- Arrest van 30 juni 2011

30/06/2011 - 118/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De vroegere artikelen 232 en 306 van het Burgerlijk Wetboek, zoals zij van toepassing waren vóór hun opheffing bij de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, E. Derycke, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 18 oktober 2010 in zake F.C. tegen J.-P. V., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 oktober 2010, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de vroegere artikelen 232 en 306 van het Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat de echtgenoot die het slachtoffer is en die een echtscheidingsvonnis uitgesproken op grond van het vroegere artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek verkrijgt na twee jaar scheiding, de mogelijkheid moet dulden dat de schuldige echtgenoot het vermoeden van schuld waarin het vroegere artikel 306 van het Burgerlijk Wetboek voorziet, kan weerleggen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij een onverantwoord onderscheid in het leven roepen tussen :

- een echtgenoot die binnen twee jaar na de scheiding een echtscheidingsvonnis verkrijgt op grond van het vroegere artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek en die niet de mogelijkheid moet dulden dat de schuldige echtgenoot het vermoeden van schuld waarin het vroegere artikel 306 van het Burgerlijk Wetboek voorziet, kan weerleggen

- en de echtgenoot die na twee jaar scheiding een echtscheidingsvonnis verkrijgt op grond van het vroegere artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek en die de mogelijkheid moet dulden dat de schuldige echtgenoot het vermoeden van schuld waarin het vroegere artikel 306 van het Burgerlijk Wetboek voorziet, kan weerleggen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Vóór de opheffing of de vervanging ervan bij de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding bepaalden de artikelen 231, 232, 301 en 306 van het Burgerlijk Wetboek :

« Art. 231. Ieder der echtgenoten kan echtscheiding vorderen op grond van gewelddaden, mishandeling of grove beledigingen door de andere echtgenoot jegens hem gepleegd.

Art. 232. Ieder der echtgenoten kan echtscheiding vorderen op grond van feitelijke scheiding van meer dan twee jaar, indien daaruit de duurzame ontwrichting van het huwelijk blijkt en het toekennen van de echtscheiding op deze grond de materiële toestand van de minderjarige kinderen uit het huwelijk van de echtgenoten geboren of door hen geadopteerd niet op gevoelige wijze verslecht.

Echtscheiding kan tevens door een der echtgenoten gevorderd worden, indien de feitelijke scheiding van meer dan twee jaar het gevolg is van de toestand van krankzinnigheid of van diepe geestesgestoordheid waarin de andere echtgenoot zich bevindt en uit deze toestand een duurzame ontwrichting van het huwelijk blijkt, en het toekennen van de echtscheiding op deze grond de materiële toestand van de minderjarige kinderen uit het huwelijk van de echtgenoten geboren of door hen geadopteerd niet op gevoelige wijze verslecht. Die echtgenoot wordt vertegenwoordigd door zijn voogd, zijn algemene of bijzondere voorlopige bewindvoerder of, bij gebreke daarvan, door een beheerder ad hoc vooraf door de voorzitter van de rechtbank aangewezen op verzoek van de eisende partij.

[...]

Art. 301. § 1. De rechtbank kan aan de echtgenoot die de echtscheiding heeft verkregen, uit de goederen en de inkomsten van de andere echtgenoot, een uitkering toekennen die, rekening houdend met zijn inkomsten en mogelijkheden, hem in staat stellen kan in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven.

§ 2. De rechtbank die de uitkering toekent stelt vast dat deze van rechtswege aangepast wordt aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen.

Het basisbedrag van de uitkering stemt overeen met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand gedurende welke het vonnis of het arrest dat de echtscheiding uitspreekt, kracht van gewijsde heeft verkregen, tenzij de rechtbank er anders over beslist. Om de twaalf maanden wordt het bedrag van de uitkering van rechtswege aangepast in verhouding tot de verhoging of de verlaging van het indexcijfer van de consumptieprijzen van de overeenstemmende maand.

Deze wijzigingen worden op de uitkeringen toegepast vanaf de vervaldag die volgt op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het in aanmerking te nemen nieuwe indexcijfer.

De rechtbank kan nochtans in bepaalde omstandigheden een ander systeem van aanpassing van de uitkering aan de kosten van levensonderhoud toepassen.

§ 3. Indien de uitkering, ingevolge omstandigheden onafhankelijk van de wil van de uitkeringsgerechtigde, in ruime mate ontoereikend is geworden om de in § 1 bedoelde toestand te waarborgen, kan de rechtbank de uitkering verhogen.

Indien de toestand van de uitkeringsgerechtigde een ingrijpende wijziging heeft ondergaan zodat het bedrag van de uitkering niet meer verantwoord is, kan de rechtbank de uitkering verminderen of opheffen.

Dit geldt eveneens bij ingrijpende wijziging van de toestand van de uitkeringsplichtige ingevolge omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.

§ 4. Het bedrag van de uitkering mag in geen geval hoger zijn dan een derde van de inkomsten van de tot uitkering gehouden echtgenoot.

