- Arrest van 10 november 2011

10/11/2011 - 171/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt de beroepen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 7 en 8 december 2010 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 8 en 9 december 2010, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van de wet van 18 april 2010 « tot wijziging van de kaderwet betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen gecodificeerd door het koninklijk besluit van 3 augustus 2007 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 juni 2010) respectievelijk door Roland Van de Velde, wonende te 5100 Jambes, rue Charles Lamquet 37, en door Pascal Malumgré, die keuze van woonplaats doet te 2970 Schilde, Wijnegemsteenweg 83-85.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5066 en 5067 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van het onderwerp van de beroepen

B.1.1. De verzoekende partijen in beide zaken vorderen de vernietiging van artikel 2 van de wet van 18 april 2010 « tot wijziging van de kaderwet betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen gecodificeerd door het koninklijk besluit van 3 augustus 2007 », dat bepaalt :

« In artikel 7, paragraaf 3, van de kaderwet betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen gecodificeerd door het koninklijk besluit van 3 augustus 2007, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende :

' Elke kiezer kan een beroep indienen tegen de verkiezingsresultaten bij de Raad van State binnen acht dagen na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad . Op straffe van onontvankelijkheid dient het beroep voorafgaandelijk per deurwaardersexploot betekend te worden aan de voorzitter van het instituut. De Koning bepaalt de procedure en de partijen bij deze procedure. De Raad van State doet uitspraak over het beroep binnen een termijn van zestig dagen. Indien de verkiezing geheel of gedeeltelijk nietig wordt verklaard, alsook in geval van beroep tegen de verkiezingen, nemen de uittredende mandatarissen de betrokken mandaten verder waar zolang deze niet opnieuw werden ingevuld. Indien de verkiezing geheel of gedeeltelijk nietig wordt verklaard stelt de regeringscommissaris de datum vast waarop nieuwe verkiezingen moeten worden gehouden. ' ».

B.1.2. De verzoekende partijen verwijten die bepaling te voorzien in een beroepstermijn van acht dagen te rekenen vanaf de bekendmaking van de verkiezingsresultaten in het Belgisch Staatsblad , en daarnaast erin te voorzien dat het beroep vooraf bij deurwaardersexploot moet worden betekend aan de voorzitter van het betrokken instituut. Zij zijn van mening dat de beroepstermijn aldus op overdreven wijze wordt ingekort, hetgeen op discriminerende wijze afbreuk zou doen aan het recht van toegang tot een rechter.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.2. De Grondwet en de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof van 6 januari 1989 vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar.

B.3. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van de beroepen omdat de twee verzoekende partijen geen belang zouden hebben.

B.4.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 5066 is ingeschreven op het tableau van de landmeters-experts bedoeld in artikel 3 van de wet van 11 mei 2003 tot oprichting van federale raden van landmeters-experten. Noch de bestreden wet van 18 april 2010, noch de kaderwet betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen gecodificeerd door het koninklijk besluit van 3 augustus 2007 die zij wijzigt, hebben betrekking op de federale raden van de landmeters-experts. Hieruit vloeit voort dat de bestreden bepaling niet zou kunnen worden toegepast op de verzoekende partij, die in haar bestaande situatie niet de hoedanigheid van kiezer heeft voor de verkiezingen van de leden van een orgaan van een van de bij die wet beoogde beroepsinstituten.

B.4.2. Het gegeven dat de verzoekende partij in het verleden is ingeschreven op het tableau van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars, geregeld bij de kaderwet die is gecodificeerd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2007, is niet van dien aard dat het haar een actueel belang bij de vernietiging van de bestreden bepaling toekent. Ten slotte zijn de mogelijkheid dat zij in de toekomst opnieuw wordt ingeschreven op het tableau van dat Instituut of de mogelijkheid dat de bestreden bepaling van toepassing wordt verklaard op de federale raden van de landmeters-experts, te hypothetisch om te doen blijken van het vereiste belang in het kader van een beroep tot vernietiging voor het Hof.

B.4.3. Wanneer, zoals te dezen, geen voldoende geïndividualiseerd verband bestaat tussen de bestreden norm en de situatie van de verzoekende partij, dient het beroep als een actio popularis te worden beschouwd, hetgeen de Grondwetgever niet heeft gewild.

Het beroep in de zaak nr. 5066 is niet ontvankelijk.

B.5.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 5067 is advocaat. Ter ondersteuning van haar belang voert zij aan dat de korte termijn om een beroep voor de Raad van State in te stellen, afbreuk doet aan de normale uitoefening van haar beroep en het aantal gevallen zou kunnen doen toenemen waarin haar beroepsaansprakelijkheid in het geding zou kunnen worden gebracht.

B.5.2. Er kan worden aangenomen dat de bestreden bepaling, in zoverre zij een termijn van acht dagen voor het instellen van een beroep bij de Raad van State oplegt, de taak bemoeilijkt van de advocaten die verzoekers vertegenwoordigen. Zij kan derhalve de situatie van de advocaten die hun medewerking verlenen bij het instellen van de beroepen ter zake, op rechtstreekse en ongunstige wijze raken, zodanig dat hun aansprakelijkheid in het geding kan worden gebracht.

