- Arrest van 16 juni 2011

16/06/2011 - 105/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

- vernietigt artikel 7, eerste lid, van de wet van 23 december 2009 tot invoeging van een nieuw boek betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen in de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, in zoverre het de inwerkingtreding regelt van het bij artikel 2 van de wet van 23 december 2009 in de wet van 24 december 1993 ingevoegde artikel 65/15;

- verwerpt het beroep voor het overige.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 juni 2010 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 juni 2010, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 7 van de wet van 23 december 2009 tot invoeging van een nieuw boek betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen in de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 december 2009, derde editie) door de bvba « Challenge MC », met zetel te 2930 Brasschaat, Ter Borcht 46.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden en andere relevante bepalingen

B.1.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 7 van de wet van 23 december 2009 tot invoeging van een nieuw boek betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen in de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, dat bepaalt :

« De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze wet.

De overheidsopdrachten, de opdrachten en de prijsvragen voor ontwerpen bekendgemaakt vóór deze datum of waarvoor, bij ontstentenis van een bekendmaking van aankondiging, vóór deze datum een uitnodiging werd verstuurd om een aanvraag tot deelneming of een offerte in te dienen, blijven onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die gelden op het ogenblik van de aankondiging of van de uitnodiging ».

B.1.2. De datum van inwerkingtreding van de wet van 23 december 2009 werd vastgesteld bij artikel 76 van het koninklijk besluit van 10 februari 2010 tot wijziging van bepaalde koninklijke besluiten tot uitvoering van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, dat bepaalt :

« Treden in werking op 25 februari 2010 :

1° de wet van 23 december 2009 tot invoeging van een nieuw boek betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen in de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten;

2° dit besluit.

De overheidsopdrachten en de opdrachten bekendgemaakt vóór deze datum of waarvoor, bij ontstentenis van een bekendmaking van aankondiging, vóór deze datum een uitnodiging wordt verstuurd om zich kandidaat te stellen of een offerte in te dienen, blijven onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die gelden op het ogenblik van de aankondiging of van de uitnodiging ».

B.1.3. Volgens artikel 1 van de wet van 23 december 2009, zorgt die wet voor de omzetting van, onder meer, de richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 « tot wijziging van de richtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG van de Raad met betrekking tot de verhoging van de doeltreffendheid van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten ».

Artikel 3, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn bepaalt :

« De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 20 december 2009 aan deze richtlijn te voldoen. [...] ».

Ten aanzien van het belang van de verzoekende partij

B.2.1. De verzoekende partij motiveert haar belang bij het beroep tot vernietiging door erop te wijzen, enerzijds, dat de wet van 23 december 2009 de voorwaarden tot het verkrijgen van een schorsing, door de Raad van State, van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de aanbestedende instantie heeft versoepeld in die zin dat een verzoekende partij bij de Raad van State geen « moeilijk te herstellen ernstig nadeel » dient aan te tonen, noch het bestaan van een « -uiterst dringende noodzakelijkheid », en anderzijds, dat een door haar op 14 mei 2010 bij de Raad van State ingediende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd verworpen.

De Raad van State oordeelde, op grond van - het te dezen bestreden - artikel 7 van de wet van 23 december 2009 en het ter uitvoering daarvan genomen koninklijk besluit van 10 februari 2010, dat de bepalingen van de wet van 23 december 2009 nog niet van toepassing waren op het geschil - de opdracht werd immers bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en het Bulletin der Aanbestedingen van 27 januari 2010 -, en dat niet was aangetoond dat een gewone schorsing onherroepelijk te laat zou komen om het aangevoerde nadeel te weren.