§ 5. De uitkering kan te allen tijde door een kapitaal worden vervangen op grond van een overeenkomst tussen de partijen gehomologeerd door de rechtbank. De rechtbank kan ook de kapitalisatie te allen tijde toekennen op aanvraag van de tot uitkering gehouden echtgenoot.

§ 6. De uitkering is niet meer verschuldigd bij het overlijden van de tot uitkering gehouden echtgenoot, maar de echtgenoot aan wie de uitkering toekwam mag levensonderhoud vorderen ten bezware van de nalatenschap, dit volgens de voorwaarden voorzien in artikel 205bis, §§ 2, 3, 4 en 5 van het Burgerlijk Wetboek.

[...]

Art. 306. Voor de toepassing van de artikelen 299, 300 en 301, wordt de echtgenoot die de echtscheiding verkrijgt op grond van artikel 232, eerste lid, geacht de echtgenoot te zijn tegen wie de echtscheiding is uitgesproken; de rechtbank kan er anders over beslissen indien de eisende echtgenoot het bewijs levert dat de feitelijke scheiding te wijten is aan de fouten en tekortkomingen van de andere echtgenoot ».

B.2. De verwijzende rechter stelt aan het Hof een vraag over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van de vroegere artikelen 232 en 306 van het Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat de echtgenoot die een echtscheidingsvonnis uitgesproken op grond van het vroegere artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek verkrijgt na twee jaar scheiding, de mogelijkheid moet dulden dat zijn echtgenoot het vermoeden van schuld waarin het vroegere artikel 306 van het Burgerlijk Wetboek voorziet, kan omkeren, terwijl diegene die vóór twee jaar scheiding een soortgelijk vonnis verkrijgt, dat niet moet.

B.3. De door de verwijzende rechter aan de in het geding zijnde bepalingen gegeven interpretatie ligt in het verlengde van een arrest van het Hof van Cassatie van 22 december 2008 (Arr. Cass., 2008, nr. 747). In dat arrest is het Hof van oordeel :

« De omkering van het vermoeden van de toerekenbaarheid van de feitelijke scheiding, ingevoerd bij het voormelde artikel 306, dat alleen ertoe strekt de andere echtgenoot de in de artikelen 299, 300 en 301 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechten te ontzeggen, is niet uitgesloten wanneer de andere echtgenoot de echtscheiding reeds verkregen heeft op grond van overspel of grove beledigingen ».

B.4. Volgens de verwijzende rechter zouden de in het geding zijnde bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling in het leven roepen tussen de echtgenoten, naargelang zij op grond van het vroegere artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek een echtscheidingsvonnis verkrijgen binnen twee jaar na de feitelijke scheiding of na die twee jaar, waarbij de eersten niet de mogelijkheid moeten dulden dat hun echtgenoot het vermoeden van schuld kan omkeren, in tegenstelling met de tweeden.

B.5. Terwijl de echtscheiding wegens bepaalde feiten bedoeld in de artikelen 229 en 231 van het Burgerlijk Wetboek gegrond is op de fout van één van de echtgenoten, is de echtscheiding bedoeld in artikel 232, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, volgens de toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 1 juli 1974 waarbij het in het geding zijnde artikel 306 in het Burgerlijk Wetboek is ingevoegd, gegrond op de omstandigheid dat na een aantal jaren van feitelijke scheiding, « de kans op verzoening tussen echtgenoten onbestaande [is] geworden » (Parl. St., Senaat, 1971-1972, nr. 161, p. 1).

B.6. De rechtbank kan aan de echtgenoot die de echtscheiding heeft verkregen een uitkering, uit de goederen en de inkomsten van de andere echtgenoot, toekennen die, rekening houdend met zijn inkomsten en mogelijkheden, hem in staat kan stellen in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven (artikel 301, § 1, van het Burgerlijk Wetboek).

Wanneer het gaat om een echtscheiding op grond van feitelijke scheiding, wordt de echtgenoot die de echtscheiding heeft gevorderd en verkregen, beschouwd als degene tegen wie de echtscheiding is uitgesproken. De rechtbank kan aan die echtgenoot echter een uitkering toekennen indien deze het bewijs levert dat de feitelijke scheiding te wijten is aan de fouten en tekortkomingen van de andere echtgenoot (artikel 306 van hetzelfde Wetboek).

B.7.1. Anders dan de echtscheiding op grond van bepaalde feiten steunt de echtscheiding op grond van feitelijke scheiding niet op het bestaan van een « fout ». Om de echtscheiding op grond van feitelijke scheiding te verkrijgen, moet derhalve geen enkel bewijs van een fout worden geleverd.

Pas wanneer het erom gaat de gevolgen van de echtscheiding te regelen, en met name te beslissen over de toekenning van uitkeringen tot levensonderhoud, stelt de wetgever een vermoeden van schuld vast ten aanzien van de echtgenoot die de echtscheiding vordert op grond van feitelijke scheiding en die die echtscheiding verkrijgt.

B.7.2. Het komt de wetgever toe te beoordelen in welke mate een echtgenoot moet worden beschermd die, door een eenzijdig initiatief van de andere echtgenoot, de hulp die echtgenoten elkaar verschuldigd zijn, ingevolge artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek, zou verliezen en hierdoor noodlijdend zou worden. Hiertoe kan hij, ten laste van één van beide echtgenoten, bepaalde gevolgen van de plicht tot hulp handhaven nadat het huwelijk door echtscheiding is ontbonden, door die echtgenoot te verplichten alimentatiegeld te betalen.

