Leefdaal, Dorpstraat 269A.

Op 17 maart 2011 hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J. Spreutels, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest te wijzen waarbij wordt vastgesteld dat het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing klaarblijkelijk niet gegrond zijn.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. De bestreden bepaling heeft betrekking op de tegemoetkoming van het Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast in de betaling van de honoraria van de schuldbemiddelaar.

Krachtens artikel 1675/19, § 2, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek dient de rechter de redenen aan te geven die de interventie van dat Fonds rechtvaardigen. Bij artikel 191 van de programmawet van 23 december 2009 werd aan die bepaling de volgende zin toegevoegd :

« Het bedrag van de honoraria van de schuldbemiddelaar mag niet hoger liggen dan 1 200 euro tenzij mits een bijzondere gemotiveerde beslissing van de rechter ».

De thans bestreden bepaling heeft die zin als volgt vervangen :

« Het bedrag van de honoraria en de kosten van de schuldbemiddelaar mag per dossier niet hoger liggen dan 1 200 euro, tenzij de rechter er anders over beslist middels een bijzondere gemotiveerde beslissing ».

Met de laatstgenoemde bepaling heeft de wetgever verduidelijkt dat in het bedrag van 1 200 euro niet enkel de erelonen maar ook de kosten van de schuldbemiddelaar zijn begrepen en dat het voormelde bedrag per dossier geldt.

B.2. De verzoekende partijen hebben vroeger reeds de vernietiging gevorderd van artikel 191 van de programmawet van 23 december 2009. Met het arrest nr. 41/2011 van 15 maart 2011 heeft het Hof dat beroep tot vernietiging verworpen, op grond van de volgende motieven :

« Ten aanzien van het eerste middel

B.3. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat een discriminatie zou zijn ontstaan tussen de schuldbemiddelaars wier honoraria voor de uitvoering van het gerechtelijk mandaat meer dan, respectievelijk minder dan 1 200 euro zou bedragen. Het verschil in behandeling zou erin bestaan dat de staten van erelonen, onkosten en emolumenten die, in geval van volledige of gedeeltelijke kwijtschelding van de schulden, ten laste worden gelegd van het Fonds, dienen te zijn vergezeld van een bijzonder gemotiveerde beslissing van de rechter indien zij meer bedragen dan 1 200 euro.

Het invoeren van de bijzonder gemotiveerde beslissing zou ook nog met zich meebrengen dat de aan de schuldbemiddelaars toegekende vergoeding niet langer zou steunen op het door het koninklijk besluit van 18 december 1998 vastgestelde baremasysteem, maar op een door de rechter uitgevoerde persoonlijke appreciatie van voormeld baremasysteem.

B.4.1. De regels en de barema's tot vaststelling van het ereloon, de emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaar worden door de Koning bepaald (artikel 1675/19, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek).

Het ereloon en de emolumenten bestaan in forfaitaire vergoedingen (artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 december 1998 houdende vaststelling van de regels en barema's tot bepaling van het ereloon, de emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaar).

B.4.2. De staat van erelonen, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaar komt ten laste van de schuldenaar en wordt bij voorrang betaald (artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek).

Niettegenstaande het bepaalde in artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, is eveneens voorzien in de oprichting van het Fonds dat als doel heeft het eventueel onbetaald gebleven saldo van het ereloon, emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaar te betalen indien de beschikbare activa uit de boedel van de schuldenaar onvoldoende zijn.

B.5.1. Het was de bedoeling van de wetgever om een nieuwe verplichting in te voeren voor de rechters die belast zijn met de behandeling van het dossier van collectieve schuldenregeling :

' [De rechters] hebben voortaan de plicht om elke overschrijding van de honoraria van de schuldbemiddelaars boven de grens van 1 200 euro per dossier goed te keuren bij een speciaal gemotiveerde beslissing. Statistieken van gemiddelde bedragen per dossiers tonen immers aan dat in bepaalde arrondissementen de kosten per dossier tot bijna 60 % hoger liggen dan het nationale gemiddelde. Het Fonds zal de goedkeuring van de rechter controleren alvorens de bedragen te betalen die de weerhouden grens overschrijden ' (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2278/001, p. 116).

B.5.2. Voormelde wetswijziging past in het ruimere kader van een saneringsoperatie voor het Fonds. De wetgever oordeelde immers :

' Het Fonds ter Bestrijding van de overmatige schuldenlast kampt met een financieringstekort. Om dit tekort aan te vullen, wordt geopteerd voor een aanvullende bijdrage vanwege de kredietgevers en de toevoeging van nieuwe bijdrageplichtigen.

[...]

De bijdrage vanwege de kredietgevers en de voorziene bedragen ten laste van het BIPT, de CBFA en de Kansspelcommissie, moeten het Fonds toelaten op een normale manier te functioneren en betalingsachterstanden van erelonen van schuldbemiddelaars, te vermijden ' (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2278/001, pp. 112-113).

