- Arrest van 20 oktober 2011

20/10/2011 - 160/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 2, § 2, derde lid, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, en de rechters A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 16 december 2010 in zake Pierre Crombez tegen de nv « Hapag-Lloyd Belgium » en inzake de nv « Hapag-Lloyd Belgium » tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 december 2010, heeft de Arbeidsrechtbank te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 2, § 2, derde lid, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en het niet-discriminatiebeginsel als vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, doordat deze bepaling tot gevolg heeft dat het voordeel van de bepalingen van dit artikel niet meer wordt toegekend aan de personeelsafgevaardigden die de leeftijd van 65 jaar bereiken, terwijl personeelsafgevaardigden die de leeftijd van 65 jaar nog niet bereikt hebben het voordeel van de bepalingen van dit artikel genieten ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 2, § 2, derde lid, van de wet van 19 maart 1991 « houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden » met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep.

B.2. Artikel 2, §§ 1 en 2, van de wet van 19 maart 1991 bepaalt :

« § 1. De personeelsafgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden kunnen slechts worden ontslagen om een dringende reden die vooraf door het arbeidsgerecht aangenomen werd, of om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegd paritair orgaan werden erkend.

Voor de toepassing van dit artikel geldt als ontslag :

1° elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, gedaan met of zonder vergoeding, al dan niet met naleving van een opzegging, die ter kennis wordt gebracht gedurende de periode bedoeld in de §§ 2 of 3;

2° elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wegens feiten die een reden uitmaken die ten laste van de werkgever kan gelegd worden;

3° het niet in acht nemen door de werkgever van de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank, genomen met toepassing van artikel 5, § 3 en waarin besloten wordt tot de voortzetting van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst tijdens de procedure voor de arbeidsgerechten.

§ 2. De personeelsafgevaardigden genieten het voordeel van de bepalingen van § 1 gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt, tot de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld.

Wanneer de minimumpersoneelsbezetting voorzien voor de oprichting van een raad of een comité niet meer is bereikt en er bijgevolg geen aanleiding is tot hernieuwing van deze organen, genieten de bij de vorige verkiezingen verkozen kandidaten verder het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf gedurende zes maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van de door de Koning vastgestelde periode der verkiezingen. Dit is eveneens het geval wanneer er geen nieuwe verkiezingen moeten georganiseerd worden bij ontstentenis van de vereiste kandidaturen.

Het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf wordt niet meer toegekend aan de personeelsafgevaardigden die de leeftijd van vijfenzestig jaar bereiken, behoudens wanneer de onderneming de gewoonte heeft de categorie van werknemers, waartoe zij behoren, in dienst te houden ».

B.3.1. Het systeem van ontslagbescherming dat is ingevoerd bij de wet van 19 maart 1991, gaat terug op de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven. Artikel 21, § 3, derde lid, van die wet, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 16 januari 1967 tot wijziging van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en van de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de arbeiders alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen, en vóór het werd opgeheven bij artikel 22, 1°, van de wet van 19 maart 1991, bepaalde :

« Het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf wordt niet meer toegekend aan de leden die het personeel vertegenwoordigen die de pensioengerechtigde leeftijd bereiken, behoudens wanneer de onderneming de gewoonte heeft de categorie van werknemers, waartoe zij behoren, in dienst te houden ».

B.3.2. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 16 januari 1967 blijkt dat de wetgever het ophouden van de bescherming voor de personeelsafgevaardigden waarin de wet voorziet, heeft willen koppelen aan de leeftijd waarop een werknemer niet langer verkiesbaar is als personeelsafgevaardigde. In de parlementaire voorbereiding werd het volgende verklaard :

« In de vroegere wetgeving kwam geen enkele bepaling voor noch betreffende de uitsluiting van de gepensioneerden uit de verkiesbaren, noch betreffende de mogelijkheid om gepensioneerden tijdens hun beschermperiode te ontslaan.

Het wetsontwerp wijzigt deze toestand door te bepalen :

a) dat een werknemer verkiesbaar is zolang hij de pensioengerechtigde leeftijd niet heeft bereikt;

b) dat een werknemer die als afgevaardigde van het personeel of als kandidaat beschermd is, kan ontslagen worden wanneer hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, tenzij de onderneming de gewoonte heeft de categorie van werknemers waartoe hij behoort, in dienst te houden » (Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 59, pp. 6-7).

