- Arrest van 31 mei 2011

31/05/2011 - 93/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 « betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese [Economische] en Monetaire Unie », bekrachtigd bij artikel 6, 2°, van de wet van 26 juni 1997, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerst Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van de voorzitter R. Henneuse, wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 28 mei 2010 in zake het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (RSVZ) tegen Paul Fastré, in aanwezigheid van de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP), waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 juni 2010, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 ' betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese [Economische] en Monetaire Unie ', bekrachtigd bij artikel 6, 2°, van de wet van 26 juni 1997, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het in het stelsel van de zelfstandigen een vermindering voor vervroeging handhaaft in het geval waarin het rustpensioen ingaat vóór de leeftijd van 65 jaar terwijl in het socialezekerheidsstelsel van de loontrekkenden het rustpensioen zonder vermindering wegens vervroeging vanaf de leeftijd van 60 jaar kan worden verkregen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 3, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 « betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese [Economische] en Monetaire Unie », in zoverre het in het stelsel van de zelfstandigen een vermindering wegens vervroeging handhaaft in het geval waarin het rustpensioen ingaat vóór de leeftijd van 65 jaar, terwijl in het socialezekerheidsstelsel van de werknemers het rustpensioen zonder vermindering wegens vervroeging vanaf de leeftijd van 60 jaar kan worden verkregen.

B.2. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 bepaalt :

« § 1. Onverminderd de bepalingen van § 5, gaat het rustpensioen in vanaf de eerste van de maand die volgt op deze waarin de aanvrager de pensioenleeftijd bereikt. De pensioenleeftijd is 65 jaar.

§ 2. Het rustpensioen kan nochtans, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan voor de leeftijd bedoeld in § 1, en ten vroegste op de eerste van de maand die volgt op de 60ste verjaardag.

In het geval bedoeld in het vorige lid, wordt het rustpensioen verminderd met 5 t.h. per jaar vervroeging.

Voor de toepassing van de verminderingscoëfficiënt bedoeld in het vorige lid, wordt rekening gehouden met de leeftijd die de aanvrager bereikte op zijn verjaardag die de ingangsdatum van het pensioen onmiddellijk voorafgaat.

Wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat vanaf 1 januari 2007 wordt het verminderd met :

- 7 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 6 pct. voor het tweede jaar vervroeging, 5 pct. voor het derde jaar vervroeging, 4 pct. voor het vierde jaar vervroeging en 3 pct. voor het vijfde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 61e verjaardag;

- 6 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 5 pct. voor het tweede jaar vervroeging, 4 pct. voor het derde jaar vervroeging en 3 pct. voor het vierde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 62e verjaardag;

- 5 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 4 pct. voor het tweede jaar vervroeging en 3 pct. voor het derde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 62e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 63e verjaardag;

- 4 pct. voor het eerste jaar vervroeging en 3 pct. voor het tweede jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 63e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 64e verjaardag;

- 3 pct. voor het jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 64e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 65e verjaardag.

[...] ».

B.3. De in het geding zijnde bepaling voorziet dus, in het pensioenstelsel van de zelfstandigen, in een vermindering van 5 pct. van het pensioenbedrag per jaar van pensionering vanaf de leeftijd van 60 jaar. Zulk een vermindering bestaat sinds 1990 niet meer in het pensioenstelsel voor werknemers.

B.4. Het Hof onderzoekt in de eerste plaats of het in het geding zijnde verschil in behandeling een vergelijking toelaat tussen het pensioenstelsel van de zelfstandigen en het pensioenstelsel van de werknemers.

B.5. Bij zijn arresten nr. 116/2000 en nr. 152/2001 heeft het Hof geoordeeld dat, uit het oogpunt van de inachtneming van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, een vergelijking tussen de verschillende pensioenstelsels kan worden gemaakt wanneer eenzelfde maatregel, die voor die stelsels gemeenschappelijk is, duidelijk verschillende gevolgen heeft in het ene en het andere stelsel. De berekening van de leeftijd waarop men zijn pensioen kan genieten zonder vermindering is een voor die verschillende pensioenstelsels gemeenschappelijke maatregel die verschillende gevolgen kan hebben naar gelang van het pensioenstelsel. Bijgevolg kunnen die verschillende pensioenstelsels uit dat oogpunt met elkaar worden vergeleken.

B.6. In het stelsel van de werknemers werd de vermindering van het rustpensioen afgeschaft bij artikel 2, § 2, van de wet van 20 juli 1990 « tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn ».

Met die wet wil de wetgever de werknemers flexibiliteit bieden bij het kiezen van hun pensioenleeftijd.

In de parlementaire voorbereiding van dezelfde wet wordt nog gepreciseerd :

« Het volstaat inderdaad de nadruk te leggen op de heterogeniteit van de categorieën van werknemers in de leeftijdsgroepen tussen 55 en 64 jaar.

