- Arrest van 17 november 2011

17/11/2011 - 178/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- In die zin geïnterpreteerd dat het een onweerlegbaar vermoeden instelt, schendt artikel 22ter, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 « tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders », vervangen bij artikel 8 van de programmawet van 27 december 2004, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- In die zin geïnterpreteerd dat zij een weerlegbaar vermoeden instelt, schendt dezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Moerman, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 1 oktober 2010 in zake Monique Moreau tegen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 7 oktober 2010, heeft de Arbeidsrechtbank te Hoei de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1) Schendt artikel 22ter van de wet van 27 juni 1969 [tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders], gewijzigd bij de programmawet van 27 december 2004, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het op een algemene en absolute wijze instellen van een onweerlegbaar vermoeden van voltijdse arbeid ertoe leidt twee fundamenteel verschillende categorieën van werkgevers op dezelfde manier te behandelen, namelijk, enerzijds, de werkgevers die de socialezekerheidsbijdragen op de daadwerkelijk gepresteerde uren hebben betaald, maar hebben nagelaten de toepasselijke bepalingen inzake vermelding en openbaarmaking van de werkroosters in acht te nemen, en, anderzijds, de werkgevers die bewust nalaten die bepalingen in acht te nemen teneinde socialezekerheidsbijdragen te betalen op een kleiner aantal uren dan het aantal werkelijk gepresteerde uren ?

2) Schendt artikel 22ter van de wet van 27 juni 1969, gewijzigd bij de programmawet van 27 december 2004, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij de werkgever die de maatregelen met betrekking tot de vermeldingen en de openbaarmaking van de deeltijdse werkroosters niet in acht heeft genomen, elke mogelijkheid ontnemen om het bewijs te leveren van het werkelijk gepresteerde aantal uren, en in zoverre het uitsluitend aan de sociale-inspectiediensten de zorg overlaat om het eventuele bestaan vast te stellen van een materiële onmogelijkheid om voltijdse arbeid te verrichten, zonder dat de werkgever de mogelijkheid heeft om daarover uitleg te verschaffen ?

3) Schendt artikel 22ter van de wet van 27 juni 1969, gewijzigd bij de programmawet van 27 december 2004, in de interpretatie volgens welke het om een burgerlijke sanctie gaat, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een dusdanig vermoeden instelt dat de werkgever die de vermeldingen en maatregelen van openbaarmaking van de deeltijdse werkroosters niet in acht heeft genomen, dat vermoeden nooit kan weerleggen, zelfs indien hij in staat is het bewijs te leveren van een materiële of economische onmogelijkheid dat de arbeid voltijds kon worden verricht door zijn in het geding zijnde werknemers ?

4) Schendt artikel 22ter van de wet van 27 juni 1969, gewijzigd bij de programmawet van 27 december 2004, in de interpretatie volgens welke het gaat om een sanctie met een strafrechtelijk karakter in de zin van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een dusdanig vermoeden instelt dat de werkgever die de vermeldingen en maatregelen van openbaarmaking van de deeltijdse werkroosters niet in acht heeft genomen, dat vermoeden nooit kan weerleggen, zelfs indien hij in staat is het bewijs te leveren van een materiële of economische onmogelijkheid dat de arbeid voltijds kon worden verricht door zijn in het geding zijnde werknemers, en in zoverre de arbeidsrechtbank over geen enkele bevoegdheid beschikt om de sanctie aan te passen, wanneer de werkgever niettemin een dergelijk bewijs levert ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 22ter van de wet van 27 juni 1969 « tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders », ingevoegd bij artikel 181 van de programmawet van 22 december 1989, en vervangen bij artikel 8 van de programmawet van 27 december 2004, bepaalt :

« Behoudens in de door de sociale inspectiediensten vastgestelde gevallen van materiële onmogelijkheid om voltijdse arbeid te verrichten, worden bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162, 163 en 165 van de programmawet van 22 december 1989 of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld bij artikel 164 van dezelfde wet, de deeltijdse werknemers vermoed hun normale werkelijke arbeid te hebben uitgevoerd volgens de normale werkroosters van de betrokken werknemers die openbaar werden gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet.

Behoudens in de door de sociale inspectiediensten vastgestelde gevallen van materiële onmogelijkheid om voltijdse arbeid te verrichten, worden bij ontstentenis van openbaarmaking van de normale werkroosters van de betrokken werknemers, de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor arbeid als voltijdse werknemer ».

Die bepaling maakt deel uit van afdeling 1 (« Aangifte en betaling ») van hoofdstuk IV (« Inning en invordering van de bijdragen ») van de wet van 27 juni 1969.

B.2. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing en de bewoordingen van de prejudiciële vragen blijkt dat aan het Hof vragen worden gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 22ter, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het bij de in het geding zijnde bepaling ingestelde vermoeden onweerlegbaar zou zijn.

B.3. Artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of 's lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden ».

Artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie ».

B.4. De aanneming van artikel 8 van de programmawet van 27 december 2004 had tot doel een « weerlegbaar vermoeden » te vervangen door een « onweerlegbaar vermoeden, waarbij [de arbeidsinspecteur] zich wel [dient] te vergewissen van het feit of de gecontroleerde werknemer niet in de materiële onmogelijkheid verkeerde om voltijdse arbeid te verrichten » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, nr. 1437/1, p. 23).