B.8.1. Het vroegere artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek staat de rechtbank toe een uitkering tot levensonderhoud toe te kennen aan de echtgenoot die de echtscheiding heeft verkregen. Om de echtscheiding te verkrijgen moet die echtgenoot niet alleen de schuld van de andere echtgenoot bewijzen, maar bovendien bewijzen dat hem geen schuld treft. Het debat over de eventuele gedeelde schuld kan verlopen in het kader van de echtscheiding op grond van bepaalde feiten, wanneer beide echtgenoten een hoofdvordering of een tegenvordering instellen op die grond of in het kader van de echtscheiding op grond van feitelijke scheiding, wanneer de eisende echtgenoot probeert het bij artikel 306 van het Burgerlijk Wetboek ingestelde vermoeden van schuld om te keren. In beide gevallen kan alleen de echtgenoot ten aanzien van wie geen enkele uitsluitende of gedeelde schuld is vastgesteld, een uitkering tot levensonderhoud verkrijgen.

B.8.2. Het vermoeden dat artikel 306 van het Burgerlijk Wetboek instelt, kan dus worden omgekeerd. De rechtbank kan in dat geval een uitkering tot levensonderhoud toekennen aan de echtgenoot die de echtscheiding heeft gevorderd indien hij het bewijs levert dat de feitelijke scheiding te wijten is aan de fouten en tekortkomingen van de andere echtgenoot.

B.8.3. Het is niet verantwoord de echtgenoten wier echtscheiding partim op grond van het vroegere artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek en partim op grond van het vroegere artikel 232 van dat Wetboek is uitgesproken, verschillend te behandelen. Hoewel de in de vroegere artikelen 229 en 231 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde feiten in abstracto zwaarder zijn dan de in het vroegere artikel 306 bedoelde fouten en tekortkomingen, sluiten zij niet noodzakelijk in alle gevallen een gedeelde schuld uit.

Het komt de rechter bij wie het geschil aanhangig is gemaakt, toe de respectieve schuld in concreto tegen elkaar af te wegen om te beslissen of de echtscheiding uitsluitend in het nadeel van de ene of de andere echtgenoot of in het nadeel van beide echtgenoten wordt uitgesproken.

B.9.1. In zijn arrest nr. 161/2006 van 8 november 2006 oordeelde het Hof dat het fundamentele verschil tussen de echtscheiding op grond van bepaalde feiten en de echtscheiding op grond van feitelijke scheiding op objectieve en redelijke wijze verantwoordt dat de fouten en tekortkomingen die in voorkomend geval moeten worden bewezen om een uitkering tot levensonderhoud toegekend te krijgen, minder zwaar kunnen zijn dan de feiten bedoeld in de artikelen 229 en 231 van het Burgerlijk Wetboek.

B.9.2. In deze zaak dient het Hof na te gaan of het verschil tussen beide vormen van echtscheiding ten aanzien van de ernst van de fouten en tekortkomingen die moeten worden bewezen om een uitkering tot levensonderhoud te verkrijgen, de wetgever ertoe verplicht uit te sluiten dat een echtgenoot die met toepassing van het vroegere artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek als schuldig wordt erkend, het bij het vroegere artikel 306 van het Burgerlijk Wetboek ingestelde vermoeden van schuld kan omkeren.

B.10. Aangezien het debat over de uitsluitende of gedeelde schuld van de echtgenoten met het oog op het verkrijgen van een uitkering tot levensonderhoud zowel in de echtscheidingsprocedures op grond van bepaalde feiten als in de echtscheidingsprocedures op grond van feitelijke scheiding en in de gemengde procedures wordt gevoerd, bestaat het verschil in behandeling tussen echtgenoten, zoals bedoeld in de prejudiciële vraag, niet.

B.11. Overigens is de omstandigheid dat een echtscheidingsprocedure een zekere tijd in beslag neemt die de ene of de andere partij - ongeacht of die eiseres in hoofdvordering of op tegenvordering is - de mogelijkheid biedt de reden van haar vordering te wijzigen en zich te beroepen op artikel 232 van het Burgerlijk Wetboek, op zich geen bron van discriminatie.

B.12. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De vroegere artikelen 232 en 306 van het Burgerlijk Wetboek, zoals zij van toepassing waren vóór hun opheffing bij de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 30 juni 2011, door rechter J.-P. Snappe, ter vervanging van voorzitter R. Henneuse, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van dit arrest bij te wonen.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De wnd. voorzitter,

J.-P. Snappe.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over de artikelen 231 en 306 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan bij de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Burgerlijk recht

  • Echtscheiding

  • Uitkering tot levensonderhoud

  • 1. Echtscheiding op grond van bepaalde feiten

  • 2. Echtscheiding op grond van feitelijke scheiding van meer dan twee jaar

  • Echtgenoot die de echtscheiding vordert

  • Weerlegbaar vermoeden van schuld.