- Arrest van 10 november 2011

10/11/2011 - 176/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- In die zin geïnterpreteerd dat het hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen van de huishoudelijke aangelegenheden tussen een rechthebbende op het leefloon en de illegaal verblijvende vreemdeling met wie hij onder hetzelfde dak woont, uitsluitend uit de verdeling van de huishoudelijke taken wordt afgeleid, zonder dat is vereist dat de uitkeringsgerechtigde uit de samenwoning een economisch-financieel voordeel haalt, schendt artikel 14, § 1, 1°, tweede lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

- In die zin geïnterpreteerd dat het hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen van de huishoudelijke aangelegenheden tussen een rechthebbende op het leefloon en de illegaal verblijvende vreemdeling met wie hij onder hetzelfde dak woont, veronderstelt dat naast de verdeling van de huishoudelijke taken, de uitkeringsgerechtigde uit de samenwoning een economisch-financieel voordeel haalt, schendt diezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 14 januari 2011 in zake het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Verviers tegen Sara Dos Santos Pedro, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 januari 2011, heeft het Arbeidshof te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schendt artikel 14, § 1, 1°, tweede lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in die zin geïnterpreteerd dat de hoofdzakelijk gemeenschappelijke regeling van hun huishoudelijke aangelegenheden tussen een rechthebbende op het leefloon en zijn levenspartner, illegaal verblijvende vreemdeling, zo kan worden begrepen dat die enkel de verdeling omvat van de huishoudelijke taken die de woongemeenschap impliceert die zij vormen doordat zij onder hetzelfde dak wonen, zonder dat het vereist is dat die levenspartner beschikt over middelen die hem in staat stellen financieel bij te dragen tot de lasten van het gezin, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die wetsbepaling in die interpretatie ertoe leidt dat :

- ofwel, twee rechthebbenden op het leefloon die een gezin vormen maar zich in verschillende situaties bevinden, identiek worden behandeld door aan ieder van hen het tarief ' samenwonende ' van die sociale uitkering toe te kennen, zonder ermee rekening te houden dat de levenspartner van de rechthebbende al dan niet beschikt over toereikende inkomsten om, zelfs in bescheiden mate, tot de lasten van het gezin te kunnen bijdragen;

- ofwel, rechthebbenden op het leefloon die zich, vanuit het standpunt van de middelen waarover zij beschikken, in een identieke situatie bevinden daar zij niet kunnen rekenen op de inbreng van middelen van een echtgenoot of een levenspartner, verschillend worden behandeld door aan de eerstgenoemden het leefloon tegen het tarief ' alleenstaande ' en aan de laatstgenoemden het leefloon tegen het tarief ' samenwonende ' toe te kennen, om de enige reden dat die laatstgenoemden met een illegaal verblijvende vreemdeling onder hetzelfde dak wonen, zonder rekening ermee te houden dat de levenspartner van die rechthebbenden niet beschikt over voldoende inkomsten om, zelfs in bescheiden mate, financieel te kunnen bijdragen tot de lasten van het gezin ?

2. Schendt artikel 14, § 1, 1°, tweede lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in die zin geïnterpreteerd dat de hoofdzakelijk gemeenschappelijke regeling van hun huishoudelijke aangelegenheden tussen een rechthebbende op het leefloon en zijn levenspartner, illegaal verblijvende vreemdeling, zo kan worden begrepen dat die enkel de verdeling omvat van de huishoudelijke taken die de woongemeenschap impliceert die zij vormen doordat zij onder hetzelfde dak wonen, zonder dat het vereist is dat die levenspartner beschikt over middelen die hem in staat stellen om, zelfs in bescheiden mate, financieel bij te dragen tot de lasten van het gezin, de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de artikelen 8 en 14 van dat Verdrag, in zoverre die wetsbepaling in die interpretatie leidt tot een onevenredige inmenging :

- in het privé- en gezinsleven van die rechthebbende op het leefloon;

- en/of in het genot van het vermogensrecht bestaande in de inning van het leefloon waarvan de toekenningsvoorwaarden door hem zijn vervuld, om reden dat het bedrag van zijn leefloon van vandaag op morgen wordt beperkt van het tarief ' alleenstaande ' tot het tarief ' samenwonende ' alleen omdat hij heeft verklaard een gezin te vormen met een illegaal verblijvende vreemdeling, zonder inkomsten ?