De verzoekende partij voert daarbij eveneens aan dat het aangetekend schrijven waarmee de aanbestedende instantie haar op de hoogte bracht van het feit dat haar kandidatuur niet was geselecteerd, vermeldde dat zij een schorsingsberoep kon instellen bij de Raad van State, waarbij werd verwezen naar de bepalingen die bij de wet van 23 december 2009 in de wet van 24 december 1993 werden ingevoerd. Zij wijst tevens op het feit dat de lidstaten van de Europese Unie, volgens artikel 3, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn 2007/66/EG, de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking dienden te doen treden om uiterlijk op 20 december 2009 aan die richtlijn te voldoen.

B.2.2. Volgens de Ministerraad toont de verzoekende partij niet aan dat zij beschikt over een wettig belang om de vernietiging van de bestreden bepaling te vorderen. Het gegeven dat het door de verzoekende partij op 14 mei 2010 ingestelde schorsingsberoep door de Raad van State onontvankelijk werd verklaard, zou uitsluitend te wijten zijn aan haar eigen nalatigheid en onzorgvuldigheid. De wet van 23 december 2009 was op het ogenblik dat de verzoekende partij haar schorsingsberoep bij de Raad van State instelde immers reeds in het Belgisch Staatsblad verschenen, meer bepaald op 28 december 2009.

B.3.1. Uit een vernietiging van de bestreden bepaling zou voortvloeien dat de wet van 23 december 2009, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 december 2009, in werking zou treden op 7 januari 2010, en dat de nieuwe bepalingen die zij bevat toepasselijk zouden zijn op een overheidsopdracht die, zoals te dezen het geval is, is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en het Bulletin der Aanbestedingen van 27 januari 2010. Een dergelijke situatie zou de verzoekende partij toelaten zich op artikel 17 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof te beroepen, volgens hetwelk een arrest van de Raad van State, in zoverre het is gegrond op een bepaling van een wet die vervolgens door het Grondwettelijk Hof is vernietigd, of op een verordening ter uitvoering van die wet, geheel of ten dele kan worden ingetrokken, om aldus, in voorkomend geval, de intrekking te verkrijgen van het arrest nr. 205.058 van 10 juni 2010, waarmee de Raad van State de door haar ingediende vordering tot schorsing had verworpen.

B.3.2. Uit dat arrest blijkt dat de vordering tot schorsing van de verzoekende partij werd verworpen bij ontstentenis van een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.

Bovendien doen de door de verzoekende partij ter ondersteuning van haar middel aangevoerde argumenten ervan blijken dat de bestreden bepaling in hoofdzaak wordt bekritiseerd in zoverre zij de inwerkingtreding regelt van het bij artikel 2 van de wet van 23 december 2009 in de wet van 24 december 1993 ingevoegde artikel 65/15, dat bepaalt dat, « zonder dat het bewijs van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is vereist, [...] de verhaalinstantie, eventueel op straffe van een dwangsom, de uitvoering van de [...] beslissingen [inzake overheidsopdrachten kan] schorsen ».

B.3.3. Daaruit volgt dat de verzoekende partij doet blijken van een voldoende belang bij de vernietiging van artikel 7 van de wet van 23 december 2009 in zoverre het de inwerkingtreding regelt van het bij artikel 2 van de wet van 23 december 2009 in de wet van 24 december 1993 ingevoegde artikel 65/15.

Ten gronde

B.4. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemeen rechtsbeginsel van de onmiddellijke toepassing van de wetten op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging, met de artikelen 2 en 3 van het Gerechtelijk Wetboek, met de artikelen 160 van de Grondwet en 65/15 van de wet van 23 december 1993, met het wettigheidsbeginsel, met het rechtszekerheidsbeginsel, met artikel 190 van de Grondwet en met de richtlijn 2007/66/EG.

B.5.1. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het middel, omdat de verzoekende partij de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met allerlei beginselen, internationale bepalingen en grondwetsbepalingen, zonder aan te geven tussen welke categorieën van personen door de bestreden bepaling een verschil in behandeling wordt ingesteld. Aldus zou zij het Hof uitnodigen de bestreden bepaling rechtstreeks te toetsen aan die beginselen, internationale bepalingen en grondwetsbepalingen, waartoe het Hof niet bevoegd is.