[...]

Het antwoord op dat groot aantal verschillende [individuele] situaties berust in het verlenen van een vrije keuze aan de werknemers om vanaf een bepaalde leeftijd het pensioen op te nemen, zonder dat die keuze evenwel door al te grote verschillen in de pensioenbedragen mag worden vervalst » (memorie van toelichting, Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1175/1, p. 5).

De maatregel speelde niet alleen in op de persoonlijke situatie van de werknemers, maar leidde eveneens tot de vrijwillige uittreding van een groot aantal werknemers, wat voor werklozen de toegang tot een nieuwe job moest vergemakkelijken.

Ten slotte verzekerde de flexibiliteit de overgang met het stelsel van het brugpensioen, dat was verlengd tot 31 december 1990 (ibid., p. 4).

B.7. Wat het stelsel van de zelfstandigen betreft, wordt in de parlementaire voorbereiding het volgende aangegeven :

« [Tijdens het driepartijenoverleg] werd, gelet op het belangrijk aantal gemengde loopbanen de vraag gesteld naar de mogelijkheid tot invoering van een flexibele pensioenleeftijd in de pensioenregeling voor zelfstandigen » (ibid., pp. 10 en 11).

B.8. De parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 20 juli 1990, die van de wet van 26 juli 1996 « tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels » en die van de wet van 26 juli 1996 « strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese [Economische] en Monetaire Unie », bevestigen dat het in het geding zijnde verschil in behandeling wordt verantwoord door de bekommernis om het voortbestaan van het socialezekerheidssysteem te verzekeren.

Overigens moet erop worden gewezen dat de laagste pensioenen in het stelsel van de zelfstandigen werden verhoogd op een tijdstip dat min of meer samenviel met de afschaffing van de in het geding zijnde maatregel voor de werknemers, en dat om ze op te trekken tot het bedrag van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, wat de in het geding zijnde maatregel eveneens verantwoordt. Het pensioenstelsel van de zelfstandigen was immers niet in staat om tegelijkertijd een verhoging van het minimumpensioen en een afschaffing van de vermindering wegens vervroegde pensionering te dragen.

B.9. In dat verband dient te worden opgemerkt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie bij zijn beschikking van 30 april 2004 in de zaak C-172/02 in dezelfde zin heeft geoordeeld :

« 42. Het lijdt geen twijfel dat het genot van een vervroegd rustpensioen een financiële weerslag op het betrokken pensioenstelsel heeft, aangezien de inkomsten uit sociale bijdragen dalen terwijl de uitgaven stijgen doordat extra pensioenen moeten worden betaald. Een stelsel van vermindering wegens vervroegde pensionering is bedoeld om deze financiële gevolgen te compenseren. Uit de door de Belgische regering verstrekte berekeningen en andere informatie blijkt dat de afschaffing van dit stelsel niet te verwezenlijken zou zijn zonder dat het financiële evenwicht van het betrokken pensioenstelsel in gevaar wordt gebracht.

43. Wat meer in het bijzonder het in het hoofdgeding toegepaste percentage van vermindering wegens vervroegde pensionering betreft, namelijk vijf procent per jaar vervroegd pensioen, zij opgemerkt dat de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge beschikken bij de aanwending van de middelen om het financiële evenwicht van de socialezekerheidsstelsels en met name de pensioenstelsels te vrijwaren. Uit de gegevens van het dossier kan niet worden opgemaakt dat voor de vermindering in casu een onredelijk hoog percentage is vastgesteld.

44. Voorts is het normaal, zoals de Commissie in punt 26 van haar opmerkingen terecht vaststelt, dat aan de mogelijkheid om met vervroegd pensioen te gaan financiële gevolgen zijn verbonden.

45. Aan deze overwegingen wordt niet afgedaan door het feit dat de vermindering wegens vervroegde pensionering geheel of gedeeltelijk is afgeschaft in andere nationale pensioenstelsels, meer in het bijzonder in het pensioenstelsel van werknemers. Zoals blijkt uit het in punt 25 van deze beschikking aangehaalde antwoord van de Belgische regering, zijn de verschillen in de regeling van de vermindering te verklaren door de verschillen tussen de omvang van de stelsels en de middelen die hun ter beschikking staan » (HvJ, 30 april 2004, C-172/02, Robert Bourgard t. Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen (RVSZ)).

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 « betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese [Economische] en Monetaire Unie », bekrachtigd bij artikel 6, 2°, van de wet van 26 juni 1997, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 31 mei 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 « betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese [Economische] en Monetaire Unie », bekrachtigd bij artikel 6, 2°, van de wet van 26 juni 1997, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Sociale zekerheid

  • Pensioenen

  • Rustpensioen van de zelfstandigen

  • Berekening van het bedrag

  • Vermindering per jaar van pensionering vanaf de leeftijd van 60 jaar