- Arrest van 27 juli 2011

27/07/2011 - 137/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

het Hof vernietigt

artikel 204 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen, behalve in zoverre het betrekking heeft op de burgemeester die het centraal strafregister moet consulteren om een lijst van gezworenen samen te stellen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, voorzitter M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter J.-P. Snappe,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 9 juli 2010 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 12 juli 2010, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van de artikelen 204, 213, 217, 218 en 219 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 januari 2010) door de vzw « Ligue des Droits de l'Homme », met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Kogelstraat 22, en door M.G.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4999 en 5000 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de omvang van het beroep

B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 204, 213, 217, 218 en 219 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen.

B.2. Uit de uiteenzetting van de middelen blijkt dat in artikel 213 van de bestreden wet, alleen het 5° van artikel 217 van het Wetboek van strafvordering, dat bij het genoemde artikel 213 wordt vervangen, wordt beoogd.

Op dezelfde wijze wordt, in artikel 217 van de bestreden wet, alleen het 11° van artikel 223, eerste lid, van hetzelfde Wetboek beoogd, dat bij het genoemde artikel 217 wordt vervangen.

Ook wordt alleen punt 13° van artikel 224 van hetzelfde Wetboek beoogd, zoals het wordt vervangen bij artikel 218 van de bestreden wet.

B.3. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepalingen.

Ten gronde

Wat het eerste middel betreft

B.4. Het eerste middel is meer bepaald gericht tegen de artikelen 213, 217, 218 en 219 van de wet van 21 december 2009 doordat zij tot gevolg zouden hebben dat de personen die zijn veroordeeld tot een werkstraf van meer dan 60 uur het recht zou worden ontnomen, met schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, om het ambt van gezworene uit te oefenen, terwijl dat niet het geval is voor de personen die een opschorting van de uitspraak van de veroordeling genieten.

B.5. De uitsluiting, van de personen die tot een werkstraf van meer dan zestig uur zijn veroordeeld, van de lijst van gezworenen, werd als volgt verantwoord in de parlementaire voorbereiding van de wet :

« Er wordt een nieuwe voorwaarde in het leven geroepen : men mag geen veroordeling hebben opgelopen tot een gevangenisstraf van meer dan 4 maanden of tot een werkstraf van meer dan 60 uur.

Deze wordt enerzijds overgenomen uit het Kieswetboek en anderzijds wordt in een criterium voorzien in verband met de werkstraf. De Commissie heeft hierbij rekening gehouden met het arrest van het Arbitragehof nr. 187/2005 van 14 december 2005. Zie hiervoor eveneens Titel II ' Samenstelling van de jury ', van het algemeen deel van de memorie » (Parl. St., Senaat, 2007-2008, nr. 4-924/1, p. 26).

In een algemeen amendement op het gehele oorspronkelijke voorstel werd het volgende toegevoegd aan de verantwoording van de maatregel :

« Zoals de commissie tot Hervorming van het hof van assisen heeft aangegeven in haar eindverslag, is het aangewezen dat de voorwaarden om gezworene te kunnen zijn worden onderscheiden van de wettelijke bepalingen van ontneming van het kiesrecht of van politieke rechten in het algemeen. De uitsluiting van deze personen op grond van de voormelde voorwaarde is noodzakelijk om een evenwicht te vinden tussen het recht om de functie van jurylid uit te oefenen enerzijds en het fundamenteel recht van een eerlijk proces, alsook een goede rechtsbedeling en de noodzaak om de geloofwaardigheid van justitie te bewaren anderzijds. Bijgevolg dienen personen veroordeeld tot een ernstige straf uitgesloten te worden van de functie van jurylid » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-924/3, p. 53).

B.6. De werkstraf wordt bepaald bij de artikelen 37ter tot 37quinquies van het Strafwetboek.

Het voormelde artikel 37ter bepaalt :

« § 1. Indien een feit van die aard is om door een politiestraf of een correctionele straf gestraft te worden, kan de rechter als hoofdstraf een werkstraf opleggen. Binnen de perken van de op het misdrijf gestelde straffen, alsook van de wet op grond waarvan de zaak voor hem werd gebracht, voorziet de rechter in een gevangenisstraf of in een geldboete die van toepassing kan worden ingeval de werkstraf niet wordt uitgevoerd.

[...]