B.5.2. Wanneer een verzoekende partij, in het kader van een beroep tot vernietiging, de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met andere grondwetsartikelen of internationale bepalingen of met algemene rechtsbeginselen die een fundamentele waarborg bevatten, bestaat het middel erin dat zij van oordeel is dat een verschil in behandeling wordt ingesteld doordat die fundamentele waarborg haar wordt ontnomen door de bepaling die zij met het beroep bestrijdt, terwijl die waarborg voor andere burgers onverminderd geldt. Aldus nodigt die verzoekende partij het Hof niet uit om de bestreden bepaling rechtstreeks te toetsen aan de bedoelde beginselen en bepalingen. Uit het verzoekschrift en de memories van de verzoekende partij blijkt voldoende duidelijk dat zij, onder meer, het verschil in behandeling bekritiseert dat door de bestreden bepaling in het leven wordt geroepen tussen, enerzijds, de categorie van personen die voordeel haalt uit de omzetting, door de wet van 23 december 2009, van de richtlijn 2007/66/EG in nationaal recht en, anderzijds, de categorie van personen die daar geen voordeel uit haalt vanwege de in de bestreden bepaling vervatte modaliteiten betreffende de inwerkingtreding van de wet van 23 december 2009.

B.6.1. De bestreden bepaling wordt bekritiseerd in zoverre zij de inwerkingtreding regelt van het bij artikel 2 van de wet van 23 december 2009 in de wet van 24 december 1993 ingevoegde artikel 65/15, dat bepaalt :

« Onder dezelfde voorwaarden als die bedoeld in artikel 65/14 en zonder dat het bewijs van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is vereist, kan de verhaalinstantie, eventueel op straffe van een dwangsom, de uitvoering van de in artikel 65/14 bedoelde beslissingen schorsen en, wat betreft de Raad van State, zolang het vernietigingsberoep bij hem aanhangig is :

1° de voorlopige maatregelen bevelen om de beweerde schending ongedaan te maken of te voorkomen dat de betrokken belangen worden geschaad;

2° de voorlopige maatregelen bevelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van haar uitspraak.

De vordering tot schorsing wordt ingediend volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid of in kort geding, overeenkomstig artikel 65/24.

De verhaalinstantie houdt rekening met de vermoedelijke gevolgen van de schorsing van de uitvoering en van de voorlopige maatregelen voor alle belangen die kunnen worden geschaad, alsook met het openbaar belang, en kan beslissen om de schorsing van de uitvoering of de voorlopige maatregelen niet toe te staan wanneer hun negatieve gevolgen groter zouden zijn dan hun voordelen.

De beslissing om de schorsing van de uitvoering of de voorlopige maatregelen niet toe te staan, doet geen afbreuk aan de andere door de indiener ingeroepen rechten.

De vordering tot voorlopige maatregelen kan samen met de in het eerste lid bedoelde vordering tot schorsing of met de in artikel 65/14 bedoelde vordering tot nietigverklaring of afzonderlijk worden ingediend ».

B.6.2. Volgens de Ministerraad toont de verzoekende partij, die in hoofdzaak bekritiseert dat artikel 65/15 niet in werking is getreden vóór het verstrijken van de in artikel 3, lid 1, van de richtlijn 2007/66/EG bedoelde omzettingstermijn, niet aan dat de in artikel 17 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State geregelde voorwaarden om een schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement van een administratieve overheid te verkrijgen, onbestaanbaar zouden zijn met de richtlijn 2007/66/EG.

B.6.3. Artikel 65/15 werd in de parlementaire voorbereiding toegelicht als volgt :

« In afwijking van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan de schorsing van de uitvoering worden bevolen volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, zelfs indien de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beslissing geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou berokkenen.