B.6.1. Het in het eerste middel vermelde verschil in behandeling berust op een duidelijk criterium, namelijk de waarde van de schuldvordering, te weten de staat van het honorarium van de schuldbemiddelaar. Immers, de wetgever verwijst in de parlementaire voorbereiding naar ' de kosten per dossier [die] tot bijna 60 % hoger liggen dan het nationale gemiddelde ', zodat de wetgever het begrip ' honoraria ' te dezen gebruikt als een verzamelnaam voor alle erelonen, kosten en emolumenten van de schuldbemiddelaar (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2278/001, p. 116). Tevens wordt in artikel 1675/19 ook melding gemaakt van het begrip ' honoraria ', waarbij het ook daar, rekening houdend met de desbetreffende parlementaire voorbereiding, de bedoeling was dat het begrip ' honoraria ' sloeg op kosten en erelonen (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1073/1, p. 54).

Het Hof moet evenwel nog nagaan of dat verschil in behandeling redelijk is verantwoord.

B.6.2. Door een bijzondere motiveringsverplichting op te leggen aan de rechter, wanneer het honorarium én ten laste wordt gelegd van het Fonds én de waarde van 1 200 euro overstijgt, heeft de wetgever een maatregel genomen die in verband staat met het nagestreefde doel. Hij heeft immers geoordeeld dat een dergelijke maatregel noodzakelijk was omdat in bepaalde arrondissementen de kosten per dossier tot bijna 60 pct. hoger lagen dan het nationale gemiddelde, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestond, waardoor, samen met de vaststelling dat het aantal verzoeken tot de procedure van collectieve schuldenregeling toeneemt en de uitbreiding van de toegangsvoorwaarden tot het Fonds voor de betaling van de schuldbemiddelaars, het financieel evenwicht van het Fonds in het gedrang kwam. Tevens kan uit de parlementaire voorbereiding worden afgeleid dat het bedrag van 1 200 euro de weerspiegeling is van het nationale gemiddelde, waardoor de wetgever, bij het vastleggen van de grens van 1 200 euro, enkel die staten heeft geviseerd die op het eerste gezicht moeten worden beschouwd als zijnde hoger dan dat gemiddelde.

B.6.3. De door de wetgever opgelegde bijzondere motiveringsverplichting kan niet worden geacht onevenredige gevolgen te hebben. In de eerste plaats heeft de rechter altijd een motiveringsplicht wanneer de interventie van het Fonds wordt vereist. Immers, artikel 1675/19, § 2, zesde lid, eerste zin, bepaalt dat de rechter de redenen aangeeft die de interventie van het Fonds rechtvaardigen, te weten een geheel of ten dele kwijtschelding van de schulden en de onmogelijkheid van de betrokken schuldenaar om het honorarium van de schuldbemiddelaar binnen een redelijke termijn te betalen. Daarnaast bestaat thans een bijzondere motiveringsplicht wanneer het honorarium meer dan 1 200 euro bedraagt, waarbij aan de rechter de mogelijkheid wordt geboden de ingediende staat te controleren, en in voorkomend geval aan te passen indien zou blijken dat de staat geen realistische weergave vormt van het door de schuldbemiddelaar geleverde werk. Evenwel wordt daardoor aan de schuldbemiddelaar geen maximumgrens opgelegd voor zijn honorarium dat hij wenst ten laste te leggen van het Fonds; mits een bijzondere motivering wordt gegeven, wordt een hogere honorariumstaat eveneens door het Fonds betaald.

Ten slotte, en in tegenstelling met wat de verzoekende partijen beweren, is het Hof van oordeel dat de twee, ten aanzien van de rechter bestaande motiveringsverplichtingen niet alleen aansluiten bij het door de wetgever nagestreefde doel, maar ook complementair zijn nu de ene motivering de andere niet in de weg staat.

B.6.4. Bovendien bepaalt artikel 1675/6, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek :

' Als de rechter het verzoek toelaatbaar acht, stelt hij in zijn beschikking, met diens akkoord, een schuldbemiddelaar aan en, in voorkomend geval, een gerechtsdeurwaarder en/of een notaris '.

De wetgever heeft uitdrukkelijk erin voorzien dat de schuldbemiddelaar voorafgaandelijk dient akkoord te gaan met zijn aanstelling. Door die vereiste voorafgaande toestemming kan derhalve de schuldbemiddelaar niet worden verplicht als schuldbemiddelaar in een bepaald dossier op te treden, en verklaart hij zich te houden aan de wet van 5 juli 1998 en zijn uitvoeringsbesluiten. Zodra de schuldbemiddelaar zijn opdracht heeft aanvaard, kan worden verwacht dat hij het dossier professioneel behandelt in het belang van de zaak zelf.

B.7. Het eerste middel is ongegrond.

Ten aanzien van het tweede middel

B.8. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat op ongeoorloofde wijze inbreuk wordt gemaakt op het recht op juridische bijstand.