§ 2. De duur van een werkstraf bedraagt minstens twintig uren en ten hoogste driehonderd uren. Een werkstraf van vijfenveertig uren of minder is een politiestraf. Een werkstraf van meer dan vijfenveertig uren is een correctionele straf.

[...] ».

B.7. De werkstraf werd in het Strafwetboek ingevoegd bij de wet van 17 april 2002 tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken.

De parlementaire voorbereiding van die wet geeft aan dat de werkstraf door de wetgever in een logica van bestraffing is opgevat als « een constructief en kostenbesparend alternatief voor de korte gevangenisstraffen omdat die niet noodzakelijk de beste oplossing zijn om de delinquentie te bestrijden » (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0549/001, p. 4), waarbij de nagestreefde doelstelling erin bestaat « anders [te] gaan straffen » (ibid., p. 5).

B.8. De opschorting van de uitspraak van een veroordeling met toepassing van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie vormt een maatregel van individualisering van straffen die de rechter de mogelijkheid verschaft de dader van een misdrijf op proef te stellen gedurende een bepaalde periode, na afloop waarvan, indien zijn gedrag bevredigend is, geen veroordeling wordt uitgesproken, noch een gevangenisstraf wordt opgelegd (Hand., Senaat, 1963-1964, nr. 5, vergadering van 26 november 1963, p. 80). Die maatregel, net zoals die van de mogelijkheid om rekening te houden met verzachtende omstandigheden of die van uitstel van de tenuitvoerlegging van een straf, werd genomen om de onterende gevolgen die aan een strafrechtelijke veroordeling kleven, weg te werken of af te zwakken.

B.9. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, zijn de twee categorieën van personen die in het middel worden beoogd vergelijkbaar omdat het in beide gevallen gaat om rechtsonderhorigen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing van een strafrechter, met betrekking tot een bewezen verklaard misdrijf.

B.10. Rekening houdend met het doel dat hij wilde nastreven en dat in B.5 is beschreven, kon de wetgever rechtmatig oordelen dat de personen die zijn veroordeeld tot een straf van enige zwaarte, moeten worden uitgesloten van de mogelijkheid om op de lijst van gezworenen te worden ingeschreven. Het is niet kennelijk onredelijk te oordelen dat een werkstraf van meer dan 60 uur, die door het Strafwetboek als correctionele straf wordt beschouwd, een pertinent criterium vormt in het licht van het aldus beschreven doel.

B.11. Voor het overige worden de rechten van de categorie van betrokken personen niet op onevenredige wijze geschonden, aangezien de personen aan wie een werkstraf kan worden opgelegd voor het misdrijf dat zij hebben gepleegd, eveneens een opschorting van de uitspraak van hun veroordeling kunnen genieten. In zulk een geval bestaat het aangeklaagde verschil in behandeling niet.

Artikel 3 van de voormelde wet van 29 juni 1964 waarbij de toepassingsvoorwaarden van een dergelijke maatregel zijn vastgelegd, preciseert immers dat die maatregel, met instemming van de verdachte, door de vonnisgerechten met uitzondering van de hoven van assisen kan worden gelast ten voordele van de beklaagde die nog niet is veroordeeld tot een criminele straf of een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden, indien het feit niet van die aard schijnt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan vijf jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf en de tenlastelegging bewezen is verklaard.

B.12. Het eerste middel is niet gegrond.

Wat het tweede middel betreft

B.13. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door artikel 204 van de bestreden wet, van artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, « al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet », doordat het bestreden artikel 204 van de wet van 21 december 2009, door artikel 594, eerste lid, 4°, van het Wetboek van strafvordering op te heffen, tot gevolg heeft dat de veroordelingen tot de werkstraffen worden vermeld op de uittreksels uit het strafregister die krachtens artikel 595 van het Wetboek van strafvordering aan particulieren worden uitgereikt.

B.14.1. Artikel 594 van het Wetboek van strafvordering bepaalde, vóór de wijziging ervan bij de bestreden bepaling :

« De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer aan bepaalde administratieve overheden toegang verlenen tot in het Strafregister opgenomen gegevens, zulks uitsluitend in het kader van door of krachtens de wet bepaalde doeleinden, en met uitzondering van :

1° de veroordelingen en beslissingen bedoeld in artikel 593, 1° tot 4°;

2° arresten van herstel in eer en rechten en veroordelingen waarop dat herstel in eer en rechten betrekking heeft;

3° beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling en tot probatie-opschorting;

4° de beslissingen die veroordelen tot een werkstraf overeenkomstig artikel 37ter van het Strafwetboek.