3. Maakt artikel 14, § 1, 1°, tweede lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, in die zin geïnterpreteerd dat de hoofdzakelijk gemeenschappelijke regeling van hun huishoudelijke aangelegenheden tussen een rechthebbende op het leefloon en zijn levenspartner, illegaal verblijvende vreemdeling, vereist dat die levenspartner beschikt over middelen die hem in staat stellen om, zelfs in bescheiden mate, financieel bij te dragen tot de lasten van het gezin, het mogelijk de schending te vermijden van de grondwetsbepalingen die in de eerste twee hiervoor geformuleerde vragen worden beoogd ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 14, § 1, 1°, tweede lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Het voormelde artikel 14, § 1, stelt het bedrag van het leefloon vast. Dat bedrag varieert volgens de persoonlijke situatie van de rechthebbende. Het bedraagt 8 800 euro op jaarbasis voor een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste, 6.600 euro voor een alleenstaande persoon en 4.400 euro voor een « persoon die met één of meerdere personen samenwoont ». Het recht op het leefloon is geïndividualiseerd, zodat niet is voorzien in een bedrag voor een paar. In voorkomend geval, wanneer twee personen een huishouden vormen en voldoen aan de voorwaarden om recht te hebben op het leefloon, verkrijgen zij beiden een bedrag van 4.400 euro.

De in het geding zijnde bepaling preciseert het begrip « samenwoning » :

« Onder samenwoning wordt verstaan het onder hetzelfde dak wonen van personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen ».

B.2.1. Artikel 2 van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum onderscheidde, vóór het werd opgeheven bij artikel 54 van de wet van 26 mei 2002, vier categorieën van gerechtigden : « samenwonende echtgenoten », « een persoon die enkel samenwoont met hetzij een minderjarig ongehuwd kind te zijnen laste, hetzij meerdere kinderen, onder wie minstens één ongehuwd minderjarig kind te zijnen laste », « een alleenstaand persoon » en « elke andere persoon die met één of meerdere personen samenwoont, onverschillig of zij al dan niet bloed- of aanverwant zijn ». Die bepaling liet, in tegenstelling tot de in het geding zijnde bepaling, na het begrip « samenwoning » nader te omschrijven. Het kwam bijgevolg aan de hoven en rechtbanken toe te bepalen of er sprake was van « samenwonende echtgenoten » of van een « persoon die met één of meerdere personen samenwoont ».

B.2.2. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 mei 2002 blijkt dat de wetgever zich deze rechtspraak heeft willen eigen maken. Ondervraagd over de draagwijdte van het begrip samenwoning, heeft de minister het volgende verklaard :

« De definitie van ' samenwonende ' in artikel 14, § 1, 1° van het ontwerp stemt overeen met de interpretatie van het Hof van Cassatie. Het is belangrijk hier niet af te wijken daar deze interpretatie inmiddels bevestigd werd door de arbeidsrechtbanken en -hoven, op wiens vaste rechtspraak de OCMW's zich kunnen steunen bij het nemen van hun beslissingen.

Deze definitie is overigens dezelfde als deze voorzien in art. 59 van het ministerieel besluit van 26.01.1991 houdende toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1603/004, pp. 55-56).

In zijn advies bij het voorontwerp van wet dat tot de in het geding zijnde bepaling heeft geleid, overweegt de afdeling wetgeving van de Raad van State dat de definitie van het begrip « samenwonen » in artikel 14, § 1, 1°, tweede lid, van de wet van 26 mei 2002, overeenstemt met de gebruikelijke invulling ervan in het sociale zekerheidsrecht (Parl. St., Kamer, 2001-2001, DOC 50-1603/001, p. 82).