B.6. Het beroep in de zaak nr. 5067 is ontvankelijk.

Ten gronde

B.7. De verzoekende partij leidt een middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 13 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 2 en 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 160 van de Grondwet en met het algemeen beginsel van het recht van toegang tot een rechter. Zij is van mening dat de bestreden bepaling, door te voorzien in een termijn van acht dagen voor het instellen van een beroep tegen de resultaten van de verkiezingen binnen de beroepsinstituten die worden beoogd in de kaderwet betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen gecodificeerd door het koninklijk besluit van 3 augustus 2007, op discriminerende wijze afbreuk doet aan het recht van toegang tot een rechter. Zij voert aan dat de termijn van acht dagen te rekenen vanaf de bekendmaking van de resultaten van de verkiezingen in het Belgisch Staatsblad , te kort is om een beroep te kunnen instellen, en dat die korte termijn nog wordt verergerd door de vereiste, vastgesteld in dezelfde bepaling, om het beroep vooraf bij deurwaardersexploot te laten betekenen aan de voorzitter van het betrokken instituut.

B.8. De bestreden bepaling, ingevoegd in de kaderwet betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen gecodificeerd door het koninklijk besluit van 3 augustus 2007, kent het contentieux van de beroepen tegen de resultaten van de verkiezingen van de organen van de bij die wet betrokken instituten toe aan de Raad van State. De wetgever heeft geoordeeld dat de vroegere procedure, waarbij het beroep werd beslecht door de verenigde beroepskamers van het betrokken instituut, niet adequaat was. « Enerzijds zorgt de voorziening in cassatie voor een vertragend karakter dat de rechtszekerheid schaadt. Anderzijds zou het kunnen dat de leden van de rechtbank waarbij de zaak [...] aanhangig is gemaakt (de verenigde beroepskamers), uitspraak moeten doen over een beroep tegen verkiezingen waaraan ze zelf hebben deelgenomen » (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2423/001, p. 70).

B.9. De kortere beroepstermijn strekt ertoe de rechtszekerheid zo snel mogelijk te verzekeren na de verkiezingen. Hij maakt het mogelijk de periode van onzekerheid ten aanzien van de geldigheid van de verkiezingen en bijgevolg ten aanzien van de rechtmatigheid van de organen die daaruit voortvloeien, te beperken. Hij maakt het aldus mogelijk dat die organen beslissingen kunnen nemen die niet zijn blootgesteld aan een betwisting op basis van de onregelmatigheid van de samenstelling ervan.

B.10.1. Het is juist dat een termijn van acht dagen om een verzoekschrift tot nietigverklaring op te stellen, om dat verzoekschrift bij deurwaardersexploot te laten betekenen aan de voorzitter van het betrokken instituut en om het beroep in te stellen voor de Raad van State, een bijzonder korte termijn is. Er dient niettemin te worden opgemerkt dat andere wetgevingen eveneens voorzien in korte termijnen, die afwijken van het gemeen recht, om een beroep voor de Raad van State in te stellen.

De termijn van acht dagen waarin de bestreden bepaling voorziet, gekoppeld aan de termijn van zestig dagen waarover de Raad van State beschikt teneinde zich over het beroep uit te spreken, is een relevante maatregel om de door de wetgever nagestreefde doelstelling van snelheid te bereiken.

B.10.2. Artikel 28 van het koninklijk besluit van 27 november 1985 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van de beroepsinstituten die voor de dienstverlenende intellectuele beroepen zijn opgericht, bepaalt dat het resultaat van de stemming « onmiddellijk [wordt] bekendgemaakt door de voorzitter » op de dag van de stemmingopneming, en dat de lijst van de werkende en de plaatsvervangende leden wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad in de maand die volgt op de stemopneming.

Hieruit moet worden afgeleid dat de kiezers en de kandidaten die bij de verkiezingen zijn betrokken, kennis kunnen nemen van de resultaten van de stemming zonder te wachten op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatblad, en dat zij vanaf dat ogenblik, in voorkomend geval met de hulp van een raadsman, de opportuniteit kunnen overwegen om tegen de verkiezingen een beroep in te stellen. Hieruit volgt dat de bestreden bepaling geen onevenredige gevolgen heeft voor de kiezers en de kandidaten die een beroep willen instellen tegen de verkiezingen van de instituten waarop de bestreden bepaling betrekking heeft.

B.11. Het middel is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de beroepen.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 10 november 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Beroepen tot vernietiging van de wet van 18 april 2010 « tot wijziging van de kaderwet betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen gecodificeerd door het koninklijk besluit van 3 augustus 2007 », ingesteld door Roland Van de Velde en door Pascal Malumgré. Beroepsinstituut voor de dienstverlenende intellectuele beroepen

  • Verkiezing van de organen

  • Beroep bij de Raad van State

  • Termijn van acht dagen

  • Rechtszekerheid. # Rechten en vrijheden

  • Jurisdictionele waarborgen

  • Recht op toegang tot de rechter.