[...] ».

B.14.2. Die bepaling werd als volgt verantwoord :

« Artikel 594 regelt de toegang van de openbare besturen tot de in het Strafregister opgenomen gegevens.

Dit artikel bevestigt de rol van het Strafregister als gegevensbank ten behoeve van bepaalde openbare besturen die bepalingen moeten toepassen waarvoor de kennis van het gerechtelijk verleden van de personen op wie de administratieve maatregelen betrekking hebben, vereist is.

Artikel 594, eerste lid, geeft een opsomming van de veroordelingen, maatregelen en beslissingen die niet toegankelijk zijn voor de administratieve overheden. Het gaat hierbij om dezelfde uitzonderingen als die bepaald voor de instanties bedoeld in artikel 593, om arresten van rehabilitatie, om veroordelingen waarop die rehabilitatie betrekking heeft en om opschortingen van de uitspraak » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 988/1, p. 10).

B.14.3. Het bestreden artikel 204 van de wet van 21 december 2009 heeft punt 4° van het voormelde artikel 594, eerste lid, om de volgende reden opgeheven :

« De regering stelt voor in artikel 594, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, het 4° te schrappen.

Een aanpassing van artikel 594 is immers noodzakelijk aangezien de burgemeester het centraal strafregister raadpleegt om uit de lijst van gezworenen de personen te schrappen die een veroordeling hebben opgelopen tot een werkstraf van meer dan 60 uur. De veroordeling tot een werkstraf moet dan ook worden opgenomen op de uittreksels die aan de administratieve overheden ter beschikking worden gesteld » (Parl. St., Senaat, 2008-2009, nr. 4-924/4, p. 221).

B.15.1. Artikel 595 van het Wetboek van strafvordering, zoals het opnieuw werd opgenomen bij artikel 9 van de wet van 8 augustus 1997 betreffende het Centraal Strafregister, bepaalde :

« Een ieder die zijn identiteit bewijst, kan een uittreksel uit het Strafregister verkrijgen, dat een overzicht bevat van de daarin opgenomen persoonsgegevens die op hem betrekking hebben, met uitzondering van :

1° de in artikel 594, 1° tot 3° bedoelde veroordelingen, beslissingen en maatregelen;

2° maatregelen getroffen ten aanzien van abnormalen op grond van de wet van 1 juli 1964;

3° de ontzettingen en maatregelen bedoeld in artikel 63 van de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming.

Veroordelingen tot gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden, tot geldboete van ten hoogste 500 frank en tot geldboete, ongeacht het bedrag ervan, die is opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, worden niet meer op dit uittreksel vermeld na een termijn van drie jaar te rekenen van de dag van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken, behalve als ze in het vonnis, voorzien in een ontzetting of een vervallenverklaring waarvan de gevolgen de duur van 3 jaar overstijgen.

Dit uittreksel wordt uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats van betrokkene onder de voorwaarden vastgesteld door de Koning. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van het Ministerie van Justitie.

Een ieder die zijn identiteit bewijst, geniet het recht op mededeling van de rechtstreeks op hem betrekking hebbende gegevens uit het Strafregister, conform artikel 10 van de wet van de 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens ».

B.15.2. Die bepaling werd als volgt verantwoord :

« Artikel 595, dat moet worden beschouwd in het licht van de afschaffing van de gemeentelijke strafregisters, regelt de afgifte van uittreksels uit het Centraal Strafregister door de gemeentebesturen. Die uittreksels zullen meer 'gefilterd' zijn dan thans het geval is aangezien correctionele veroordelingen die zes maand gevangenisstraf of 500 F. geldboete niet te boven gaan, niet meer worden vermeld, zelfs niet wanneer het gaat om vervallenverklaringen of ontzettingen. Dezelfde beperking als deze aangebracht aan artikel 594, betreffende de veroordelingen die in het vonnis voorzien in een ontzetting of een vervallenverklaring van meer dan 3 jaar is hier hernomen.