De soms beperkende beoordeling van dit nadeel heeft de wetgever eerder tot het inzicht gebracht dat het om een hinderpaal kon gaan voor het instellen van nuttige beroepen door onregelmatig geweerde kandidaten of inschrijvers. Om die reden werd in het kader van de wet van 16 juni 2006, en dus onrechtstreeks, beslist de bevoegdheidsvoorwaarden van de Raad van State te wijzigen door deze voorwaarde af te schaffen. Deze maatregel die het nuttig effect van de verhaalprocedures inzake opdrachten aanzienlijk moet helpen bevorderen, wordt in dit ontwerp bevestigd » (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2276/001, pp. 29-30).

B.6.4. Daaruit blijkt dat de in artikel 65/15, eerste lid, van de wet van 24 december 1993 vervatte regel is geïnspireerd op de regeling vervat in de wet van 16 juni 2006 « betreffende de gunning, informatie aan kandidaten en inschrijvers en wachttermijn inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten », waarvan de datum van inwerkingtreding, volgens artikel 5 ervan, diende te worden bepaald door de Koning, wat evenwel niet is gebeurd, zodat de wet niet in werking is getreden.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat artikel 2, § 3, eerste lid, tweede zin, van de wet van 16 juni 2006, volgens hetwelk de « inschrijver die benadeeld is of benadeeld dreigt te worden, de schorsing [kan] vorderen van de gunning van de opdracht, zonder dat een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is vereist », in de wet werd ingevoegd om tegemoet te komen aan een opmerking van de afdeling wetgeving van de Raad van State, die in haar advies had gesteld :

« Voorts moet erop gewezen worden dat in de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, zoals in de gewone schorsingsprocedure, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet worden aangetoond, hetgeen niet vanzelfsprekend is, zodat op dit punt vragen kunnen rijzen over de effectieve toegankelijkheid van het rechtsmiddel voor eenieder die belang heeft bij de gunning en die door de aangevoerde schending ' is of dreigt te worden gelaedeerd ' (artikel 1, lid 3, van richtlijn 89/665/EEG en artikel 1, lid 3, van richtlijn 92/13/EEG) » (advies van 6 september 2005, 38.703/1/V, Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2237/001, p. 141).

De memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de wet van 16 juni 2006 vermeldt ter zake :

« Paragraaf 3 schrapt de noodzaak van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voor het instellen van een beroep volgens de spoedprocedure voor de Raad van State. Deze wijziging is noodzakelijk wil België de Europese beroepsrichtlijnen alsook de rechtspraak van het Hof van Justitie terzake eerbiedigen » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2237/001, p. 65).

B.6.5. De wetgever blijkt bijgevolg zelf van oordeel te zijn geweest dat de in het kader van een schorsingsprocedure bij de Raad van State geldende voorwaarde inzake het bestaan van « een moeilijk te herstellen ernstig nadeel » diende te worden geschrapt om tegemoet te komen aan de richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 « houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken » en aan de richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 « tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie », die beide in hun artikel 1, lid 3, bepaalden :

« De Lid-Staten dragen er zorg voor dat de beroepsprocedures, volgens modaliteiten die de Lid-Staten kunnen bepalen, op zijn minst toegankelijk zijn voor een ieder die belang heeft of heeft gehad bij de gunning van een bepaalde opdracht en die door een beweerde inbreuk is of dreigt te worden gelaedeerd ».

B.6.6. Artikel 1 van de richtlijn 2007/66/EG, die de voormelde richtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG wijzigt, voorziet in een bepaling die identiek is aan het in B.6.5 aangehaalde artikel 1, lid 3, van die laatste richtlijnen. Wat de voorwaarde betreffende het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, diende de Belgische Staat de vereiste maatregelen in werking te laten treden op uiterlijk 20 december 2009 om op dit punt aan de richtlijn 2007/66/EG te voldoen.