B.3.3.1. Artikel 19, eerste lid, 4°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, zoals vervangen bij artikel 3, 2°, van de wet van 7 juli 1994 tot wijziging van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en van de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede van de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen, bepaalt :

« Om als afgevaardigden van het personeel verkiesbaar te zijn, moeten de werknemers aan de volgende voorwaarden voldoen :

[...]

4° de leeftijd van vijfenzestig jaar niet hebben bereikt ».

B.3.3.2. Artikel 59, § 1, 4°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bepaalt :

« Om als personeelsafgevaardigde bij de Comités verkiesbaar te zijn, moeten de werknemers op de datum van de verkiezingen aan de volgende voorwaarden voldoen :

[...]

4° de leeftijd van vijfenzestig jaar niet hebben bereikt ».

B.3.4. Met de in artikel 19, eerste lid, 4°, van de wet van 20 september 1948 en de in artikel 59, § 1, 4°, van de wet van 4 augustus 1996 bepaalde verkiesbaarheidsvoorwaarde, die is geïnspireerd op het advies nr. 196 van 30 april 1964 van de Nationale Arbeidsraad, beoogde de wetgever te vermijden « dat de leden van de ondernemingsraden hun loopbaan onbepaald verlengen dank zij een mogelijke nieuwe verkiezing » (Parl. St., Kamer, 1965-1966, nr. 264/1, p. 2; zie ook Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 59, p. 3).

B.4. Het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling tussen twee categorieën van werknemers die personeelsafgevaardigden zijn, wat de bescherming van de personeelsafgevaardigden betreft waarin artikel 2 van de wet van 19 maart 1991 voorziet, naargelang zij al dan niet de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. In tegenstelling tot de werknemer-personeelsafgevaardigde die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, kan de werknemer-personeelsafgevaardigde die die leeftijd wel heeft bereikt, die bescherming niet genieten.

B.5.1. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de omstandigheid dat de betrokken werknemer-personeelsafgevaardigde die wordt ontslagen al dan niet de leeftijd van 65 jaar bereikt.

B.5.2. Allereerst wordt opgemerkt dat de in het geding zijnde maatregel, wat de leeftijd van 65 jaar betreft, inherent is verbonden met het bereiken van de normale pensioenleeftijd, zijnde de leeftijd waarop de werknemer in principe aanspraak kan maken op een volledig rustpensioen in het stelsel van de sociale zekerheid.

B.5.3. Zoals vastgesteld in B.3, berust het verschil in behandeling op legitieme doelstellingen. De wetgever heeft het ophouden van de bescherming voor de personeelsafgevaardigden waarin artikel 2 van de wet van 19 maart 1991 voorziet, willen koppelen aan de leeftijd waarop een werknemer niet langer verkiesbaar is als personeelsafgevaardigde, namelijk de leeftijd van 65 jaar.

B.5.4. Tevens is de in het geding zijnde bepaling in redelijkheid verantwoord. De keuze voor de leeftijd van vijfenzestig jaar is niet willekeurig, maar stemt overeen met de pensioengerechtigde leeftijd, te weten de leeftijd waarop de werknemer recht heeft op een volledig rustpensioen.

B.5.5. Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door het gegeven dat de in het geding zijnde bepaling in een uitzondering voorziet, namelijk « wanneer de onderneming de gewoonte heeft de categorie van werknemers, waartoe zij behoren, in dienst te houden ».

In tegenstelling tot wat de eisende partij in het bodemgeschil beweert, brengt die uitzondering de coherentie van de desbetreffende regelgeving niet in het gedrang, nu zij in de tijd beperkt is, namelijk tot de leeftijd waarop de onderneming de gewoonte heeft de categorie van werknemers waartoe de personeelsafgevaardigden behoren, in dienst te houden na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.

B.5.6. De in het geding zijnde maatregel is niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.6. De samenhang van die grondwetsbepalingen met de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep leidt niet tot een ander besluit.

In dit verband is het voldoende erop te wijzen dat naar luid van artikel 6, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn, de lidstaten kunnen bepalen dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormen indien zij in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk worden verantwoord door een legitiem doel en de middelen om dat doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn (HvJ, grote kamer, 16 oktober 2007, C-411/05, Palacios de la Villa, en HvJ, 5 maart 2009, C-388/07, Age Concern England ).

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 2, § 2, derde lid, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 2, § 2, derde lid, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Sociaal recht

  • Arbeidsrecht

  • Arbeidsovereenkomst

  • Ontslagbescherming

  • Personeelsafgevaardigden die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt

  • Uitsluiting.