B.2.3. In een arrest van 8 oktober 1984 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat met de termen « persoon die met één of meerdere personen samenwoont » in de zin van artikel 2 van de wet van 7 augustus 1974 wordt bedoeld een persoon die met een of meer personen onder hetzelfde dak samenleeft en met hen een gemeenschappelijke huishouding heeft (Arr. Cass., 1984, p. 219). Volgens het Hof van Cassatie heeft het Arbeidshof wettig kunnen oordelen dat er sprake was van samenwoning wanneer de aanvrager - in vergelijking met een alleenstaande -, meer materiële voordelen genoot en minder financiële lasten droeg. Uit hetzelfde arrest blijkt dat er sprake kan zijn van samenwoning op grond van de materiële voordelen die een uitkeringsgerechtigde geniet door het feit dat hij met één of meer personen onder hetzelfde dak samenleeft, in casu doordat hij kosteloos mocht wonen en de maaltijden mocht gebruiken. Het is niet vereist dat de persoon met wie de aanvrager samenwoont over eigen inkomsten beschikt.

B.3. In de memorie van toelichting van de in het geding zijnde bepaling wordt aangegeven dat het bedrag van het leefloon toegekend aan de « categorie ' alleenstaande ' [...] hoger [is] dan dat van de categorie ' samenwonende ', rekening houdend met het feit dat de alleenstaande alleen moet instaan voor de vaste kosten (woning, meubilering,...) » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1603/001, p. 20). De minister voegde eraan toe dat « wie echt alleen woont, [...] immers zwaardere lasten [draagt] dan wie de lasten met een ander kan delen » en dat « om die reden [...] inzake samenwoning het individuele recht [wordt] bijgestuurd » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1603/004, p. 54). Hieruit kan worden afgeleid dat het lagere bedrag van het tarief « samenwonende » ten opzichte van het tarief « alleenstaande » is verantwoord door de overweging dat de uitkeringsgerechtigde uit de samenwoning een economisch-financieel voordeel haalt, doordat hij minder financiële lasten van het huishouden moet dragen, hetzij doordat hij bepaalde kosten kan delen, hetzij doordat hij bepaalde materiële voordelen geniet.

B.4. Bij de toekenning van het leefloon primeert de feitelijke situatie van de aanvrager (Parl. St., Kamer, DOC 50-1603/004, p. 55). De ontstentenis van inkomsten van de aanvrager van het leefloon en, in voorkomend geval, de vermogenstoestand van de persoon met wie hij onder één dak woont, moeten op individuele wijze worden vastgesteld door het sociaal onderzoek dat door de bevoegde diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn moet worden gevoerd met toepassing van artikel 19 van de wet van 26 mei 2002. Op basis van dat onderzoek en van de vaststelling of de aanvrager van het leefloon uit de samenwoning een economisch-financieel voordeel haalt, beslist het OCMW om een leefloon van alleenstaande, dan wel van samenwonende toe te kennen. Bij betwisting kan de zaak worden voorgelegd aan de arbeidsgerechten.

B.5.1. Bij de toekenning van sociale voordelen wordt in bepaalde gevallen rekening gehouden met de gezinssituatie van de uitkeringsgerechtigde. Afhankelijk van de aard van het sociale voordeel, moet in elk geval afzonderlijk worden beoordeeld of die gezinssituatie een verhoging of een verlaging van de uitkering rechtvaardigt. Te dezen wordt het Hof ondervraagd over de regeling inzake het leefloon, dat onder bepaalde voorwaarden wordt toegekend aan personen die over onvoldoende bestaansmiddelen beschikken, teneinde hen in staat te stellen om een menswaardig bestaan te leiden.

B.5.2. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de situatie van de rechthebbende op het leefloon, wiens samenwonende partner een illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling is. Op grond van artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn heeft die vreemdeling enkel recht op dringende medische hulp; hij heeft geen recht op een sociale uitkering en kan in beginsel evenmin een inkomen uit arbeid verwerven.