Die vervanging werd verantwoord als volgt :

« Artikel 22ter van de wet 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders voorziet in een weerlegbaar vermoeden van voltijdse onderwerping voor de deeltijdse werknemers [voor wie] de formaliteiten inzake sociale documenten niet werden gerespecteerd.

Volgens de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie (met name een arrest van 3 februari 2003) moet het tegendeel van het in artikel 22ter van de voornoemde wet van 27 juni 1969 gestelde vermoeden dat de werknemers hun arbeid hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid, worden aangebracht door de werkgever en bestaat het erin te bewijzen dat de deeltijdse werknemers geen voltijdse arbeid hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. De werkgever moet niet de omvang van de werkelijk verrichte prestaties in het kader van een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid bewijzen.

Op basis hiervan oordelen bepaalde [h]oven dat, zodra de werkgever een begin van bewijs aanbrengt met betrekking tot de realiteit van de deeltijdse arbeid uitgevoerd door zijn werknemer, het aan de [arbeidsinspectie] is om de realiteit van de deeltijdse [lees : voltijdse] arbeid aan te tonen, met name door alle aanwezige personen te ondervragen en door verschillende bezoeken ter plaatse af te leggen om de realiteit van de feiten vast te stellen. Een dergelijke vereiste komt neer op het tenietdoen van alle vaststellingen gedaan door de [arbeidsinspectiediensten] naar aanleiding van gerichte controles om het zwartwerk in kaart te brengen » (ibid.).

Het kwam ook erop aan « een antwoord te bieden op de afwijkende nieuwe situaties die zijn vastgesteld door de inspectiediensten of [door] de instanties die belast zijn met de inning van de werkgeversbijdragen » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, nr. 1437/25, pp. 71-72) teneinde « de correcte inning van de [...] bijdragen » te waarborgen (ibid., p. 15).

De in het geding zijnde bepaling werd bovendien voorgesteld als een middel om de verlamming van de arbeidsinspectie te voorkomen en tegelijkertijd de toepassing van het ingestelde onweerlegbare vermoeden uit te sluiten wanneer die inspectie vaststelt « dat voltijds of deeltijds voor langere tijd werken materieel onmogelijk is » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, nr. 1437/25, p. 72).

B.5. De in het geding zijnde bepaling vormt, door het vermoeden dat zij instelt, een maatregel die in overeenstemming is met de doelstelling die ermee wordt nagestreefd. Het onweerlegbare karakter ervan kon noodzakelijk worden geacht om, zoals in de parlementaire voorbereiding wordt aangegeven, de correcte inning van de socialezekerheidsbijdragen te waarborgen, met name in het kader van de strijd tegen het zwartwerk.

In zoverre het vermoeden onweerlegbaar is, heeft het echter een algemeen en absoluut karakter dat onevenredig is ten aanzien van de betrokken werkgever, aangezien het hem het recht ontzegt om aan te tonen dat het bedrag van de socialezekerheidsbijdragen die hij heeft betaald, overeenstemt met de arbeidsprestaties die daadwerkelijk werden verricht door de werknemer die hij tewerkstelt ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid.

De in het geding zijnde maatregel vertoont bijgevolg een onevenredig karakter.

B.6. In zoverre de in het geding zijnde bepaling een onweerlegbaar vermoeden zou instellen, dienen de prejudiciële vragen bevestigend te worden beantwoord.

B.7. Het Hof stelt evenwel vast dat die bepaling anders kan worden geïnterpreteerd.

B.8.1. Artikel 1352 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt :

« Het wettelijk vermoeden ontslaat degene in wiens voordeel het bestaat, van ieder bewijs.

Geen bewijs wordt tegen het wettelijk vermoeden toegelaten, wanneer de wet, op grond van dit vermoeden, bepaalde handelingen nietig verklaart of de rechtsvordering ontzegt, tenzij de wet het tegenbewijs heeft vrijgelaten, en onverminderd hetgeen omtrent de gerechtelijke eed en de gerechtelijke bekentenis zal worden bepaald ».

B.8.2. Het door de in het geding zijnde bepaling ingestelde vermoeden is niet van toepassing wanneer de sociaal inspecteur vaststelt dat het voor de betrokken werknemers materieel onmogelijk is voltijdse arbeid te verrichten.

Die bepaling geeft niet aan dat dat vermoeden onweerlegbaar is. Bovendien verklaart zij geen enkele handeling nietig en ontzegt zij geen enkele rechtsvordering op grond van dat wettelijk vermoeden.

Dat vermoeden is dus niet onweerlegbaar (zie Cass., 7 februari 2011, S.10.0056.N).

B.9. Indien de in het geding zijnde bepaling op die wijze wordt geïnterpreteerd, dienen de prejudiciële vragen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- In die zin geïnterpreteerd dat het een onweerlegbaar vermoeden instelt, schendt artikel 22ter, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 « tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders », vervangen bij artikel 8 van de programmawet van 27 december 2004, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- In die zin geïnterpreteerd dat zij een weerlegbaar vermoeden instelt, schendt dezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 17 november 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over artikel 22ter van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zoals vervangen bij artikel 8 van de programmawet van 27 december 2004, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Hoei. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Financiering

  • Werkgeversbijdragen

  • Deeltijdse werknemers voor wie de formaliteiten inzake sociale documenten niet werden gerespecteerd

  • Vermoeden van voltijdse arbeid.