Overigens worden de veroordelingen, beschikkingen en maatregelen bedoeld in artikel 594, eerste lid, maatregelen getroffen ten aanzien van abnormalen op grond van de wet van 1 juli 1964 alsook de ontzettingen en maatregelen bedoeld in artikel 63 van de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming, niet vermeld op uittreksels uitgereikt aan particulieren. Dergelijke uittreksels mogen alleen worden afgegeven aan de persoon op wie de gegevens betrekking hebben, en in geen geval aan derden » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 988/1, pp. 10-11).

B.16.1. Artikel 9 van de wet van 17 april 2002 tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken heeft artikel 594, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering aangevuld met een vierde punt, volgens hetwelk de beslissingen die veroordelen tot een werkstraf overeenkomstig artikel 37ter van het Strafwetboek, worden uitgezonderd van de gegevens van het strafregister waartoe de openbare overheden toegang hebben.

B.16.2. Artikel 10 van dezelfde wet van 17 april 2002 heeft, in artikel 595, eerste lid, 1°, van het Wetboek van strafvordering, de woorden « de in artikel 594, 1° tot 3° bedoelde veroordelingen, beslissingen en maatregelen » vervangen door « de in artikel 594, 1° tot 4° bedoelde veroordelingen, beslissingen en maatregelen ».

B.16.3. Die bepaling werd als volgt verantwoord :

« De werkstraf mag niet worden vermeld in de inlichtingen die aan de administratieve overheid worden bezorgd, ten einde de reclassering en resocialisering van de betrokkene niet in het gedrang te brengen.

De wet van 8 augustus 1997 heeft een centraal strafregister ingesteld en regels uitgevaardigd voor de afgifte aan de administratieve overheid en aan particulieren van uittreksels uit dat register.

Artikel 594 van het Wetboek van strafvordering, hersteld bij artikel 8 van de wet van 8 augustus 1997, voorziet in regels die bepalen op welke wijze de overheid toegang krijgt tot de in het strafregister opgenomen inlichtingen. Artikel 595 van het Wetboek van strafvordering, hersteld bij artikel 9 van de wet van 8 augustus 1997, voorziet in de afgifte van uittreksels uit het strafregister door toedoen van de gemeentelijke overheid.

Op de inlichtingen die met toepassing van beide voornoemde artikelen mogen worden meegedeeld, wordt een nieuwe uitzondering ingesteld, met name dat de Koning een particulier net zomin als een bestuur de toegang mag veroorloven tot de inlichtingen die betrekking hebben op veroordelingen tot een werkstraf » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-0549/010, pp. 2-3).

B.16.4. Artikel 595 van het Wetboek van strafvordering bepaalt :

« Een ieder die zijn identiteit bewijst, kan een uittreksel uit het Strafregister verkrijgen, dat een overzicht bevat van de daarin opgenomen persoonsgegevens die op hem betrekking hebben, met uitzondering van :

1° de in artikel 594, 1° tot 4° bedoelde veroordelingen, beslissingen en maatregelen;

[...] ».

Doordat de bestreden bepaling artikel 594, eerste lid, 4°, van het Wetboek van strafvordering opheft, vermeldt het uittreksel uit het strafregister dat overeenkomstig artikel 595 van het Wetboek van strafvordering aan particulieren wordt uitgereikt, vanaf de inwerkingtreding van de bestreden bepaling, de veroordelingen tot werkstraffen.

B.17. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt :

« Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.

De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».

B.18.1. Gelet op het legitieme doel dat hij wilde nastreven, namelijk de burgemeester in staat stellen het centraal strafregister te consulteren teneinde een lijst van gezworenen op te stellen waarvan de personen die tot een werkstraf van meer dan zestig uur zijn veroordeeld, worden uitgesloten, is het te dezen niet redelijk verantwoord het 4° van het in het geding zijnde artikel 594, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering op te heffen.

Rekening houdend met de huidige redactie van artikel 595 van hetzelfde Wetboek, dat naar de voormelde bepaling verwijst, heeft zulk een opheffing immers tot gevolg dat aan particulieren toegang wordt verleend tot de gegevens betreffende veroordelingen tot werkstraffen, wat de wetgever duidelijk niet heeft gewild.

