- Arrest van 5 oktober 2011

05/10/2011 - 149/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 7, eerste lid, van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals van toepassing vóór het werd gewijzigd bij artikel 277 van het Vlaamse decreet van 8 juli 2011 « houdende de organisatie van de lokale en provinciale verkiezingen en houdende wijziging van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, het Provinciedecreet van 9 december 2005 en het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

a. Bij arrest nr. 210.190 van 30 december 2010 in zake Anke Hurts, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 januari 2011, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 7, eerste lid, OCMW-decreet [Vlaams decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn] de artikelen 10 en 11, Grondwet wanneer het in geval van de toepassing van artikel 14, OCMW-decreet zo wordt gelezen dan wel geïnterpreteerd dat ter gelegenheid van het onderzoek van de geloofsbrieven naar aanleiding van de nieuwe voordrachtsakte de voorgedragen kandidaat-werkend lid moet voldoen aan de aldaar vermelde verkiesbaarheidsvoorwaarden op het ogenblik van de algehele verkiezing van de OCMW-raadsleden en niet op het ogenblik van de verkiezing als OCMW-raadslid op basis van de nieuwe voordrachtsakte en aldus wordt afgeweken van de algemene regel dat (slechts) moet voldaan zijn aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden op het ogenblik dat een mandaat wordt opgenomen, ten vroegste wanneer men zich daarvoor verkiesbaar stelt, ermee rekening houdend dat in het geval een mandaat van gemeenteraadslid openvalt overeenkomstig artikel 84, § 1, Gemeentekieswet een nieuwe verkiezing wordt gehouden waarbij elkeen zich kandidaat kan stellen en worden verkozen die op dat ogenblik voldoet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden ? ».

b. Bij beslissing van 26 januari 2011 in zake Leo Pieters tegen Gunter Haeldermans, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 februari 2011, heeft de Raad voor Verkiezingsbetwistingen voor de provincie Limburg de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 7, eerste lid, van het OCMW-decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer het in geval van de toepassing van artikel 14, eerste lid van het OCMW-decreet zo wordt gelezen dan wel geïnterpreteerd dat ter gelegenheid van het onderzoek van de geloofsbrieven naar aanleiding van de nieuwe voordrachtsakte de voorgedragen kandidaat-werkend lid moet voldoen aan de aldaar vermelde verkiesbaarheidsvoorwaarden op het ogenblik van de algehele verkiezing van de OCMW-raadsleden en niet op het ogenblik van de verkiezing als OCMW-raadslid op basis van de nieuwe voordrachtsakte en aldus wordt afgeweken van de algemene regel dat moet voldaan zijn aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden op het ogenblik dat een mandaat wordt opgenomen, ten vroegste wanneer men zich daarvoor verkiesbaar stelt, ermee rekening houdend dat in het geval een mandaat van gemeenteraadslid openvalt overeenkomstig artikel 84, § 1 van de Gemeentekieswet een nieuwe verkiezing wordt gehouden waarbij elkeen zich kandidaat kan stellen en worden verkozen die op dat ogenblik voldoet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden ? ».

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5081 en 5090 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1.1. Artikel 7 van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten voor de verwijzende rechtscolleges, bepaalde :

« Om tot werkend lid van een raad voor maatschappelijk welzijn of tot opvolger te kunnen worden verkozen, moet iemand op de dag van de algehele verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn :

1° Belg zijn;

2° de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt;

3° ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend;

4° zich niet bevinden in een van de gevallen van onverkiesbaarheid, vermeld in artikel 65 van de Gemeentekieswet.

Artikel 65, tweede lid, van de Gemeentekieswet is van toepassing als de inbreuken, vermeld in deze bepaling, werden gepleegd tijdens de uitoefening van een ambt binnen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een gemeenteambt ».