B.9. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt :

' Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.

Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen.

Die rechten omvatten inzonderheid :

[...]

2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand;

[...] '.

B.10. De verzoekende partijen tonen niet aan op welke wijze artikel 191 van de programmawet van 23 december 2009 een ongeoorloofde schending van het recht op juridische bijstand zou kunnen inhouden.

De verplichting tot bijkomende, bijzondere motivering van de rechter sluit niet uit dat het Fonds aan de betrokken schuldbemiddelaars hun honoraria zal uitbetalen; bovendien verbiedt het bestreden artikel 191 de schuldbemiddelaars niet een hogere vergoeding dan 1 200 euro te vragen, wanneer die vergoeding als zijnde in overeenstemming met de door de schuldbemiddelaar verrichte werkzaamheden wordt beschouwd (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2278/012, p. 32).

B.11. Het tweede middel is ongegrond.

Ten aanzien van het derde middel

B.12. Als derde middel wordt door de verzoekende partijen aangevoerd dat artikel 191 van de programmawet van 23 december 2009 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, al dan niet in samenhang gelezen met het beginsel van de scheiding der machten (artikel 33 van de Grondwet), met het algemeen rechtsbeginsel van de rechtsstaat, met het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk rechterlijke beslissingen enkel met rechtsmiddelen kunnen worden bestreden en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Door de verzoekende partijen wordt aangevoerd dat de gemotiveerde beslissing (artikel 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek) door het Fonds wordt beoordeeld vooraleer het zal overgaan tot de uitbetaling van het honorarium. Daartoe zou het Fonds evenwel niet de bevoegdheid hebben omdat het Fonds, dat onder de uitvoerende macht ressorteert, een definitief geworden rechterlijke beslissing zou beoordelen waardoor het zou interfereren in de afloop van een gerechtelijke procedure.

B.13.1. Overeenkomstig artikel 20, § 2, van de wet van 5 juli 1998 [betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen] bepaalt de Koning de voorwaarden en de nadere regels betreffende het innen van de toegewezen ontvangsten en de betaling van de toegestane uitgaven. Ter uitvoering van artikel 20 van de voormelde wet werd het koninklijk besluit van 9 augustus 2002 tot regeling van de werking van het Fonds ter bestrijding van Overmatige Schuldenlast genomen, waarvan artikel 8 bepaalt :

' Het Fonds controleert naar vorm en inhoud de aanvraag tot betaling van de schuldbemiddelaar. Wanneer de aanvraag niet volledig is, verwittigt het Fonds de schuldbemiddelaar en wijst het op de ontbrekende gegevens en documenten.

De aanvraag wordt geacht volledig te zijn op de dag dat het Fonds alle ontbrekende gegevens en documenten heeft ontvangen '.

B.13.2. Uit voormelde bepalingen dient te worden afgeleid dat het Fonds een aanvraag tot betaling enkel weigert wanneer de aanvraag naar vorm en inhoud onvolledig is. Het behoort derhalve niet tot de bevoegdheid van het Fonds de rechterlijke beslissing tot interventie van het Fonds te betwisten. Voormelde interpretatie vindt eveneens steun in de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) :

' In een tweede fase heeft de praktijk om bij de beslagrechter de interventie van het Fonds te vragen, [...], zich sterk ontwikkeld. Het Fonds is van mening dat het een rechterlijke beslissing niet moet betwisten, en dus betaalt het de ten laste van het Fonds gestelde erelonen ' (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/001, p. 30).

B.13.3. Derhalve heeft de bestreden wetswijziging tot gevolg dat het Fonds de aanvraag tot betaling enkel dan zou kunnen weigeren wanneer de rechterlijke beslissing geen bijzondere motivering bevat, zonder evenwel die motivering zelf te kunnen beoordelen.

B.14. Het derde middel is ongegrond ».

B.3. De grieven die de verzoekende partijen tegen artikel 18 van de wet van 29 december 2010 aanvoeren, zijn dezelfde als de grieven die zij tegen artikel 191 van de programmawet van 23 december 2009 lieten gelden. Zij dienen om dezelfde redenen als vermeld in het arrest nr. 41/2011 ongegrond te worden verklaard.

B.4. Wanneer het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk niet gegrond wordt verklaard, dient de vordering tot schorsing - die immers een accessorium is van het beroep tot vernietiging - eveneens te worden verworpen.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 31 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing van artikel 18 (wijziging van artikel 1675/19, § 2, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek) van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I), ingesteld door de Orde van Vlaamse balies en Monique den Dulk. Gerechtelijk recht

  • Collectieve schuldenregeling

  • Schuldbemiddelaar

  • Erelonen en kosten

  • Bedrag hoger dan 1 200 euro

  • Tussenkomst van het Fonds ter bestrijding van de Overmatige Schuldenlast

  • Bijzondere motiveringsplicht van de rechter.