B.7. Te dezen dient rekening ermee te worden gehouden dat het optreden van de wetgever ertoe strekt Europese richtlijnen om te zetten in nationaal recht. In die omstandigheden dient de wetgever bij het bepalen van de datum van inwerkingtreding van de wet en van overgangsmaatregelen rekening te houden met de door die richtlijnen voorgeschreven datum waarop aan de bepalingen ervan dient te zijn voldaan, en dient hij zich, wanneer de omzettingstermijn dreigt te worden overschreden, te onthouden van het nemen van maatregelen die de inwerkingtreding van de wet uitstellen tot na die omzettingstermijn.

Wat artikel 7, eerste lid, betreft

B.8. Volgens het eerste lid van de bestreden bepaling komt het toe aan de Koning om de datum van inwerkingtreding van de wet van 23 december 2009 te bepalen.

In haar advies bij het ontwerp dat heeft geleid tot de wet van 23 december 2009 heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State ter zake gesteld :

« Artikel 8, eerste lid, van het ontwerp [later : artikel 7, eerste lid] draagt de Koning op om de datum van inwerkingtreding van de ontworpen wet te bepalen. Daarbij wordt geen melding gemaakt van een uiterste datum van inwerkingtreding. Er dient evenwel mee rekening te worden gehouden dat richtlijn 2007/66/EG luidens haar artikel 3, lid 1, uiterlijk op 20 december 2009 in het interne recht dient te zijn omgezet » (advies van 29 oktober 2009, 47.322/1, Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2276/001, p. 78).

B.9. De parlementaire voorbereiding bevat geen verantwoording voor de in het eerste lid van de bestreden bepaling verleende machtiging aan de Koning.

B.10. De Ministerraad voert ter zake aan dat de wetgever de aanbestedende overheden de mogelijkheid heeft willen bieden om zich aan te passen aan de nieuwe regelgeving bij het organiseren van hun overheidsopdrachten.

Ofschoon die argumentatie in andere omstandigheden als legitiem zou kunnen worden beschouwd, kan ze te dezen geen objectieve en redelijke verantwoording vormen voor de in het eerste lid van de bestreden bepaling vervatte maatregel die met zich meebrengt dat de inwerkingtreding van het voormelde artikel 65/15 wordt vertraagd. Dit laatstgenoemde artikel kan de aanbestedende overheden immers niet verhinderen de procedures voor het gunnen van hun overheidsopdrachten te organiseren indien het verbindend zou zijn op de tiende dag na de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad , aangezien het betrekking heeft op een voorwaarde tot aanhangigmaking bij de bevoegde rechtscolleges.

B.11. In zoverre het is gericht tegen artikel 7, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 65/15, ingevoegd in de wet van 24 december 1993 bij artikel 2 van de wet van 23 december 2009, is het middel gegrond.

Wat artikel 7, tweede lid, betreft

B.12. Artikel 7, tweede lid, van de bestreden wet bepaalt dat de overheidsopdrachten, de opdrachten en de prijsvragen voor ontwerpen die werden bekendgemaakt vóór de datum van inwerkingtreding van de wet of waarvoor vóór die datum een uitnodiging werd verstuurd om een aanvraag tot deelneming of een offerte in te dienen, onderworpen blijven aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die gelden op het ogenblik van de aankondiging of van de uitnodiging.

B.13. Het komt in beginsel de wetgever toe om de inwerkingtreding van een nieuwe wet te regelen en uit te maken of hij al dan niet in overgangsmaatregelen dient te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien het tijdstip van inwerkingtreding tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan.

Het vertrouwensbeginsel is nauw verbonden met het - tevens door de verzoekende partij aangevoerde - rechtszekerheidsbeginsel, dat de wetgever verbiedt om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien.

B.14. Het algemeen rechtsbeginsel van de onmiddellijke toepassing van de wetten op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging, vindt een nadere verwoording in artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek, dat ingevolge artikel 2 van dat Wetboek eveneens toepassing kan vinden op andere rechtsplegingen dan die welke zijn geregeld in dat Wetboek.

Artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« De wetten op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging zijn van toepassing op de hangende rechtsgedingen, zonder dat die worden onttrokken aan de instantie van het gerecht waarvoor zij op geldige wijze aanhangig zijn, en behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald ».