B.6.1. De eerste twee prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 14, § 1, 1°, tweede lid, van de wet van 26 mei 2002 in die zin geïnterpreteerd dat het « hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen van de huishoudelijke aangelegenheden » tussen een rechthebbende op het leefloon en zijn levenspartner, een illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling, uitsluitend de verdeling van de huishoudelijke taken omvat, en niet vereist dat die levenspartner over bestaansmiddelen beschikt en dus financieel kan bijdragen in de uitgaven van het huishouden. De derde prejudiciële vraag heeft betrekking op die bepaling in die zin geïnterpreteerd dat het begrip « samenwoning » vereist dat de levenspartner van de rechthebbende op het leefloon, een illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling, beschikt over bestaansmiddelen die hem in staat stellen om, zelfs op geringe wijze, financieel bij te dragen in de uitgaven van het huishouden.

B.6.2. Zoals aangegeven in B.2 en B.3, vereist het begrip « samenwoning » in artikel 14, § 1, 1°, van de wet van 26 mei 2002 dat de aanvrager van een leefloon uit het onder één dak wonen met de andere persoon een economisch-financieel voordeel haalt. Dit laatste kan erin bestaan dat de samenwonende over inkomsten beschikt, die hem toelaten bepaalde kosten te delen, maar ook dat de aanvrager door de samenwoning bepaalde materiële voordelen kan genieten waardoor hij minder uitgaven heeft.

De prejudiciële vragen moeten derhalve zo worden begrepen dat ze een vergelijking maken tussen, enerzijds, uitkeringsgerechtigden voor wie het samenwonen met een andere persoon een economisch-financieel voordeel oplevert en, anderzijds, uitkeringsgerechtigden voor wie dat niet het geval is, doordat ze samenwonen met een illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling.

B.7.1. De rechthebbenden op het leefloon die samenwonen met een illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die niet over bestaansmiddelen beschikt en op geen enkele wijze kan bijdragen in de uitgaven van het huishouden, bevinden zich, ten aanzien van de verantwoording voor de in het geding zijnde bepaling waaraan in B.3 is herinnerd, in een situatie die wezenlijk verschilt van die van de rechthebbenden die uit het samenwonen een economisch-financieel voordeel halen. Immers, terwijl de laatstgenoemden daadwerkelijk een aantal schaalvoordelen kunnen halen uit het wonen onder één dak met een andere persoon en hun financiële situatie verbeterd zien door de aanwezigheid van die laatste, kunnen de eerstgenoemden geen enkel financieel voordeel halen uit de aanwezigheid van de persoon met wie samenwonen en blijven zij alle kosten van het huishouden alleen dragen. De gelijke behandeling van beide categorieën van personen beantwoordt niet aan het door de in het geding zijnde bepaling nagestreefde doel.

B.7.2. Het zou weliswaar niet gerechtvaardigd zijn dat een rechthebbende op een leefloon, de uitkering waarop hij recht heeft, zou kunnen verhoogd zien ten gevolge van het samenwonen met een illegaal verblijvende vreemdeling. In het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen op het vlak van het leefloon, zou het evenwel evenmin gerechtvaardigd zijn dat de rechthebbende op het leefloon, zijn uitkering verlaagd zou zien doordat hij samenwoont met een illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die niet over bestaansmiddelen beschikt en niet kan bijdragen in de kosten van het huishouden. In dat geval levert het samenwonen de uitkeringsgerechtigde immers geen economisch-financieel voordeel op.