B.1.2. Artikel 14 van hetzelfde decreet bepaalt :

« Als een werkend lid voor zijn mandaat verstreken is, ophoudt deel uit te maken van de raad voor maatschappelijk welzijn of verhinderd is en als hij, met behoud van de toepassing van artikel 9, geen opvolger of opvolgers meer heeft, kunnen alle gemeenteraadsleden die nog in functie zijn en die de voordracht van het te vervangen lid hadden ondertekend, met behoud van de toepassing van artikel 9, gezamenlijk een kandidaat-werkend lid en een of meer kandidaat-opvolgers voordragen. Die voordrachtsakte moet uiterlijk vijf dagen vóór de gemeenteraadszitting waarop de geloofsbrieven van het nieuwe lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en de opvolger of opvolgers zullen worden onderzocht aan de gemeentesecretaris worden overhandigd. In dat geval is de kandidaat verkozen verklaard en worden de kandidaat-opvolgers aangesteld in de orde van hun voordracht. Een opvolger die ingevolge zijn geslacht het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat ontslag genomen heeft, niet kon opvolgen, wordt geacht opvolger te zijn van het nieuw verkozen lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en neemt rang in vóór de opvolgers, vermeld op de voordrachtsakte.

Als er binnen de zestig dagen nadat een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn ophoudt deel uit te maken van de raad voor maatschappelijk welzijn of de datum van zijn verhindering ingaat geen vervanger wordt voorgedragen of als er geen vervanger kan worden voorgedragen, dan wordt met behoud van de toepassing van artikel 9 in de vervanging voorzien bij een geheime stemming waarbij elk gemeenteraadslid over zoveel stemmen beschikt als vermeld in artikel 11 en waarbij de kandidaat of de kandidaten die de meeste stemmen behalen als verkozen worden verklaard. Bij staking van stemmen is artikel 12 van toepassing. De kandidaat-werkende leden en de kandidaat-opvolgers worden met toepassing van artikel 10 voorgedragen, met dien verstande dat de voordrachtsakten op straffe van onontvankelijkheid uiterlijk vijf dagen voor de gemeenteraadszitting waarop het nieuwe lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en de opvolger of opvolgers zullen worden verkozen, aan de gemeentesecretaris worden overhandigd ».

B.1.3. De verwijzende rechtscolleges zijn van oordeel dat, wanneer met toepassing van het voormelde artikel 14 in een vervanging dient te worden voorzien van een werkend lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat geen opvolger meer heeft, een kandidaat op de dag van de algehele verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn aan de in artikel 7 van het decreet van 19 december 2008 bepaalde verkiesbaarheidsvoorwaarden dient te voldoen om tot werkend lid of tot opvolger te kunnen worden verkozen. Het is in die interpretatie dat het Hof de prejudiciële vragen beantwoordt.

Ten gronde

B.2. Het Hof wordt gevraagd of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre een kandidaat-werkend lid van een raad voor maatschappelijk welzijn die met toepassing van artikel 14 van het decreet van 19 december 2008 wordt voorgedragen, op de dag van de algehele verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn moet voldoen aan de in artikel 7 van hetzelfde decreet bepaalde verkiesbaarheidsvoorwaarden, terwijl, wanneer bij gebrek aan opvolgers in een vacature in de gemeenteraad wordt voorzien, op grond van het op het ogenblik van de feiten voor de verwijzende rechtscolleges van toepassing zijnde artikel 84, § 1, van de Gemeentekieswet een kandidaat-raadslid op de dag van de verkiezing van het nieuwe raadslid aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden moet voldoen.

B.3. Volgens de Vlaamse Regering zijn de twee voormelde categorieën van personen niet vergelijkbaar aangezien de verkiesbaarheidsvoorwaarden voor de werkende leden van een raad voor maatschappelijk welzijn en hun opvolgers door de gemeenschappen worden bepaald, terwijl de verkiesbaarheidsvoorwaarden voor de gemeenteraadsleden en hun opvolgers door de gewesten worden bepaald.

B.4.1. Krachtens artikel 5, § 1, II, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen zijn de gemeenschappen bevoegd voor de organieke regels betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

B.4.2. Volgens artikel 1 van het decreet van 19 december 2008, waarvan de in het geding zijnde bepaling deel uitmaakt, regelt het decreet een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.