De Ministerraad stelt zelf voor een zinvolle lezing te geven aan artikel 595, eerste lid, 1°, van het Wetboek van strafvordering, omdat hij van mening is dat er geen reden is om het te interpreteren in die zin dat het toelaat gegevens betreffende een veroordeling tot een werkstraf aan particulieren te verstrekken. Die lezing zou naar zijn mening de enige zijn die verenigbaar is met het doel van de wetgever, zodat de veroordelingen tot werkstraffen onvermeld blijven in de uittreksels uit het strafregister die op basis van die bepaling aan particulieren worden uitgereikt. Een dergelijke interpretatie van artikel 595 zou echter niet kunnen worden toegelaten, omdat zij ingaat tegen een duidelijke tekst.

B.18.2. Het Hof stelt voor het overige vast dat het systeem, doordat het nalaat de genoemde bepaling te wijzigen ingevolge de doorgevoerde wijziging van artikel 594 van het Wetboek van strafvordering, een gebrek aan samenhang vertoont. Zo bepaalt bij wijze van voorbeeld, artikel 619 van het Wetboek van strafvordering dat veroordelingen tot een politiestraf worden uitgewist na een termijn van drie jaar te rekenen van de dag van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken. Het zou bijgevolg niet logisch zijn om werkstraffen waarvan is geweten dat zij, wanneer zij minder dan 45 uren bedragen, als politiestraffen worden gekwalificeerd, zichtbaar te maken op de aan particulieren uitgereikte uittreksels uit het strafregister.

B.19. De toegang van de burgemeester tot de informatie die het strafregister bevat betreffende de werkstraffen, is strikt doelgebonden. Gelet op de met de bestreden bepaling nagestreefde doelstelling en gelet op het privé- en gezinsleven van de veroordeelde, dient de burgemeester de verkregen informatie geheim te houden, zelfs ten aanzien van zijn administratie. Hij vermag die informatie evenmin aan te wenden voor andere doeleinden dan het opstellen van de lijst van gezworenen. Met name in het kader van een beslissing tot aanwerving mag die informatie niet worden gebruikt.

B.20.1. Het tweede middel, in zoverre het gericht is tegen artikel 204 van de bestreden wet, is gegrond.

B.20.2. De genoemde bepaling dient bijgevolg te worden vernietigd, behalve in zoverre zij betrekking heeft op de burgemeester die het centraal strafregister moet consulteren om een lijst van gezworenen samen te stellen.

Wat het derde middel betreft

B.21. Het derde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 204 van de in het geding zijnde wet, van artikel 23, § 2, 1°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Volgens de verzoekende partijen heeft de aanneming van het genoemde artikel 204 tot gevolg dat de vermelding van de beslissingen waarbij iemand tot een werkstraf wordt veroordeeld, zichtbaar wordt gemaakt als gevolg van de gewijzigde formulering van artikel 595 van het Wetboek van strafvordering, met schending van het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid, dat is gewaarborgd bij de bepalingen die in de uiteenzetting van het middel zijn opgenomen. Zulk een vermelding zou de reclassering en de resocialisatie van de tot een werkstraf veroordeelde personen belemmeren, zowel op het niveau van de kennis, door de administratieve overheden, van die veroordelingen als op het niveau van de vermelding ervan op de aan particulieren uitgereikte uittreksels uit het strafregister.

Gelet op de gedeeltelijke vernietiging in het tweede middel en op hetgeen in B.19 is gesteld, zou het derde middel niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden, zodat het niet dient te worden onderzocht.

Om die redenen,

het Hof

vernietigt artikel 204 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen, behalve in zoverre het betrekking heeft op de burgemeester die het centraal strafregister moet consulteren om een lijst van gezworenen samen te stellen.

Aldus uitgesproken in het Frans, Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 juli 2011, door rechter J.-P. Moerman, ter vervanging van rechter J.-P. Snappe, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van dit arrest bij te wonen.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De wnd. voorzitter,

J.-P. Moerman.

Vrije woorden

  • Beroepen tot vernietiging van de artikelen 204, 213, 217, 218 en 219 van de wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen, ingesteld door de vzw « Ligue des Droits de l'Homme » en door M.G. Strafrecht

  • 1. Hof van assisen

  • Ambt van gezworene

  • Uitsluiting

  • Persoon die tot een werkstraf van meer dan 60 uur is veroordeeld

  • 2. Centraal Strafregister

  • Aan particulieren uitgereikt uittreksel

  • Vermelding van de veroordelingen tot werkstraffen.