B.7.3. In die zin geïnterpreteerd dat het hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen van de huishoudelijke aangelegenheden tussen een rechthebbende op het leefloon en de illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling met wie hij onder één dak woont, uitsluitend de verdeling van de huishoudelijke taken omvat, zonder dat wordt vereist dat het samenwonen de uitkeringsgerechtigde een economisch-financieel voordeel oplevert, is de in het geding zijnde bepaling niet redelijk verantwoord en is zij derhalve niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Rekening houdend met wat is vermeld onder B.6.2, dient de eerste prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.8.1. Zoals het verwijzende rechtscollege in de derde prejudiciële vraag, alsook de Ministerraad oordelen, kan artikel 14, § 1, 1°, van de wet van 26 mei 2002 evenwel in die zin worden geïnterpreteerd dat de samenwoning veronderstelt dat het hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen van de huishoudelijke aangelegenheden vereist dat het samenwonen de uitkeringsgerechtigde een economisch-financieel voordeel oplevert. In die interpretatie, die ook degene is die de wetgever aan artikel 14, § 1, 1°, van de wet van 26 mei 2002 heeft willen geven, is dat artikel niet van toepassing op de rechthebbende die samenwoont met een illegale vreemdeling die geen bestaansmiddelen heeft en niet op enigerlei wijze kan bijdragen in de financiële lasten van het huishouden, zodat de aanvrager van het leefloon in dat geval recht heeft op een leefloon tegen het tarief « alleenstaande ».

B.8.2. In die interpretatie bestaat de in de eerste prejudiciële vraag bedoelde gelijkheid van behandeling niet, zodat de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Rekening houdend met wat is vermeld onder B.6.2, dient de derde prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.9. Zoals aangegeven onder B.4, moet de situatie van de aanvrager van het leefloon en de ontstentenis van bestaansmiddelen van de persoon met wie de aanvrager van het leefloon samenwoont, op individuele wijze worden vastgesteld door het sociaal onderzoek dat door de bevoegde diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt gevoerd, onder controle van de arbeidsgerechten.

Zoals de Ministerraad opmerkt, valt het niet uit te sluiten dat een illegaal verblijvende vreemdeling over bestaansmiddelen zou kunnen beschikken. Uit de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling, zoals aangegeven in B.8.1, volgt dat, in het geval dat de aanvrager van een leefloon onder hetzelfde dak woont met een illegaal verblijvende vreemdeling die kan bijdragen in de uitgaven van het huishouden, de aanvrager als een samenwonende in de zin van artikel 14, § 1, 1°, tweede lid, van de wet van 26 mei 2002 kan worden beschouwd. In dat geval kan de aanwezigheid van die vreemdeling de uitkeringsgerechtigde immers een financieel-economisch voordeel opleveren.

B.10. Rekening houdend met het antwoord op de eerste en de derde prejudiciële vraag, dient het Hof de tweede vraag niet te onderzoeken.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- In die zin geïnterpreteerd dat het hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen van de huishoudelijke aangelegenheden tussen een rechthebbende op het leefloon en de illegaal verblijvende vreemdeling met wie hij onder hetzelfde dak woont, uitsluitend uit de verdeling van de huishoudelijke taken wordt afgeleid, zonder dat is vereist dat de uitkeringsgerechtigde uit de samenwoning een economisch-financieel voordeel haalt, schendt artikel 14, § 1, 1°, tweede lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

- In die zin geïnterpreteerd dat het hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen van de huishoudelijke aangelegenheden tussen een rechthebbende op het leefloon en de illegaal verblijvende vreemdeling met wie hij onder hetzelfde dak woont, veronderstelt dat naast de verdeling van de huishoudelijke taken, de uitkeringsgerechtigde uit de samenwoning een economisch-financieel voordeel haalt, schendt diezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 november 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over artikel 14, § 1, 1°, tweede lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, gesteld door het Arbeidshof te Luik. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Recht op maatschappelijke integratie

  • Leefloon

  • Bedrag

  • 1. Tarief 'samenwonende'

  • Rechthebbenden die uit het samenwonen een economisch-financieel voordeel halen

  • 2. Tarief 'alleenstaande'

  • Rechthebbenden die samenwonen met een illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die niet over bestaansmiddelen beschikt en op geen enkele wijze kan bijdragen in de uitgaven van het huishouden.