B.4.3. In zoverre het bepalen van de verkiesbaarheidsvoorwaarden voor de werkende leden van de raden voor maatschappelijk welzijn, en voor hun opvolgers, deel uitmaakt van de organieke regels betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, regelt het in het geding zijnde artikel 7 van het decreet van 19 december 2008 een gemeenschapsaangelegenheid.

B.5.1. Krachtens artikel 6, § 1, VIII, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen zijn de gewesten bevoegd voor de verkiezing van de gemeentelijke organen.

B.5.2. Artikel 84 van de Gemeentekieswet, zoals vervangen bij artikel 341 van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur en gewijzigd bij artikel 68 van het decreet van 10 februari 2006 « houdende wijziging van de Gemeentekieswet, gecoördineerd op 4 augustus 1932, de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen, de wet tot organisatie van de geautomatiseerde stemming van 11 april 1994 en het decreet van 7 mei 2004 houdende regeling van de controle van de verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen voor de verkiezing van het Vlaams Parlement », bepaalde :

« § 1. Bij gebrek aan opvolgers wordt in één of meer vacatures in de gemeenteraad voorzien. De verkiezing geschiedt volgens de bepalingen van artikel 54 en volgende.

§ 2. Indien bij de verkiezing van het te vervangen raadslid kandidaten van dezelfde lijst ingevolge artikel 58 tot opvolger zijn gekozen, treedt degene die volgens dat artikel de eerste opvolger is, in functie, na onderzoek van zijn geloofsbrieven door de gemeenteraad.

Worden er bezwaren ingebracht tegen de beslissing van de raad of tegen zijn weigering om de opvolger aan te stellen als gemeenteraadslid, dan doet de deputatie uitspraak overeenkomstig artikel 75, § 1, tweede lid.

De deputatie moet uitspraak doen binnen dertig dagen, te rekenen van de dag waarop het bezwaarschrift ter griffie van de provincie is toegekomen.

Deze beslissing wordt ter kennis gebracht van de betrokken opvolger en in voorkomend geval van degenen die bij de deputatie bezwaren hebben ingediend.

Zij kunnen bij de Raad van State beroep instellen binnen acht dagen na de kennisgeving.

De gouverneur kan zodanig beroep instellen binnen acht dagen na de beslissing.

§ 3. Het nieuwe raadslid voleindigt het mandaat van zijn voorganger.

Ook hij die benoemd of gekozen is ter vervanging van de burgemeester of van een schepen, voleindigt diens mandaat, behoudens het in artikel 3 van de nieuwe gemeentewet bepaalde ».

B.5.3. Met het voormelde artikel 68 van het decreet van 10 februari 2006 heeft het Vlaamse Gewest zijn wil tot uitdrukking gebracht om zich, binnen de aan dat Gewest toegewezen bevoegdheden, artikel 84 van de Gemeentekieswet van 4 augustus 1932 eigen te maken.

B.6.1. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat het Hof wordt gevraagd de situatie te vergelijken van een kandidaat-werkend lid van een raad voor maatschappelijk welzijn, situatie die wordt bepaald door een regeling van de Vlaamse Gemeenschap, met de situatie van een kandidaat-gemeenteraadslid, situatie die wordt bepaald door een regeling van het Vlaamse Gewest.

B.6.2. Een verschil in behandeling in aangelegenheden waar de verschillende wetgevers over eigen bevoegdheden beschikken, is het gevolg van een verschillend beleid dat voortvloeit uit hun autonomie en kan als zodanig niet worden geacht strijdig te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.6.3.1. Overeenkomstig artikel 137 van de Grondwet, bepaalt artikel 1, § 1, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen evenwel dat het Parlement en de Regering van de Vlaamse Gemeenschap in het Vlaamse Gewest de bevoegdheden van de gewestorganen uitoefenen voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 39 van de Grondwet, onder de voorwaarden en op de wijze bepaald door de bijzondere wet. Luidens artikel 3, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 worden de attributen van de rechtspersoonlijkheid voor het Vlaamse Gewest uitgeoefend « overeenkomstig deze wet, inzonderheid artikel 1 ».