Zoals de in die bepaling gebruikte bewoordingen aangeven, staat het aan de wetgever om uit te maken of hij in een bepaald geval afwijkt van de algemene regeling vervat in die bepaling of in het overeenstemmende algemene rechtsbeginsel, zonder dat door dat enkele feit het gelijkheidsbeginsel in het gedrang zou komen. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de bestreden overgangsregeling een verschil in behandeling doet ontstaan waarvoor geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat.

B.15. De wetgever kon terecht van oordeel zijn dat de toepassing van de bij de wet van 23 december 2009 ingevoerde bepalingen - die betrekking hebben op verschillende fasen bij het gunnen van opdrachten (bekendmaking, selectie, beroep, gunning, enz.), en die, onder meer door kruisverwijzingen, onderling met elkaar zijn verbonden - op de overheidsopdrachten, de opdrachten, de prijsvragen en de uitnodigingen die vóór de inwerkingtreding van de wet werden bekendgemaakt of verstuurd, aanleiding zou kunnen geven tot juridische en praktische problemen, en aldus op onevenredige wijze afbreuk zou kunnen doen aan het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, ten aanzien van de personen die bij die opdrachten zijn betrokken.

B.16.1. Bovendien doet de bestreden bepaling, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij doet gelden, volgens welke de rechtsonderhorigen erop konden vertrouwen dat zij zich na de uiterste omzettingsdatum van de richtlijn 2007/66/EG zouden kunnen beroepen op de in die richtlijn vervatte waarborgen, geen afbreuk aan het rechtszekerheidsbeginsel.

B.16.2. Enerzijds, hoewel artikel 3, lid 1, van de richtlijn 2007/66/EG bepaalt dat de lidstaten de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen « in werking [doen] treden » om uiterlijk op 20 december 2009 aan de richtlijn « te voldoen », voorziet die bepaling niet in een onmiddellijke toepassing van de omzettingswet op de aan de gang zijnde procedures inzake overheidsopdrachten.

B.16.3. Anderzijds, staat het rechtszekerheidsbeginsel, dat de voorzienbaarheid van het recht inhoudt, niet eraan in de weg dat de nationale wetgever de datum van het uitschrijven van de overheidsopdracht, en niet de toekenningsdatum ervan, in aanmerking neemt als datum waarop de nieuwe regeling toepasbaar is. De toekenningsdatum van de opdracht geeft immers het einde van de toekenningsprocedure van de overheidsopdracht aan, terwijl de beslissing van de aanbestedende overheid om het bestek vast te stellen en gebruik te maken van een bepaalde gunningsprocedure wordt genomen in het beginstadium ervan naar gelang van het recht dat op dat ogenblik van toepassing is.

B.17. Gezien het voorafgaande bestaat er geen aanleiding om het verzoek van de verzoekende partij om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in te willigen.

B.18. In zoverre het tegen artikel 7, tweede lid, van de wet van 23 december 2009 is gericht, is het middel niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

- vernietigt artikel 7, eerste lid, van de wet van 23 december 2009 tot invoeging van een nieuw boek betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen in de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, in zoverre het de inwerkingtreding regelt van het bij artikel 2 van de wet van 23 december 2009 in de wet van 24 december 1993 ingevoegde artikel 65/15;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 juni 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van artikel 7 van de wet van 23 december 2009 tot invoeging van een nieuw boek betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen in de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, ingesteld door de bvba « Challenge MC ». Bestuursrecht

  • Overheidsopdrachten

  • Rechtsmiddelen

  • 1. Vordering tot schorsing

  • Geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel

  • 2. Wijziging van de wetgeving

  • a. Overgangsmaatregel

  • b. Rechtszekerheid

  • c. Bepalen van de datum van inwerkingtreding

  • (i) Machtiging aan de Koning

  • (ii) Gewekt vertrouwen

  • 3. Omzetting van Europese richtlijnen.