- Arrest van 7 juli 2011

07/07/2011 - 122/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 323 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van kracht vóór de opheffing ervan bij artikel 24 van de wet van 1 juli 2006, schendt artikel 22 van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter J.-P. Snappe,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 11 juni 2010 in zake N.W. tegen M.-J. D., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 juni 2010, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schendt het vroegere artikel 323 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het het instellen van een rechtsvordering tot onderzoek naar het vaderschap door een kind dat tijdens het huwelijk van zijn moeder is geboren, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat er geen bezit van staat bestaat ten aanzien van diegene van wie het vaderschap krachtens de artikelen 315 en 317 van het Burgerlijk Wetboek vaststaat, terwijl artikel 322 van dat Wetboek het instellen van dezelfde rechtsvordering door een kind dat buiten het huwelijk is geboren, niet van een dergelijke voorwaarde afhankelijk stelt ?

2. Schendt het vroegere artikel 323 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet in zoverre het een kind verbiedt zijn biologische vader te zoeken en zijn vaderschap te laten erkennen wanneer het tijdens het huwelijk van zijn moeder is verwekt en zijn afstamming ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder wordt bevestigd door een bezit van staat ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 323 van het Burgerlijk Wetboek, vóór de opheffing ervan bij artikel 24 van de wet van 1 juli 2006, dat bepaalde :

« Wanneer het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 315 of 317 niet bevestigd wordt door het bezit van staat, kan het vaderschap van een andere man dan de echtgenoot bij vonnis worden vastgesteld in de gevallen bepaald in artikel 320 ».

B.1.2. Het kind dat geboren is tijdens het huwelijk of binnen 300 dagen na de ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk, heeft de echtgenoot tot vader (artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek).

Het kind dat geboren is binnen 300 dagen na de ontbinding of de nietigverklaring van het huwelijk van zijn moeder en na een nieuw huwelijk van deze, heeft de nieuwe echtgenoot tot vader. Wordt dit vaderschap betwist, dan wordt de vorige echtgenoot geacht de vader te zijn, behalve wanneer ook zijn vaderschap wordt betwist of wanneer het vaderschap van een derde komt vast te staan (artikel 317 van het Burgerlijk Wetboek).

B.1.3. Met betrekking tot het bezit van staat bepaalt artikel 331nonies van het Burgerlijk Wetboek :

« Het bezit van staat moet voortdurend zijn.

Het wordt bewezen door feiten die te samen of afzonderlijk de betrekking van afstamming aantonen.

Die feiten zijn onder meer :

- dat het kind altijd de naam heeft gedragen van degene van wie wordt gezegd dat het afstamt;

- dat laatstgenoemde het als zijn kind heeft behandeld;

- dat die persoon als vader of moeder in zijn onderhoud en opvoeding heeft voorzien;

- dat het kind die persoon heeft behandeld als zijn vader of moeder;

- dat het als zijn kind wordt erkend door de familie en in de maatschappij;

- dat de openbare overheid het als zodanig beschouwt ».

B.2. Het onderzoek naar het vaderschap, op grond van de in het geding zijnde bepaling, kon slechts plaatsvinden wanneer het vaderschap niet door het bezit van staat werd bevestigd. Beide prejudiciële vragen hebben betrekking op die voorwaarde.

In de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij een discriminatie zou doen ontstaan tussen de personen die tijdens het huwelijk zijn geboren en degenen die buiten het huwelijk zijn geboren, aangezien voor het onderzoek naar het vaderschap ten opzichte van een kind dat buiten het huwelijk is geboren niet de voorwaarde van bezit van staat wordt gesteld.

In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van dezelfde bepaling met de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, doordat zij een aantasting van het recht op eerbiediging van het privéleven van kinderen zou doen ontstaan, aangezien de voormelde voorwaarde eraan in de weg staat dat de afstamming van een kind ten aanzien van zijn biologische vader wordt vastgesteld.

Aangezien beide vragen betrekking hebben op dezelfde voorwaarde, worden zij samen onderzocht.

B.3. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt :

« Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.

De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».

Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».

Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever « een zo groot mogelijke concordantie [heeft willen nastreven] met artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), teneinde betwistingen over de inhoud van dit Grondwetsartikel respectievelijk art. 8 van het EVRM te vermijden » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2).

B.4. De in het geding zijnde regeling voor het onderzoek naar het vaderschap valt onder de toepassing van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.5. Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, beoogt in wezen de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven.

Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet sluit, evenmin als artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, een overheidsinmenging in de uitoefening van dat recht niet uit, maar beide artikelen vereisen dat in die inmenging wordt voorzien door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31).

B.6. De wetgever beschikt bij de uitwerking van een regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, over een appreciatiemarge om rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM, 26 mei 1994, Keegan t. Ierland, § 49; 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; 2 juni 2005, Znamenskaya t. Rusland, § 28; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 34).

Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd : om te oordelen of een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op de eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Zulks vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover die van de samenleving in haar geheel, maar tevens tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 46), op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig is met de nagestreefde wettige doelstellingen. Die belangenafweging moet ertoe leiden dat de biologische en sociale werkelijkheid primeert op een wettelijk vermoeden indien dat laatste frontaal ingaat tegen de vastgestelde feiten en de wensen van de betrokkenen, zonder dat het iemand een tastbaar voordeel oplevert (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 40; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 44; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 113; 10 oktober 2006, Paulik t. Slovakije, § 46).

Zelfs indien het wettelijke vermoeden iemand tot voordeel strekt, dan nog kan dat voordeel op zichzelf niet verantwoorden dat elk onderzoek naar het vaderschap bij voorbaat wordt uitgesloten (zie EHRM, 16 juni 2011, Pascaud t. Frankrijk, § § 57-69).

B.7. De in het geding zijnde bepaling staat eraan in de weg dat een kind, van wie de afstamming van vaderszijde niet alleen krachtens de wet wordt vermoed omdat het tijdens het huwelijk van zijn moeder is geboren, maar ook wordt bevestigd door het bezit van staat, aan de rechter vraagt om zijn afstamming vast te stellen ten aanzien van een andere man dan de echtgenoot van zijn moeder die als zijn biologische vader wordt voorgesteld.

Die bepaling maakte deel uit van een uitgebreide hervorming van het afstammingsrecht die onder meer ertoe strekte rechtsgelijkheid voor alle kinderen in te voeren, met name in de vorm van de toekenning van het recht van elk kind op vaststelling van zijn afstamming (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 305-1, pp. 3-4). De bekommernis van de wetgever bestond toen erin erover te waken dat de vaststelling van een afstamming zo veel mogelijk met de « biologische werkelijkheid » overeenstemde, door tevens erover te waken dat « excessen » werden vermeden en dat « het socio-affectieve ouderschap [niet werd opgeofferd] aan de biologische waarheid » (ibid., pp. 4 en 16).

Bij die hervorming van het afstammingsrecht werd een onderscheid gemaakt tussen drie wijzen van vaststelling van de afstamming van vaderszijde (ibid., p. 11) : het « vermoeden van vaderschap » dat verband houdt met het huwelijk van de moeder, de « erkenning » en het « onderzoek naar het vaderschap », hetgeen strekt tot de vaststelling van de afstamming van vaderszijde bij een vonnis.

Aangezien hij duidelijk de voorrang gaf aan de eerste van die drie wijzen van vaststelling van de afstamming van vaderszijde (ibid., pp. 4 en 11; Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 378/16, p. 6), sloot de wetgever in beginsel het « onderzoek naar het vaderschap » uit voor een kind ten aanzien van wie het vaderschap op grond van het wettelijk vermoeden vaststond. Dat beleid werd verantwoord vanuit de bekommernis om de « rust der families » te verzekeren, een bekommernis die in een dergelijk geval belangrijker werd geacht dan de « drang naar waarheid » of het « principe van de biologische waarheid » (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 305-1, pp. 15-16). Het « onderzoek naar het vaderschap » van een dergelijk kind moest dus uitzonderlijk blijven en enkel worden toegestaan wanneer het vermoeden van vaderschap niet werd bevestigd door een bezit van staat ten aanzien van de echtgenoot van de moeder (ibid., p. 15).

B.8. Hoewel de rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden legitieme doelstellingen zijn waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot onderzoek naar het vaderschap te verhinderen, heeft het absolute karakter van de in B.2 vermelde voorwaarde tot gevolg dat de wetgever in alle omstandigheden de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap heeft laten prevaleren op de biologische werkelijkheid, zonder aan de rechter de bevoegdheid te laten om rekening te houden met de vaststaande feiten en de belangen van alle betrokken partijen.

Die maatregel vormt een onevenredige aantasting van het recht op eerbiediging van het privéleven van kinderen.

De in het geding zijnde bepaling is derhalve niet bestaanbaar met artikel 22 van de Grondwet.

B.9. De toetsing van dezelfde bepaling aan de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, zou niet tot een ruimere vaststelling van ongrondwettigheid kunnen leiden.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 323 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van kracht vóór de opheffing ervan bij artikel 24 van de wet van 1 juli 2006, schendt artikel 22 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 7 juli 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De wnd. voorzitter,

J.-P. Snappe.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 323 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van kracht vóór de opheffing ervan bij artikel 24 van de wet van 1 juli 2006, gesteld door het Hof van Cassatie. Burgerlijk recht

  • Afstamming

  • Afstamming van vaderszijde

  • Gerechtelijke vaststelling van het vaderschap

  • 1. Kind geboren tijdens het huwelijk

  • 2. Kind geboren buiten het huwelijk

  • 3. Bezit van staat. # Rechten en vrijheden

  • Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven

  • Beperkingen

  • Belangenafweging.