B.6.3.2. Onder voorbehoud van hetgeen artikel 50, eerste lid, en artikel 76 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepalen, wordt de decreterende macht van het Vlaamse Gewest en van de Vlaamse Gemeenschap door dezelfde organen uitgeoefend. Bijgevolg verhindert de autonomie van die Gemeenschap en van dat Gewest niet dat de situaties die worden bepaald door hun respectieve decreten, met elkaar worden vergeleken. Dat is het geval wanneer, zoals te dezen het geval is, het decreet waaromtrent het Hof wordt ondervraagd, een gemeenschaps- en een gewestaangelegenheid regelt.

B.7.1. Vóór het werd vervangen bij artikel 3 van het decreet van 7 juli 2006 tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bepaalde artikel 7, eerste lid, van de voormelde organieke wet van 8 juli 1976 dat om tot werkend lid van een raad voor maatschappelijk welzijn of tot opvolger te kunnen worden gekozen, een kandidaat « op de dag van de verkiezing » aan de in dat artikel bepaalde verkiesbaarheidsvoorwaarden diende te voldoen.

B.7.2. Artikel 3 van het decreet van 7 juli 2006 heeft het criterium van « de dag van de verkiezing » vervangen door het criterium van « de dag van de algehele verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn ».

B.7.3. Het in het geding zijnde artikel 7 van het decreet van 19 december 2008 neemt dat criterium over door te bepalen dat een werkend lid van een raad voor maatschappelijk welzijn of een opvolger op de dag van de algehele verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn aan de in dat artikel bepaalde verkiesbaarheidsvoorwaarden dient te voldoen.

B.7.4. In de parlementaire voorbereiding van het decreet van 19 december 2008 werd die bepaling als volgt verantwoord :

« Dit artikel herneemt integraal artikel 7 van de organieke wet en bepaalt de verkiesbaarheidsvoorwaarden voor kandidaat-leden van de raad voor maatschappelijk welzijn.

Verkiesbaarheidsvoorwaarden zijn voorwaarden waaraan de kandidaten moeten voldoen tijdens de uitoefening van het mandaat en op de dag van de algehele verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn, met andere woorden op de dag van de installatievergadering van de gemeenteraad. De verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn in zijn geheel wordt bedoeld, niet de verkiezing tot raadslid. Uiteraard zal men ook aan deze voorwaarden moeten voldoen tijdens de effectieve uitoefening van het mandaat van lid van de raad voor maatschappelijk welzijn. Een lid dat niet voldoet aan deze voorwaarden op datum dat hij zijn mandaat opneemt zal de eed niet kunnen afleggen. Een (effectief) lid dat niet meer voldoet aan de voorwaarden vermeld in dit artikel verliest zijn mandaat » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2007-2008, nr. 1701/1, p. 40).

B.8. De in het geding zijnde bepaling heeft tot gevolg dat, wanneer met toepassing van artikel 14 van het decreet van 19 december 2008 in de vervanging dient te worden voorzien van een werkend OCMW-raadslid dat geen opvolger meer heeft, een kandidaat op de dag van de algehele verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn - en niet op de dag van zijn verkiezing - aan de in artikel 7 bepaalde verkiesbaarheidsvoorwaarden dient te voldoen om tot werkend lid of tot opvolger te kunnen worden verkozen. De algehele verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft plaats tijdens de installatievergadering van de gemeenteraad (artikel 11, § 1, van het decreet van 19 december 2008). Wanneer, daarentegen, bij gebrek aan opvolgers in een vacature in de gemeenteraad wordt voorzien, vloeide uit artikel 84, § 1, van de Gemeentekieswet voort dat een kandidaat op de dag van de verkiezing van het nieuwe raadslid aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden moet voldoen.

B.9. Het verschil in behandeling dat hieruit voortvloeit berust op een objectief criterium, namelijk de aard van het mandaat waarvoor in de vervanging dient te worden voorzien.

