- Arrest van 13 oktober 2011

13/10/2011 - 157/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 94 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 8 februari 2011 in zake de NV « Escape » tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 februari 2011, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 94 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (hierna WIGB) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de belasting op de inverkeerstelling niet verschuldigd is door handelaars in personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen en aanhangwagens, zoals bedoeld in artikel 94, 1°, WIGB, wanneer zij het voertuig voorzien van een ' proefritten- ', ' handelaars- ' of tijdelijke plaat, andere dan een internationale kentekenplaat, daar waar voor handelaars in jachten en pleziervaartuigen langer dan 7,5 meter, zoals bedoeld in artikel 94, 3°, WIGB niet wordt voorzien in de mogelijkheid om gebruik te maken van een vlaggenbrief, vergelijkbaar met een ' proefritten- ', ' handelaars- ' of tijdelijke plaat, andere dan een internationale kentekenplaat en dus om die reden uitgesloten te worden van de belasting op de inverkeerstelling ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 94 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (hierna : WIGB) bepaalt :

« Er wordt ten bate van de Staat een met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belasting geheven op :

1° De personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen, zoals deze voertuigen omschreven zijn in de reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en zoals zij worden verstaan in de zin van artikel 4, § 3, voor zover deze voertuigen voorzien zijn of moeten zijn van een andere nummerplaat dan een in het kader van de bedoelde regeling uitgereikte ' proefritten- ', ' handelaars- ' of tijdelijke plaat andere dan een internationale kentekenplaat;

2° de vliegtuigen, watervliegtuigen, helikopters, zweefvliegtuigen, luchtballons of bestuurbare luchtschepen en andere luchtvaartuigen, zwaarder of lichter dan lucht, met of zonder motor, wanneer zij ingeschreven zijn of het moeten zijn;

3° de jachten en pleziervaartuigen langer dan 7,5 meter, wanneer voor deze een vlaggebrief is of moet zijn afgeleverd, wanneer de wegvoertuigen, luchtvaartuigen of boten, op de openbare weg in het verkeer worden gesteld of gebruikt in België ».

B.2. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling tussen twee categorieën van belastingplichtigen instelt : enerzijds, de handelaars in personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen, in zoverre die voertuigen voorzien zijn of moeten zijn van een andere nummerplaat dan een proefritten-, handelaars- of tijdelijke plaat, andere dan een internationale kentekenplaat (artikel 94, 1°, van het WIGB); anderzijds, de handelaars in jachten en pleziervaartuigen langer dan 7,5 meter, wanneer hiervoor een vlaggenbrief is of moet zijn afgegeven (artikel 94, 3°, van het WIGB). Voor de eerste categorie van belastingplichtigen wordt in een uitzondering inzake de belasting op de inverkeerstelling voorzien voor de voertuigen met een proefritten-, handelaars- of tijdelijke plaat, terwijl voor de tweede categorie niet in een dergelijke uitzondering is voorzien.

B.3.1. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de twee categorieën van belastingplichtigen te dezen niet vergelijkbaar zouden zijn.

B.3.2. Voertuigen en vaartuigen zijn onderscheiden transportmiddelen en zijn aan een verschillende regelgeving inzake inschrijving onderworpen : de nummerplaat voor de voertuigen en de vlaggenbrief voor bepaalde pleziervaartuigen. Bovendien is enkel voor voertuigen in een proefritten- of in een handelaarsplaat voorzien. Daaruit volgt evenwel niet dat de belastingplichtigen die één van beide soorten van transportmiddelen in het verkeer brengen, onvergelijkbaar zouden zijn wat de belasting op de inverkeerstelling betreft. Overigens is de in het geding zijnde bepaling, waarin sprake is van zowel voertuigen (artikel 94, 1°) als pleziervaartuigen langer dan 7,5 meter waarvoor een vlaggenbrief is of moet zijn afgegeven (artikel 94, 3°), opgenomen in hoofdstuk I met als opschrift « Belastbare voertuigen » van titel V (« Belasting op de inverkeerstelling ») van het WIGB.

De exceptie wordt verworpen.

B.4. Het komt de bevoegde wetgever toe de vrijstellingen te bepalen van de belastingen waarin hij voorziet. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid.

Wanneer de wetgever vrijstellingen of soortgelijke maatregelen vaststelt zoals die waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, moet hij gebruik kunnen maken van categorieën die, noodzakelijkerwijs, de verscheidenheid van toestanden slechts met een zekere graad van benadering opvangen. Het beroep op dat procedé is niet onredelijk op zich; niettemin moet worden onderzocht of hetzelfde geldt voor de wijze waarop het werd aangewend.

B.5. De maatschappelijke keuzen die bij het inzamelen en het inzetten van middelen moeten worden gemaakt, behoren tot de beoordelingsvrijheid van de wetgever. Het Hof vermag dergelijke beleidskeuzen, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij kennelijk onredelijk zouden zijn.

B.6. De belasting op de inverkeerstelling werd door de wet van 1 juni 1992 ingevoegd in het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. Die belasting werd, naar luid van de parlementaire voorbereiding, in 1992 ingevoerd om het verlies inzake belastingontvangsten ten gevolge van de verlaging van het btw-tarief en de afschaffing van de weeldetaks, in het kader van de Europese harmonisering, gedeeltelijk te compenseren (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 329-2, p. 2).

B.7. Er mag worden aangenomen dat de belastingplichtigen die handel drijven in jachten en pleziervaartuigen langer dan 7,5 meter doorgaans een kapitaalkrachtiger cliënteel bedienen dan handelaars in voertuigen, zodat de eerstvermelde handelaars met het bedrag van de belasting op de inverkeerstelling in voorkomend geval rekening kunnen houden bij het bepalen van de verkoopprijs van een dergelijk jacht of pleziervaartuig.

Het in het geding zijnde verschil in behandeling is niet zonder redelijke verantwoording.

B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 94 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 94 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Fiscaal recht

  • Met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen

  • Belasting op de inverkeerstelling

  • Vrijstelling

  • 1. Voertuigen met een proefritten-, handelaars- of tijdelijke plaat

  • 2. Jachten en pleziervaartuigen langer dan 7,5 meter, wanneer hiervoor een vlaggenbrief is of moet zijn afgegeven

  • Uitsluiting.