B.10. In zoverre wordt vermeden dat een kandidaat die op de dag van de algehele verkiezing van de OCMW-raad niet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoet, in de loop van de zittingsperiode, wanneer hij wel aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoet, zou worden voorgedragen, streeft de in het geding zijnde bepaling een wettig doel na. Aldus wordt immers vermeden dat een werkend OCMW-raadslid ontslag neemt en dat zijn opvolgers van het mandaat afzien, om de kandidaat die niet voldoet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden op het ogenblik van de algehele verkiezing van de raad, alsnog in staat te stellen als werkend lid te worden verkozen.

B.11.1. Wanneer in een vervanging dient te worden voorzien van een werkend OCMW-raadslid dat geen opvolger meer heeft, kunnen alle gemeenteraadsleden die nog in functie zijn en die de voordracht van het te vervangen lid hadden ondertekend gezamenlijk een kandidaat-werkend lid en een of meer kandidaat-opvolgers voordragen. In dat geval is de kandidaat verkozen verklaard en worden de kandidaat-opvolgers aangesteld in de orde van hun voordracht (artikel 14, eerste lid, van het decreet van 19 december 2008). Het is enkel wanneer niet binnen zestig dagen nadat een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn ophoudt deel uit te maken van de raad voor maatschappelijk welzijn of na de datum van zijn verhindering, geen vervanger wordt voorgedragen dat er in de vervanging wordt voorzien bij een geheime stemming.

B.11.2. Die procedure stelt de fractie waartoe de gemeenteraadsleden behoren die de voordracht van het te vervangen lid hebben ondertekend, in staat zich ervan te verzekeren dat het lid dat met toepassing van artikel 14 wordt gekozen, tot dezelfde fractie zal behoren als het lid dat dient te worden vervangen. Behoudens de hypothese vermeld in artikel 14, tweede lid, van het decreet van 19 december 2008, loopt die fractie niet het gevaar dat in de plaats van het te vervangen lid een kandidaat wordt gekozen die tot een andere fractie behoort.

B.11.3. Wanneer, daarentegen, met toepassing van artikel 84, § 1, van de Gemeentekieswet, bij gebrek aan opvolgers in één of meer vacatures in de gemeenteraad wordt voorzien, wordt een stemming georganiseerd. Luidens artikel 54, tweede lid, van de Gemeentekieswet wordt, wanneer er niet meer dan één gemeenteraadslid te verkiezen is, de kandidaat die de meeste stemmen heeft verkregen, verkozen verklaard. Bijgevolg kan een fractie zich niet ervan verzekeren dat het lid dat met toepassing van artikel 84, § 1, van de Gemeentekieswet wordt verkozen tot dezelfde fractie zal behoren als het lid dat dient te worden vervangen.

B.11.4. Gelet op het voorgaande, vermocht de decreetgever redelijkerwijs van oordeel te zijn dat, enerzijds, ten aanzien van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn in een bepaling diende te worden voorzien waardoor kan worden vermeden dat een werkend OCMW-raadslid ontslag neemt en dat zijn opvolgers van het mandaat afzien, om een kandidaat die op het ogenblik van de algehele verkiezing van de raad niet voldoet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden, in staat te stellen als werkend lid te worden verkozen en dat, anderzijds, ten aanzien van de gemeenteraadsleden niet in een dergelijke bepaling diende te worden voorzien.

B.12. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 7, eerste lid, van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals van toepassing vóór het werd gewijzigd bij artikel 277 van het Vlaamse decreet van 8 juli 2011 « houdende de organisatie van de lokale en provinciale verkiezingen en houdende wijziging van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, het Provinciedecreet van 9 december 2005 en het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 5 oktober 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over artikel 7, eerste lid, van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gesteld door de Raad van State en door de Raad voor Verkiezingsbetwistingen voor de provincie Limburg. Bestuursrecht

  • Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn

  • Raad voor maatschappelijk welzijn

  • Verkiezing van de werkende leden en hun opvolgers

  • Verkiesbaarheidsvoorwaarden

  • Tijdstip waarop aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden moet worden voldaan.